De mededeelzaamheid van het geloof

“… en haar schoonmoeder zag, wat zij opgelezen had; ook bracht zij voort, en gaf haar, wat zij van haar verzadiging overgehouden had.” (Ruth 2:18)

 

Als de dag ten einde is en het tijd wordt om naar huis te gaan, dorst Ruth eerst nog het opgelezen koren. Het is een rijke buit: ongeveer 36 liter gerst. Dat had ze te danken aan de goedgeefs­heid van Boaz. Met z’n tweeën kunnen ze daar zeker vijf dagen van leven. Ja, Ruth is mededeelzaam. Dat is altijd de vrucht van Gods genade.

Als een vader heeft de HEERE voor haar gezorgd. Hij heeft waargemaakt dat Hij ‘vreemdelingen met een wakend oog beschouwt’ en dat Hij ‘de weduwen haar recht verschaft’. Dankbaar en blijmoedig aanvaardt Ruth de terugweg. Ze wil graag alles thuis vertellen aan Naomi. Het gesprek gaat niet over ‘hoe moeilijk het was en hoe zwaar’, maar over de goedheid van Boaz. En als Naomi dan ziet dat Ruth een hele zak gerst bij zich heeft, is ze verbaasd en ontroerd. Als de duisternis gevallen is over Bethlehem wordt het licht in het huisje van Naomi en Ruth, want Ruth mag na die heerlijke ontmoeting met Boaz en overladen met zijn gaven, vertellen wat de HEERE gedaan heeft en van haar overvloed uitdelen aan Naomi. Ze is mededeelzaam. Ze geeft wat ze ‘van haar verzadiging heeft overgehouden’. Wat overgebleven is van het geroosterde koren, dat ze aan de maaltijd gekregen had. Zo gaat het van een arme naar een arme. Zo deelt Naomi mee in de gaven van Boaz.

Wat is daar vaak gebrek aan in de gemeente, aan mensen, die mild en royaal uitdelen aan anderen, wat ze zelf van de Heere hebben ontvangen. Kijk eens even terug in uw leven. Hoe lang is het geleden, dat u zelf door de Heere bent vertroost? En wie was de gelukkige, die mee mocht delen in die rijkdom?

Graag geef ik u hier een stukje door van de bekende opwekkings­prediker C. H. Spurgeon: “Een Christen behoort een trooster te zijn, met een vriendelijk woord op zijn lippen en medelijden in zijn hart. Hij moet zonneschijn brengen en waarheen hij ook gaat het geluk om zich heen verspreiden. Als u op Jezus ziet en gewoon bent om in het licht van Zijn aangezicht te wandelen, dan zal uw gelaat, uw karakter, uw leven gaan stralen zonder dat u het zelf weet. Als God ons met Zijn tere barmhartigheid heeft bezocht en zoveel meer voor ons heeft gedaan dan ik kan zeggen en u kunt horen, laten wij dan ook tere barmhartigheid laten zien in onze omgang met onze naaste. Hij, die het middel is om anderen deelgenoot te maken van een geestelijk leven, die leeft het meest en die leeft het best.”

Wat is Ruth toch vriendelijk tegen haar schoonmoeder en wat brengt zij een zonneschijn in haar verdrietige leven. Zij mag echt iets uitstralen van die tere barmhartigheid, die zij zelf mocht ondervinden bij Boaz.

Wie de ‘meerdere Boaz’ kent en Hem ontmoeten mag aan Zijn maaltijd, kan die rijkdom niet voor zichzelf houden. Het geloof is mededeelzaam. Wie Jezus ontmoet, deelt uit van Zijn overvloed. Dan loop je over van Zijn goedheid. Anderen zijn er goed mee. En God wordt erdoor geprezen. “Loof Hem, die u vergunt uw zielsver­lagen, en ’t goede tot verzading doet ontvangen” (Psalm 103:3 berijmd).

Aan die gunnende gestalte van de liefde om alles door te geven aan anderen, wat je van de Heere mag ontvangen, kun je zien of je zelf ooit mocht delen in de overvloed van Gods genade. Zo gaat dat ook in de viering van het Heilig Avondmaal en de dankzegging daarop. Van wat je in de maaltijd met de grote Zoon van Boaz mag ontvangen, deel je graag mee aan anderen die niet zo verzadigd zijn met het ‘geroosterde koren’ van het volbrachte werk van Christus.

 

Ds. C. G. Vreugdenhil

Geloofsovergave

“Als het nu etenstijd was, zeide Boaz tot haar: Kom hierbij en eet van het brood… en hij langde haar geroost koren, en zij at, en werd verzadigd…” (Ruth 2:14)

 

Zondag 3 september zal weer een voorbereidings-dienst gehouden worden voor de bediening van het Heilig Avondmaal. Als je weet dat de liefdesmaaltijd van Christus er aankomt, ben je daar in gedachten meer mee bezig dan anders. De meditatie over Ruth op de akker van Boaz kan ons daarbij helpen. U bent vast wel eens werkzaam met de vraag of het Heilig Avondmaal ook voor u is. Aan het Heilig Avondmaal reikt Christus als het ware eigenhandig Zijn vlees en bloed uit. Het Avondmaal wordt op gezette tijden bediend, naar de instelling van Christus. Het hangt niet van onze behoefte af. Het is Zijn liefdesbevel.

Boaz nodigt Ruth tot de maaltijd. Het was etenstijd. ‘Kom hierbij’ sprak Boaz in de bevelende vorm. De tafel staat aangericht. Eet van het brood. Een vriendelijk, maar tegelijk dringend bevel. Ruth heeft dat niet gezocht en ook niet verwacht. Ze wilde liever een plaats innemen aan de rand van het veld. Hier had ze echt niet aan gedacht. Maar Boaz heeft het haar geboden.

Zo handelt de Heere ook bij het Avondmaal. Hij brengt soms mensen aan tafel, die uit zichzelf niet zouden durven aangaan. Ze moeten gewoon, gedrongen door de liefde. De Heere nodigt zo vriendelijk. En de ‘meerdere Boaz’ is alles voor hen. Buiten die maaltijd van Christus moeten wij verkommeren. Laat toch niets u verhinderen om aan Zijn roepstem gehoorzaam te zijn. Wees eerder bang dat u Hem, die zo goed en genadig is, tekort zou doen. Dan wordt het geen kwestie van durven, maar van niet meer durven laten.

Misschien werpt u tegen dat Ruth Boaz leerde kennen door de ontmoeting met hem en dat u het zo moeilijk vindt om te zeggen dat u Christus echt ‘kent’. Veel mensen hebben daar een verkeerde voorstelling van. Ze denken aan heel bijzondere openbaringen, waardoor ze Christus moeten leren kennen. Besef echter dat Christus Zich aan ons openbaart door Zijn Woord. Daarin mogen we Hem ontmoeten. Daarin openbaart Hij Zichzelf aan ons. Is het uw verlangen ook om Hem te mogen kennen door het geloof? Lees uw Bijbel, want daarin komt Hij naar ons toe. Daarin zegt Hij, net als tijdens Zijn omwandeling op aarde tegen de Joden: “Ik ben het brood dat leven geeft. Mijn Vader geeft u dat ware brood uit de hemel” (Joh. 6:35). Het gaat er maar om dat je oog voor Hem krijgt.

Het is eigenlijk zo eenvoudig. Als u in het Woord leest en daarin de gestalte van de Heere Jezus tegenkomt, wil de Heilige Geest daarin meekomen en de verbinding leggen tussen u en Hem. En als u zo Zijn verschijning lief krijgt, dan is dat Zijn openbaring aan u. Dan ziet u Zijn bereidwilligheid en zondaarsliefde. U verlangt naar Hem en strekt de armen naar Hem uit. Uw ogen gaan open voor Zijn schoonheid en uw hart trilt van verwondering. Ja, uw verlangen wordt vervuld, uw honger gestild en uw dorst verzadigd. U wordt in de ruimte gezet.

Zo eenvoudig komt een zondaar tot Jezus. Een puriteinse oudvader schreef eens: ‘Daar is niets meer in het komen tot Jezus, dan alleen maar te geloven dat het waar is, wat God zegt over Zijn Zoon. Veel mensen houden zichzelf in de duisternis door meer te verwachten dan dit.’ Laat toch niets u weerhouden om u over te geven aan Hem, Die ons in Zijn Woord zo vriendelijk nodigt.

Ruth geeft zich over aan de liefde van Boaz. Ze waagt het op genade. Ze laat zich niet tegen houden door eventuele veel betekenende blikken van mensen: kijk die Ruth eens, zo vlak bij Boaz; je moet maar durven hè? Ze laat zich ook niet hinderen door haar eigen binnenpraters: wat denk jij wel? Nee, ze geeft zich over aan Boaz op zijn eigen woord.

Wat is toch het geheim van het aannemen van Christus? Twee lege bezoedelde handen en een verlangend hart. Als je ziet dat de rijkdom van Christus meer waard is dan je eigen godsdienst. De Geest verbreekt harde harten, Hij opent blinde ogen en stort de liefde van God uit in de hart. Je gaat zien dat je alleen nog maar gered kunt worden uit genade alleen. Als je heerlijkheid in Christus ziet en in dat licht je eigen armoede en schuld, dan worden je handen opengetrokken om Jezus te ontvangen. Zijn aantrekkingskracht wordt onweerstaanbaar. U kon Hem niet aannemen, maar de Heere schonk het door Zijn Geest. Toen werd u verslonden door de reddende liefde van de Zaligmaker en de overredende kracht van de Geest. Het juichte in uw ziel: Dank U Heere, nu geloof ik dat U ook voor mij kwam en stierf aan het kruis voor mijn zonden. De eeuwige liefde van God vervulde uw hart en de vrede door het bloed van het kruis gaf u het diepe gevoel van de gemeenschap met God.

Geloofsovergave! Dan geef je jezelf onvoorwaardelijk over aan Hem. Waarom? Omdat je gelooft dat Hij genade bewijst. Genade aan schuldigen. Uit Boaz’ hand kreeg Ruth het geroosterde koren. Ze kreeg in overvloed, tot verzadiging. Wat een heerlijke overvloed. U doet Hem niet tekort door te eten en te drinken. Jezus is genoeg!

 

Ds. C. G. Vreugdenhil

De bedelstand van het geloof

“Als zij nu opstond, om te lezen, zo gebood Boaz zijn jongens, zeggende: Laat haar ook tussen de garven oplezen, en beschaamt haar niet.” (Ruth 2:15)

Wat is Boaz goed geweest voor Ruth. Zomaar onverdiend had ze daar gezeten tussen de maaiers aan de maaltijd. Ze was verwonderd en verbaasd. Ze mocht niet alleen de aren oprapen als het armenwerk, maar ze mocht ook eten en drinken uit de hand van Boaz. Naast de bedelstand kent het geloof ook de adelstand.
Zo mogen we naast het gewone aren rapen op de velden van het Evangelie ook genieten aan de maaltijd van Jezus’ lijden en sterven. Zo nauw is deze gekruiste Koning met Zijn kinderen verbonden, dat Hij met ze aan één tafel wil zitten. Zo, dat Hij ze ‘Zijn geliefde kinderen en erfgenamen’ noemt. Dat is de adelstand!
Zo’n oosterse maaltijd was een teken van onderlinge gemeenschap. Ruth heeft iets van die onderlinge verbondenheid mogen ervaren. Ze is nu in de kring opgenomen. En ze had daar best nog een poosje tussen die maaiers willen blijven zitten, dichtbij Boaz, in wie ze de goedheid van de God van Israël mocht proeven. Maar ze moet weer verder. Gelukkig mag ze op de akker van Boaz blijven, onder zijn vertroostend woord.
“Als zij nu opstond om op te lezen…” Daar was ze toch voor gekomen. Voor dat bukkende, vermoeiende werk in de hete zon met haar handen tussen die harde stoppels. Net heeft Boaz zich tot haar overgebogen of Ruth buigt zich alweer over Boaz’ akker. Bukkend en bedelend. Alle dingen hebben hun bestemde tijd. Ruth gaat weer aren lezen voor het onderhoud van haarzelf en haar schoonmoeder. Het aflezen van de genade in Boaz’ ogen aan zijn tafel voert haar tot het oplezen van de aren op zijn akker. Het is dus niet zo als je genade ontvangt, dat je dan nooit meer hoeft te bukken. Nee, dat bukkende bedelende werk vanwege onze armoede blijft voortdurend nodig. Van dat koren van Boaz krijg je nooit genoeg. Ruth staat op… om weer te bukken! Dat is de bedelstand van het geloof.
En wat zorgt Boaz toch goed voor Ruth. Ze heeft een speciale toestemming om tussen de garven op te lezen. Niemand mag haar wegjagen. Ze krijgt meer dan waar ze recht op heeft, want volgens de wet mocht ze niet zo vlakbij de schovenbindsters oplezen. Boaz instrueert zijn knechten dat ze geen lelijke opmerkingen tegen Ruth mogen maken: beschaamt haar niet, doe haar geen moeite aan en stel haar niet teleur. Zo zorgt Boaz niet alleen ervoor dat ze straks met een grote buit naar huis gaat, maar – heel fijngevoelig – is hij ook bezorgd voor haar innerlijk geestelijk leven. Juist schuchtere mensen kunnen zo snel beschadigd worden in hun gevoelens. Boaz heeft daar oog voor en Hij waakt daarover.
De knechten van Boaz moeten Ruth met liefde behandelen en zelfs hier en daar wat extra korenaren laten vallen zodat ze die kan oplezen. Zo kan Ruth van de meevallers leven. Boaz heeft een diepe genegenheid voor Ruth. Hij doet niets liever dan geven.
Zo is het ook met de ‘meerdere Boaz’. Sla Zijn vrijgevigheid toch niet af. Hij is gewillig om u zalig te maken. Hoe berooid en nooddruftig je ook verkeert op de akker van Zijn Evangelie. Buk maar en raap maar en eigen het u toe, want de Schrift zegt op verschillende plaatsen: wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. Zijn hele hart staat voor u open. Als u niet opraapt wat Hij schenkt, beledigt u Hem. Onderzoek dan uzelf eens of u wel honger hebt. Gods hart klopt van gevende liefde. Hij strooit met gulle hand. Wie dat laat liggen wordt eeuwig beschaamd. Maar wie met zijn hongerige ziel alles opraapt, wordt niet beschaamd. Oprapen en opeten (je toe-eigenen) wat de Heere schenkt, dat is geloof! En Hij beschaamt niet, die op Hem hopen.

Ds. C. G. Vreugdenhil

Een kamerheer die God zoekt

‘En ziet. Een Moorman, een kamerling, en een machtig heer van Candece, de koningin der Moren, die over al haar schat was, welke was gekomen om te aanbidden te Jeruzalem.’ (Hand. 8:27)

 

Filippus de Evangelist werkt in Samaria. Hij was uit Jeruzalem komen vluchten in verband met de vervolging van de christenen. In Samaria preekte Hij over de Heere Jezus Christus, de Messias, Die in de wereld gekomen is om verloren mensen te redden van de ondergang.

Hij diende daar de christelijke gemeente, veel zieken werden door een wonder genezen en er was grote blijdschap in die stad. Voor zijn eigen besef was Filippus daar nog lang niet klaar met zijn werk. Maar… plotseling had de Heere een ander werkterrein voor hem.

Een engel van de Heere riep Filippus om zijn gemeente te verlaten en naar een eenzame en woeste weg te gaan. Er waren verschillende wegen naar Gaza. Er was ook een weg door meer bewoonde streken, maar Filippus moet die woeste eenzame woestijnweg nemen. Wat moest hij in dat woeste gebied zoeken? ‘Heere, in Samaria kan ik toch veel beter werk doen?’ Zulke vragen kunnen bij Filippus opgekomen zijn.

De naam Gaza roept bij ons associaties op met raketten, die richting Israël worden afgevuurd, soldaten die gegijzeld worden, wapensmokkel en geheime tunnels. De spanning is er te snijden.

Filippus is gehoorzaam: ‘En hij stond op en ging heen’. Zonder bezwaren of tegenwerpingen. Die had hij redelijkerwijs best kunnen hebben. Hij wist niet eens of daar wel iemand op zijn komst wachtte. In Samaria moet hij zijn gemeente achterlaten. Filippus gehoorzaamt. De weg van God is altijd de beste weg.

Misschien zijn er ook in uw leven wel eens van die dingen, waarbij u zich afvraagt of ze wel enige zin hebben. De Heere leidt soms ons leven langs wegen die echt eenzaam en woest zijn. Dikwijls begrijp je Gods bedoeling niet direct, maar laat er geen twijfel over bestaan dat God het beste met ons en met Zijn kerk voor heeft.

Dan zijn er veel vragen en geen engel, die tot ons zegt dat dit echt de weg van de Heere is. Je krijgt geen briefje uit de hemel, waarop staat waarom het allemaal zo gaat in je leven. En toch… toch wel een brief uit hemel: de Bijbel. De brief van God aan ons. En hoe kom je er achter wat Gods wil is? Door biddend de Bijbel te lezen en te onderzoeken. God maakt Zijn wil bekend in Zijn Woord.

We zijn zo geneigd om te vragen: ‘Heere als U het nu zo en zo voor ons regelt, dan zullen we zo dankbaar zijn.’ Wat God met u voor heeft kan veel wijzer zijn! Beproeving kan je veel dichter bij de Heere brengen dan voorspoed. Wij moeten God niet proberen te manipuleren. Dat is vergeefse moeite. De Heere is soeverein en volmaakt goed. Geef de touwtjes van uw leven maar helemaal in Zijn handen.

Filippus gehoorzaamt! En dan wordt duidelijk dat de Heere wel weet wat Hij doet. Niets is toevallig voor ieder die in God gelooft. Alles wordt geleid. We lezen in vers 27: ‘En ziet, een Moorman, een kamerling, en een machtig heer van Candacé, de koningin der Moren, die over al haar schat was, welke was gekomen om te aanbidden te Jeruzalem.’ Voor één mens laat God Zijn knecht Filippus helemaal uit Samaria komen.

Om hem te onderwijzen en te leiden tot Jezus. Waarom doet God dat? Dat is Zijn zaak. Hij is de Heere! En ziet een Moorman! De minister van Financiën in de regering van de koningin van Ethiopië. Die koningin- moeder als regentes droeg de ambtstitel Candacé net als de Egyptyische vorsten Farao heetten. Duidelijk wordt hier dat Filippus – de Griek – als eerste het Evangelie verkondigt aan niet-Joden.

Verklaringen geven aan dat het gaat om het land van de Boven-Nijl tot in Sudan, het land tussen Assuan en Karthum. Dat is het gebied waar nu zoveel ellende is door honger, aids, oorlogsdreiging, christenvervolging en mensen die op de vlucht slaan voor honger en geweld.

Filippus hoort de naderende voetstappen van paarden en het geluid van een rollende wagen. Dat is dus de man, voor wie de Heere hem uit Samaria heeft weggeroe­pen naar deze eenzame weg. Een voornaam persoon met een donkere huidskleur op een vreemde buitenlandse wagen. Vanwege zijn hoge positie aan het hof van de koningin was hij ‘ontmand’.

Dat betekent onvruchtbaar gemaakt door het wegnemen van zijn mannelijkheid, hij was een gesnedene. Dat betekent het woordje ‘kamerling’. Hij moest geen gevaar kunnen betekenen voor de koningin en haar hofhouding. Hij mocht ook geen eigen dynastie kunnen oprichten.

Het is uit de geschiedenis duidelijk dat deze Moorman diep teleurge­steld is. We lezen in de verzen 27 en 28: Hij was gekomen om aan te bidden te Jeruzalem; en hij keerde wederom, en zat op zijn wagen, en las de profeet Jesaja. Hij was helemaal uit zijn verre vaderland gekomen om in Jeruzalem de God van Israël te zoeken en te aanbidden. Blijkbaar had hij in zijn vaderland gehoord over de God van Abraham, Izak en Jacob.

In Ethiopië waren in die tijd verschillende Joodse handelskolonies. En het Woord van God – het Oude Testament – heeft zijn hart geraakt. Die God wilde hij beter leren kennen. Zijn heidense godsdienst gaf hem geen bevredi­ging meer. Hij was niet echt gelukkig. Hij had het er voorover om helemaal naar Jeruzalem te reizen om de Heere God daar te aanbidden. Dat is nogal wat! Verlof vragen, het kost veel tijd, veel geld en veel moeite. Maar hij heeft het ervoor over.

Wat hij gehoord had over de God van Israël, over de heilige stad Jeruzalem en de schitterende tempel, heeft in zijn hart het verlangen gewekt om daar in Jeruzalem te aanbidden. Wie weet vindt hij daar wat hij zoekt: vrede voor zijn hart. Het is echt geestelijke nood die hem drijft naar Jeruzalem. Hij was zoekend!

Hij verlangde naar God, om Hem te kennen, te vinden. Het kostte hem de spot van zijn collega’s, hij zette zijn hoge betrekking op het spel. Man, blijf toch gewoon thuis. Nee, hij gaat! Een innerlijke drang beweegt hem, een onzienlijke kracht drijft hem, ja, de liefde van God trekt hem.

Herkent u dit in uw eigen leven? Bent u een zoekend mens? U mist de Heere en u zou Hem zo graag leren kennen. U hebt de Bijbel, maar soms vindt u die zo moeilijk. U hebt er uitleg bij nodig. U hebt een Filippus nodig, gesprekken over God en het geloof.

De kamerheer ging helemaal naar Jeruzalem en heeft gedacht dat hij daar God zou vinden. Hij vond daar wel veel Joden, maar die belemmerden hem eerder dan dat ze hem opwekten om God te aanbidden. Daar in Jeruzalem is het voor hem op een grote teleur­stelling uitgelopen!

Omdat hij een ‘gesnedene’ was, mocht hij niet eens in de voorhof van de tempel komen. Van een afstand moest hij blijven staan. Hij heeft niet gevonden wat hij zocht. Onverrichterzake keert hij terug naar huis. Geen enkele godservaring heeft hij opgedaan. Hij is teleurgesteld.

Maar wie God zoekt, die vindt Hem. God laat die Moorman niet zomaar naar huis terugkeren. Wat is het geval? God gebruikt altijd Zijn Woord, de Bijbel. Voor een groot bedrag heeft de Moorman in Jeruza­lem een rol gekocht van de profeet Jesaja. En onderweg terug begint hij in deze Griekse vertaling van Jesaja te lezen.

Als man van politiek aanzien beheerste hij zeker het Grieks. Zo’n handgeschreven rol was uiterst kostbaar en meestal te duur voor particulier bezit. Voor de kamerheer was het geld geen probleem.

Om niet afgeleid te worden en zich goed te kunnen concentreren heeft hij juist die eenzame weg gekozen. Heilbegerig glijden zijn vingers langs de regels. Naar de gewoonte van die tijd leest hij hardop. En Hij zou al lang gestopt zijn, als het niet de volle aandacht van zijn hart had.

Hij zoekt naar God en hij vindt Jezus als de weg tot God. Straks reist hij in vrede naar Ethiopië. Lezer, lezeres, wie zoekt, zal vinden en wie klopt wordt open gedaan. Wat is de Bijbel rijk. Wat is God goed en ieder die zich aan Hem toevertrouwt diep gelukkig.

Ds. C.G. Vreugdenhil

Een Pinkstergemeente die God prijst

‘En prezen God, en hadden genade bij het ganse volk. En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden’ (Handelingen 2:47).

 

Wat is de eerste christengemeente in Jeruzalem een gezegende gemeente. In Handelingen 2 vers 42 staat dat de eerste christenen ‘volhardende waren in de gebeden’. En… bidden is ook lofprijzen, dat zien we hier. Als wij onze zorgen en behoeften aan de Heere voorleggen, wordt Hij daar ook in verheerlijkt. Als we de Heere nodig hebben is dat tot Zijn eer. Alle aanroeping van Gods Naam is tot verheerlijking van God. Maar ‘prijzen’ is toch nog meer dan bidden. Als we God aanbidden, hebben we niets meer nodig, dan zijn we helemaal gericht op de verheerlijking van Zijn Naam.

Hier blijkt in het laatste vers van Handelingen 2 duidelijk dat die gemeenschap van materiële en geestelijke goederen zijn wortel heeft in de gemeenschap met God, want bidden en aanbidden en lofprijzen behoort tot de gemeenschap met God. God prijzen kan eigenlijk het best vanuit de zekerheid van het geloof en de dankbaarheid over de verlossing. Zonder geloof gaat dat niet en met heel klein geloof durven we haast niet te bidden, maar de Pinkstergeest leert ons bidden en aanbidden.

Dat is het doel van ons leven: Gods lof verkondigen. Dat is het doel van de verlossing: Hem danken. Ja, maar de praktijk is vaak zo anders. Je kunt toch niet altijd lopen zingen? Er zijn toch ook tijden van wenen en zuchten? ‘’k Heb met tranen onder ’t klagen tot mijn spijze dag en nacht’ (Psalm 42:2 berijmd). Dat is waar, maar hebt u er vrede mee als u nooit eens zingt? Is dat tot eer van God? Wie dicht bij de Heere leeft en onder indruk is van Gods grootheid en heerlijkheid, Zijn genade en lankmoedigheid, die valt in aanbidding voor Hem neer. Ze prezen God: ‘Dit volk heb Ik Mij geformeerd, ze zullen Mijn lof vertellen’ (Jesaja 43:21). Dank u Heere, voor Uw liefde, voor Uw kruis, voor Uw bloed, voor Uw leiding! ‘Ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE mijn sterkte!’ (Psalm 18:2).

Mensen die zo dicht bij de Heere leven, dwingen ook respect af in hun omgeving. Van de eerste christengemeente lezen we: Ze ‘hadden genade bij het ganse volk’, ze stonden in de gunst bij het hele volk. Hoe komt dat? Doordat de Geest hen vervult. Als eenvoudige mensen spreken ze vrijmoedig over de Naam van de Heere Jezus. Er gebeuren wonderen en tekenen door de apostelen. Hun leven is voorbeeldig. Er kwam een vreze over allen. Hun handel en wandel, hun leer en leven legt beslag op die mensen. Ze komen er diep van onder de indruk. Er gaat iets vanuit.

Zo kan de opbouw van de jonge gemeente in Jeruzalem in alle rust en vrede geschieden, niet gehinderd door de aanvallen van buitenaf. Dat is een gunstbewijs van God, een uitzonderingstoestand. De verdrukking en haat komen nog wel. Straks wordt Jakobus onthoofd, Stefanus wordt gestenigd, de apostelen worden gevangen genomen. Saulus vervolgt de christenen. Maar nu in Handelingen 2 wordt de kerk in Jeruzalem niet alleen geduld, er wordt zelfs naar gekeken. Er valt niet mee te spotten. Zoveel ging er uit van het leven van deze eerste christenen. Hun leven was een en al lofprijzing van God.

In onze tijd is de kerk een verdwijnende minderheid. In grote delen van de kerk is het Woord prijs gegeven. Het Woord heeft de zeggenschap in het volksleven verloren. Toch mogen wij nog ongestoord onze diensten houden. Onze diensten worden niet verstoord zoals in China en Korea. Wij worden nog geduld. Laat Handelingen 2 voor ons een les zijn. Er moet werfkracht uitgaan van de kerk, we moeten leesbare brieven van Christus zijn. We moeten mensen niet afstoten door ons gedrag, maar vriendelijk zijn en uitnodigend. We moeten een goede reuk van Christus zijn (2 Korinthe 2:15). Laat de wereld maar zien dat wij niet leven voor het hier en nu, maar dat we leven voor God. Of leeft u nog niet voor Hem?

En dan het laatste: een wervende gemeente is altijd een uitbreidende gemeente. Als we levende brieven van Christus zijn, worden anderen erbij getrokken. Niet dat wij dat zelf doen, de Heere doet dat, maar wel middellijk. Er staat: ‘De HEERE deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden.’ Niet de apostelen deden dat, al hebben die met kracht het Evangelie verkondigd, ook niet de christenen, al waren die een voorbeeld in leer en leven. De Heere voegde toe, Hij zette erbij. Dat is nodig. Niet dat mensen je erbij zetten, maar de Heere.

Lezer(es) wat een wonder, dat de Heere het doet. Van zichzelf is er niemand die komen wil. Al wordt de verschrikking van de hel en de heerlijkheid van de hemel gepreekt. Al wordt Christus nog zo indringend aangeboden. Niemand wil Hem hebben. En wat doet God nu? Hij nodigt, Hij roept, Hij trekt, Hij overwint alle weerstand. Alle tegenstand en vijandschap krijgt Hij klein. Weet u hoe? Op Pinksteren door het ontdekkende woord van Petrus: ‘Deze Jezus, Die gij gekruisigd hebt’ (Handelingen 2:36) Voor de stokbewaarder was een aardbeving nodig, voor Lydia het woord van Paulus. Maar God doet het. Hij leert luisteren, Hij breekt harten open, Hij wekt honger en belangstelling. Wonderlijk trekt Hij uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. De Heere, dat is de verhoogde Christus. de Gebieder, de Machthebber. Hij heeft alle macht in hemel en aarde (Mattheüs 28:18).

Lezer(es), toen u tot het geloof kwam, was dat alleen door de trekkende liefde van God. U, die God nog niet kent, God werkt aan uw zaligheid. Waarom leest u anders in de Bijbel? De Heere wil ook u toevoegen. De zichtbare gemeente valt onder het kerkvergaderend werk van Christus. Laat u toevoegen. Wees gehoorzaam. Wie nu niet buigt, wordt straks weggedaan. Rust niet voor u weten mag: Ik ben een levend lidmaat van de gemeente van Christus.

De Heere deed dagelijks toe tot de gemeente. Letterlijk staat er voor gemeente: de geroepenen, de uitgeroepenen. Geroepen uit de wereld, uit de duisternis. Geroepen door de stem van het Woord van God, krachtig en onweerstaanbaar. Als iemand uw naam roept, kijkt u om en u luistert. Hoe vaak hebben we God al horen roepen en hielden we ons als doof. Of kent u die tijd, dat u wel moest luisteren? U kon geen weerstand meer bieden. Dan gaan we geen discussie opzetten over de roeping, maar we gaan luisteren en we zeggen: Spreek Heere, want Uw knecht hoort (1 Samuel 3:10). We gaan terugroepen: Heere help me, Gij Zoon van David, ontferm U over mij.

De Heere deed dagelijks toe. Wat een rijke tijd was dat. Dagelijks werden mensen wedergeboren. Zou God dat nog kunnen? Wat denkt u? God is toch Dezelfde! De Heere werkt wel middellijk: er waren ook dagelijks samenkomsten, dagelijks was er Woordbediening. Wat een krachtige werking van de Geest. Maar u weet: de Geest kan worden tegengestaan door luiheid, zonden, hoogmoed, zelfgenoegzaamheid, wereldgelijkvormigheid, oppervlakkigheid, enzovoort.

Er staat letterlijk in vers 47: ‘tot de gemeente van de zalig wordenden’. Je bent er niet direct, we zijn nog op weg. Er moet hier nog zoveel gebeuren. We zijn zo blind en dwaas in onszelf. We hebben zoveel onderwijs nodig. We moeten sterven aan alles wat geen Jezus is. Hoort u al bij die zalig wordenden? U kunt er nog bij. Wat een wonder dat God het getal nog steeds uitbreidt. Straks is het getal vol. Dan komt de Heere Jezus terug. Dan wordt het een eeuwig lofzingende gemeente. Dan mogen we ons verliezen in de aanbidding van het Lam: Halleluja, Lof zij het Lam.

 

Ds. C. G. Vreugdenhil

Want Hij moet als Koning heersen

Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij alle machten aan Zijn voeten heeft onderworpen.

(1 Kor. 15:25)

 

In 1 Korinthe 15 bejubelt Paulus de overwinning op de machten en op de dood. Daar is Hij dus nog steeds mee bezig. De eindoverwinning van Christus is pas bij de wederkomst, maar de definitieve beslissing is gevallen op Paasmorgen.

Toen is de steen van het graf gewenteld en Jezus als de Levende kwam tevoorschijn. Sinds die tijd is Hij koning. Met hemelvaart besteeg Hij Zijn troon en daarna gaat het aan op de eindoverwinning. Paul ziet Gods grote Bevrijdingsdag naderen door het venster van het geloof en de hoop.

Wat een troost voor allen, die met Paulus een blik mogen werpen door het venster van de toekomst. Die hoop op de onverwelkelijke en onverderfelijke erfenis kan ons leed verzachten. We geloven niet wat we zien, maar wat we hopen. Een ongeziene hoop, maar wel een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Het Hoofd is boven en de leden zullen zeker volgen. Ja, ze gaan met vreugde de eindoverwinning tegemoet.

Want Hij moet als Koning heersen… Even een streepje onder het woordje ‘moeten’. Hij moet als koning heersen. Het moet! Dat staat er heel opvallend. Heel vaak lezen we dat in Bijbel. Vooral bij Lukas. De Zoon des Mensen moet veel lijden, Hij moet gekruisigd worden, Hij moet opstaan. De Emmaüsgangers zeggen: Moest de Christus niet al deze dingen lijden en alzo tot Zijn heerlijkheid ingaan?

Het moet! Dat is een Goddelijk moeten. Christus moet koning zijn ‘totdat’! Het moet. Niet als dwang of noodlot, maar als goddelijk welbehagen! Het moet volgens de belofte van de Vader, Die Hem als loon is toegezegd op Zijn middelaarsarbeid. Al de ontferming en bewogenheid van Gods hart klinkt in dit moeten mee. Zo moet het gaan, wil het goed komen met de schepping en tussen de heilige God en schuldige zondaren.

Hier ligt het antwoord op de vraag: Waarom zo en niet anders? Waarom geeft God die bevrijding van de mens en de schepping niet direct met Pasen of met Hemelvaart? Dat had toch gekund? Ja, maar dat heeft Hij niet gewild! Waarom duurt het zolang voordat het verborgen Koningschap van Christus pas openlijk aan het licht treedt? Waarom moet er zoveel tijd liggen tussen opstanding en wederkomst? Zoveel lijden en strijd, zoveel worstelen en wachten? Waarom kómt Hij nog niet? Het duurt zo lang!

Daar is maar één antwoord op: opdat u nog zou delen in die komende heerlijkheid. Stel dat Hij direct met Pasen de heerlijkheid had laten komen. De tussentijd tussen de opstanding van Christus als Eersteling op Pasen en die van de Zijnen op jongste dag is genadetijd! God zoekt ons behoud nog. Petrus schrijft: ‘De Heere is nog lankmoedig over ons, niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.’

Christus heeft de teugels van het wereldgebeuren in Zijn handen. Dat zijn doorboorde handen. Hij regeert en heerst niet door de macht van het geweld, maar door de overmacht van Zijn genade. Hij wacht met de eindafrekening opdat vijanden nog zijn vrienden zullen worden, opdat tegenstanders zullen capituleren en zich aan Hem overgeven. We kunnen beter nu in schuldverslagenheid aan Jezus voeten terecht komen, dan in brute vijandschap straks onder Zijn voeten terecht komen.

Want Hij moet als koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben. Laten we hier een streepje geven onder het woord vijanden! De door Paulus verkondigde werkelijkheid van Christus’ koningschap staat haaks op de zichtbare werkelijkheid van de vijanden en machten. Zijn Koningschap wordt van alle kanten aangevallen en bespot, belaagd en ontkend. Wat we horen is schimp en laster.

De duivel die onze ondergang op het oog heeft, heeft zoveel trawanten ter beschikking. En dan denken we aan misdaad en terreur, de uitmergeling van Gods schepping, New Age met zijn vriendelijke gezicht en demonisch raffinement, de geestelijke boosheden in de lucht. Denk aan de ether, aan allerlei radio- en TV programma’s waardoor dodelijk gif onze huizen en harten binnen komt. Niet in het minst ook door wat er allemaal te zien is op YouTube.

Wat een vijanden! Toch moeten we die vijanden niet te ver van huis zoeken. Zijn we zelf in onze onwil, ongeloof en egoïsme niet allemaal van nature vijanden van God en van Christus? Wat een weerstand, wat een goddeloze overmoed, onbuigzaamheid en verzet moet de vorst van Pasen in ons leven overwinnen, als Hij ons door de kracht van Woord en Geest onder Zijn genade-scepter wil brengen. Dan komt het wel openbaar dat we zelf liever koning willen blijven.

En toch… als Christus met de overmacht van Zijn genade ons leven binnenbreekt, gaan we voor Hem buigen. Als deze grote Koning voorspoedig rijdt op het Woord van Zijn waarheid en Zijn pijlen afschiet in de harten van ‘s konings vijanden, komen ze ten dode gewond aan Zijn voeten terecht.

Dan komen we op de knieën en smeken we Hem om de vrede. Ons harde hart breekt, ons trotse hoofd buigt. ‘Ik erken mijn schuld die U tot straf bewoog’. Dan komt er overgave. Kent u die overgave? Omdat Hij zo beminnelijk is. Hij gaf Zijn leven. Wat een hart-verbrekende liefde.

Bent u van vijand al een vriend geworden? Hebt u deze Kruiskoning leren liefhebben en volgen? Dan is Hij koning in uw leven. Niet alleen op zondag, ook op maandag en dinsdag. Op school, thuis, in je gezin, op je werk, in je vrije tijd en bij alle beslissingen die je neemt.

Voor Jezus capituleren betekent geen verlies maar winst. Eeuwige winst. Zulke verliezers worden meer dan overwinnaars, door Hem, Die hen liefgehad heeft. Dan mag je leven uit Zijn volbrachte werk.

Uit Zijn vergeving en vernieuwing. Onder Zijn kruisbanier. Je mag leven op Zijn kosten en staan onder Zijn bescherming. Je mag weten dat niets Hem uit hand loopt in deze verwarde en verworden wereld. En in je eigen gedeukte en gekneusde leven. Dan voeren de machten om ons heen misschien wel het hoogste woord, maar Hij heeft het laatste woord.

Is dat niet rijk? Waarom zou u niet in Hem geloven? Ik durf die Koning niet onder ogen te komen, zegt u misschien. Ik voel me zo schuldig, zo verloren! Hebt u daar dan geen spijt van? Hebt u nooit gehoord dat Hij werd overgeleverd om onze zonden? Naar de Schriften! Bij God is vergeving in Christus! Leg u eens neer aan Zijn voeten en smeek om de vrede. Waar staat in de Bijbel dat u niet in Hem mag geloven? Hij zoekt het verlorene.

Er komt een tijd dat Zijn vredesaanbod niet meer van kracht is. Zijn vertrapte, geweigerde en afgewezen liefde zal in de dag van Zijn toekomst omslaan in toorn. De Rechter van straks is nog de Redder van nu. Daarom heeft Christus direct na Zijn opstanding nog geen orde op zaken gesteld en alle vijanden vernietigd. De tijd tussen opstanding en wederkomst is genadetijd! Zolang heerst Hij als Koning, totdat Hij Zijn vijanden overwonnen heeft. Maar dan is het te laat om te buigen.

Op de oordeelsdag, zal alle knie zich voor Hem buigen. Alle tong zal Zijn Naam belijden. Dan zal Hij worden verheerlijkt, door vriend en vijand. Dan mogen al Gods kinderen Hem volmaakt verheerlijken. Dan zullen allen die Hem in dit leven lief kregen, roepen: ‘Leve de Koning’. Zult u daar aan meedoen? Wat zal dat heerlijk zijn! Ja, zo moet de koning eeuwig leven, bidt elk met diep ontzag.

 

Ds. C. G. Vreugdenhil

Houd de opgestane Christus in gedachten

‘Houd in gedachtenis dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, Welke is uit het zaad van David, naar mijn Evangelie’. (Tim. 2 vers 8)

 

Paulus schrijft aan zijn geestelijke zoon Timotheüs. Het Woord van onze tekst komt uit de pen van een ter dood veroordeelde. En dat wist hij. Het is geen wanhoopskreet, maar een woord vol moed en geloof. Woorden uit de laatste brief die Paulus in zijn leven geschreven heeft voor hij de marteldood stierf; vanuit de gevangenis in Rome. Hij heeft wel meer vastgezeten omwille van het Evangelie. Hij kende, om zo te zeggen, de klappen van de zweep. Letterlijk en figuurlijk. Maar nu zal het met een aantal zweepslagen niet aflopen. Paulus weet dat dit het begin is van het einde, namelijk zijn terechtstelling, zijn dood. Op een andere plaats zegt hij: ‘Ik zal als een drankoffer geofferd worden’. Dat betekent: ze zullen hem letterlijk een kopje kleiner maken. Zijn bloed zal vloeien als een drankoffer. Hij zal onthoofd worden. Als een drankoffer geofferd worden. Dan zegt Paulus niet: ‘Arme ik’, maar hij zegt in vers 9: ‘Het evangelie om het welk ik verdrukkingen lijd, tot de banden toe als een kwaaddoener. Maar het Woord Gods is niet gebonden’. Hij juicht. Hij zegt niet: ‘Mensen, heb allemaal eens even medelijden met mij’ maar hij zegt: ‘Mensen, ik zit wel gevangen en mijn hoofd gaat er af, maar het woord van God gaat door. Want de Koning leeft. Het woord Gods is niet gebonden’. Een ironische uitdrukking. Hij in de gevangenis. Zijn handen zijn gebonden. Zijn mond is gesnoerd. Maar het Woord van God is niet gebonden. Dat is vrij en dat maakt mensen vrij.

Het zou begrijpelijk geweest zijn als we van Paulus in deze situatie niets meer gehoord hadden. Je zou zeggen: ‘Dat is heel menselijk als je toch je doodvonnis te horen hebt gekregen’. Als de dokter tegen je zegt: ‘Meneer, mevrouw, ik kan echt niets meer voor u doen, u bent ongeneeslijk ziek.’ Dan stort misschien uw hele wereld in elkaar. U bent nergens meer. Velen sluiten zich af. Er is geen contact meer met hen mogelijk. Of mensen vinden in die omstandigheden nog maar één persoon belangrijk en dat zijn ze zelf. Alle tijd en aandacht eisen ze op voor zichzelf. Alles draait om hen. Begrijpelijk, maar niet christelijk. Paulus zegt: ‘Noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden. Niets en niemand, wat er ook gebeurt, zal me kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus’. Dat is even rijk. Paulus dient een levende Koning en Die leeft in hem. Hij sluit zich niet af voor anderen. Hij trekt niet alle aandacht naar zichzelf toe. Hij heeft juist in deze omstandigheden belangstelling voor anderen, voor mensen om hem heen.

Voor de voortgang van het koninkrijk van God, voor de vreesachtige Timotheüs die zegt: ‘Hoe moet ik nu verder in die moeilijke gemeente van Efeze?’ Nee, niet dat Paulus de dood verdringt. Dat moet je nooit doen, dan steek je je kop in het zand. Maar hij is klaar met de dood. Paulus weet dat hij het eigendom van Christus is. Wat is dat rijk. En juist in de gevangenis als hij niet meer preken kan, schrijft hij zijn brieven. Dan gaat hij niet zitten treuren, maar dan pakt hij zijn pen en schrijft hij aan Filippi en aan Kolosse en aan Efeze en aan Timotheüs. Als hij met zijn mond niet verder kan, doet hij het met zijn pen. Want het Evangelie moet verder. Het woord van God is niet gebonden.

De jonge Timotheüs werkt op dat moment in Efeze. De wereldstad Efeze waar verschillende culturen en godsdiensten elkaar ontmoeten. Efeze dat bekend is om de mysterie-godsdiensten en de tempel van Diana, de godin van de Efeziërs. Net zoiets als Amsterdam. Ontucht en goddeloosheid. Die mysterie-godsdiensten zijn te vergelijken met de New-Age-godsdienst. In die stad tierde het onkruid van de ontucht en allerlei zonden. En in die omgeving moest Timotheüs de gemeente van Christus dienen. Allerlei kwade invloeden kwamen op de gemeente af. De satan probeert de gemeente weg te trekken van het vaste fundament. En daarom schrijft Paulus vermanend en bemoedigend. Hij geeft allerlei concrete, praktische raadgevingen: ‘Timotheüs, je moet niet zo vreesachtig zijn. Je moet je niet schamen voor het Evangelie’.

In hoofdstuk 1 vers 7 en 8 staat die vermaning: ‘Want God heeft ons niet gegeven een geest der vreesachtigheid maar der kracht en der liefde en der gematigdheid. Schaam u dan niet der getuigenis van onze Heere noch mijns die Zijn gevangene bent maar lijd verdrukkingen met het Evangelie naar de kracht van God’. Hij moet zich niet schamen voor het Evangelie, niet zo vreesachtig zijn. Paulus zegt: ‘Je moet betrouwbare mensen aanstellen, die de gemeente samen met jou kunnen leiden en dienen en onderwijzen’. In het vervolg lezen we heel concreet wat er tegen opkomt in de gemeente. Woordenstrijd, goddeloosheid en de dwaalleer van Hymeneüs en Filétus, die zeiden dat de opstanding der doden al geschied was in geestelijke zin. Twistvragen in de gemeente, strikken van de duivel. Ja, Paulus weet waarover hij praat en schrijft, want hij kent die gemeente van Efeze heel goed. Met veel zegen heeft hij daar zelf het werk mogen doen. Paulus kent ook Timotheüs heel goed. Hij had veel met hem op. Dat kun je aan alles merken. Er is een soort vader-zoon verhouding ontstaan. Hij noemt hem in zijn brieven ook steeds mijn zoon. Timotheüs is de geestelijke zoon van Paulus. En ik denk dat Paulus meer afwist van deze zoon in het geloof dan menig vader vandaag de dag van zijn bloedeigen kind. Op lange zendingstochten waren ze samen opgetrokken. Onderweg hadden ze alle tijd om met elkaar te praten. Ze gingen te voet. Ze hebben de harten voor elkaar geopend. Ze wisten wat er leefde in het hart van de ander, namelijk de liefde tot Jezus. En de liefde tot het koninkrijk van God. Om jaloers op te worden. Als toch zo alle vader-kind-verhoudingen eens waren. Praat u veel met uw kinderen over de dienst van de Heere, vaders?

Vanwege die nauwe band gaan in deze brief vaderlijke trouw en broederlijke liefde hand in hand. Paulus wist van Timotheüs dat hij soms te bescheiden was. En vaak overging tot vrees, angst en onzekerheid. Hij voelde zich niet opgewassen tegen de problemen in de gemeente van Efeze. Hij had echt bemoediging nodig. Vandaar deze warme, bemoedigende brief. ‘Timotheüs, verzaak je opdracht niet. Let in de strijd maar op Hem, Die in de strijd is voorgegaan en Die heeft overwonnen. Houd Jezus voortdurend voor ogen en in je hart’. Timotheüs: ‘houd in gedachtenis dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, uit het zaad van David, naar mijn evangelie. Denk daar steeds aan. Vergeet het toch niet. Je hoeft niet bang te zijn want Jezus leeft. Jezus zorgt in al je strijd en moedeloosheid en als je denkt dat je werk geen zin meer heeft bij al je moeite en je lijden, we hebben een Heere Die leeft. Houd dat in gedachtenis, dan kun je de strijd aan die de verkondiging van het evangelie altijd met zich mee brengt’.

Die strijd zal er altijd zijn. Onherroepelijk. Want de machten en de krachten in de wereld zullen zich tegen het koninkrijk van God verzetten en tegen de uitbreiding daarvan. Laat echter het centrale thema in de verkondiging steeds zijn: ‘Jezus leeft!’ En leef er zelf ook uit. Mijn Jezus leeft! Mijn Koning weet van me af. Hij leidt mijn leven. Alles ligt in Zijn doorboorde handen. Het kan niet misgaan. Het kan Hem niet uit de hand lopen. Hij geeft me kracht. Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij! Hij overwon alle machten en krachten, de zonde en de hel en de dood en alle vijanden. Hij maakte sommigen zelfs tot vrienden. Het Woord is geladen met de opstandingskracht van de Heere Jezus. Hij schept het leven, midden in de dood. ‘Houd in gedachtenis dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt.’ In hoofdstuk 1 vers 10 zegt Paulus eigenlijk hetzelfde over de opstanding van Christus. ‘Jezus Christus Die de dood heeft te niet gedaan en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie.’

Ds. C. G. Vreugdenhil

Jezus geeft Zich over aan God

 

‘Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardig oordeelt; Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout.’ (1 Petrus 2:23-24a)

 

Jezus is het grote voorbeeld. Petrus spreekt hier tegen de slaven, die zich van alles moesten laten aandoen. Het zou helemaal geen wonder zijn, als die mensen ook eens een keer dat onrecht zouden willen vergelden. Niet doen, zegt Petrus. Niet op de mensen kijken, die u dat onrecht aandoen. U moet naar Jezus kijken. Hij schold niet terug, Hij dreigde niet. Volg het voorbeeld van de grote Meester.

Ziet u dat die twee niet te scheiden zijn? Hij heeft voor ons geleden, zegt Petrus. Maar hij zegt ook: Hij heeft ons een voorbeeld nagelaten. Dat mag ook best even voor het voetlicht komen. Hij is ons voorbeeld tot navolging. En we kunnen Hem alleen maar navolgen, als we met Hem verzoend zijn. Rechtvaardiging en heiliging zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden.

Daarom moeten christenen Hem ook navolgen. De Heere Jezus heeft het gezegd: “Een discipel is niet meer dan zijn meester.” Christus’ lijden zet zich voort in het lijden van de Zijnen. Christus’ strijd zet zich voort in de strijdende Kerk. Zijn littekens zetten zich voort in de littekens van Zijn Kerk. Dat hoort bij de wetten van Zijn rijk.

De gelovigen zijn ‘slachtscha­pen’ van Christus, zegt Petrus: als u verdrukt wordt en benauwd, kom dan maar heel dicht achter uw Meester aan, want daar is het zo goed. Daar mag u gemeen­schap hebben aan het lijden van Chris­tus. Daar mag de navolging van Christus u opnieuw opleiden tot de verzoening door Hem in het offer dat Hij bracht.

Het is genade bij God als u lijdt, terwijl u goed doet. Genade bij God, gunst bij God, een voorrecht. Dan worden we waardig gekeurd om Zijns Naams wil smaad te dragen. Dan dragen we de littekens van Christus. Dat heeft geen verzoe­nende kracht, maar dat is vanuit de verzoening, die Christus heeft aange­bracht. Om naar het voorbeeld van Jezus onschuldig te lijden en Hem zo enigszins gelijkvormig te worden.

Zeker, we struikelen vaak op die weg. We beschuldigen iedere dag onszelf. Dat komt omdat we weer zonden doen. Omdat we nooit kunnen zijn, zoals we eigenlijk willen zijn: heilig, net als Jezus.

En wat is deze lijdende Christus gescholden! De fari­zeeërs zeiden van Hem: Hij is een vraat en wijnzuiper, een vriend van tollenaren en zondaren. Hij is een hoerenkind. Wij zijn niet uit hoererij geboren. Hij werpt de duivelen uit door Beëlzebul, de overste van de duivelen. Hij verleidt het volk. Tenslot­te is Hij van godslastering beschuldigd en op grond daarvan ter dood veroordeeld.

Hoe is Hij gescholden! Daar hangt Hij aan het kruis. Zijn handen en voeten zijn vastgespijkerd aan de ruwe kruispaal. Dan nog zeggen de omstanders: Anderen heeft Hij verlost, dat Hij nu Zichzelf verlosse, indien Hij de Zoon van God is. Al die scheldwoorden heeft Hij Zich moeten laten welgevallen. Hij zweeg.

Doet u dat ook? Er zijn mensen met een heel zachtmoedig karakter. Dat is een zegen, maar op een gegeven moment is de grens bereikt en houdt het geduld op. Dan zeggen wij: nu is het klaar, nu kan ik het niet langer meer verdragen. Dan komt er bij de meest zachtmoedige mens toch wel eens een woord uit, waar hij later toch spijt van heeft. Een mens hoeft toch niet alles te slikken.

Toch eigenlijk wel, als het gaat om de Naam van Jezus. Want van Hem lezen we dat als Hij geschol­den werd, dat Hij niet terug schold. En als Hij leed, dat Hij niet dreigde. Dat had Hij kunnen doen. We horen soms van christenen die geslagen worden en niets terug doen. Zij beantwoorden de haat met de liefdegeur van Christus. Zij zien op Jezus en verdragen de slechtste behandeling.

Zelfs aan het kruis bad Hij voor Zijn beulen die de spijkers door Zijn handen sloegen: ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zijn doen.’ Hij schold niet terug, maar Hij deed wel dit: ‘Hij gaf het over in de handen van Dien, Die rechtvaardig oordeelt’. Hij legde het allemaal in de handen van Zijn alwetende God en Vader. Hij wist het: eens zal al het kwaad gestraft worden. Eens zal het recht van God zegevie­ren.

Ook daarin is Hij het voorbeeld, voor allen die moeten lijden en het kruis moeten dragen om de Naam van Christus. Hij zegt: neem het recht niet in eigen hand. Sla niet terug! God zal Zelf recht doen. Als ons onrecht is aangedaan kan dat wel eens van een kant komen, waarvan we het helemaal niet hadden verwacht: een broeder of zuster zelfs. Laten wij een voorbeeld nemen aan Hem, Die als Hij gescholden werd, niet terug schold. En als Hij leed, niet dreigde. Hij gaf het allemaal in Gods hand.

Je moet ook een keer een punt leren zetten achter bepaalde zaken. Niet constant al die oude koeien ophalen uit de sloot van het onrecht dat mensen je aandeden. Paulus schrijft dat we niet steeds moeten blijven zien naar wat achter ons ligt, maar dat we ons moeten uitstrekken naar wat voor ons ligt.

Wat ligt er voor u? De eeuwige erfenis? De eeuwige bruiloft van het Lam? In ieder geval het oordeel over allen die ons onrecht aandeden. Geef alles maar over in Gods hand. Hij is zo rechtvaardig. Laat uw geloofsblijdschap niet bederven door altijd maar op het onrecht te blijven zien. Vergeef elkaar. Zalig zijn de vredestichters.

Wij lijden liever geen onrecht en wij slaan liever wel terug. We voelen er helemaal niet voor om de smaad van Christus te dragen. Maar de Heere zegt: Mij komt de wrake toe. Achter Jezus aan, Die het kruis heeft gedragen en de schande veracht. Straks komt de grote dag dat Jezus rechter zal zijn.

En nu gaat het erom, hoe wij naar die dag toeleven. Kunnen we in dan gericht van God onbevreesd zijn, omdat de Rechter van straks onze Redder geworden is? Omdat we hier in dit leven al onze zonden hebben beleden? Omdat we vergeving ontvangen hebben in Zijn bloed? Zijn we zo Zijn beeld gelijkvor­mig, dat we achter Hem aan mogen komen?

Jezus stond in het gericht van God in de plaats van zondaren. Hij nam de schuld op Zich. Daarom blijft er geen verontschuldiging meer over voor onze zonden als we aan deze Middelaar voorbijgaan. Neemt u dat eens mee! U, die zo koud onder het Woord kunt blijven. U, die denkt: het zal mijn tijd wel duren en we zien wel wat er van komt. Als u aan deze Jezus voorbij gaat, blijft er geen slachtoffer meer over voor uw zonde.

Petrus schrijft ook over Goede Vrijdag: ‘Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout.’ Hoe kan dat eigenlijk? We staan hier voor het wonder van de plaatsbekleding. Jezus heeft de zonden van Zijn Kerk gedragen, zegt Petrus. Het oordeel over onze zonden is aan Hem voltrokken. Dat kostte Zijn leven. Hij boog het hoofd en sprak: ‘Vader in Uw handen beveel ik Mijn geest.’

Jezus droeg onze zonden in Zijn lichaam, dat wil zeggen: in Zijn menselijke natuur. Hij ging met die zonden naar het kruis, ja zelfs aan het kruis. Toen Hij daar werd vastgespijkerd, werd het handschrift van de zonde dat tegen ons getuigt, daar ook aan vastgespijkerd. Hij is tot zonde gemaakt, één gemaakt met zondaren. Hij heeft onze zonden gedragen op het hout.

Dat is toch onvoorstelbaar! Zijn liefde doet Hem delen in de straf over onze zonden. Zijn bewogenheid met onze schuld brengt Hem ertoe om onze zonden in Zijn lichaam mee te dragen tot op het kruis. Wat een lijden, wat een liefde. Wat een Jezus! Mijn Verlosser hangt aan ’t kruis.

Bent u met Hem verbonden door het geloof? Dat gaat niet buiten ons om. Aan het kruis werden onze zonden veroordeeld, gestraft. God straft ze geen twee keer. Alleen het kruis en het geloof in de Gekruisigde geeft vrede met God en zekerheid van de vergeving van je zonden. De boodschap van Goede Vrijdag is zo rijk!

Hebt u er belang bij? Zit u ermee, met uw schuld van al die jaren? Is die schuld gaan drukken en bent u gaan buigen voor de Heere? En wat is er nu gebeurd op Golgotha? Daar heeft Jezus onze zonden ‘gedragen’ en weggedragen. God zette een grote dikke streep over de schuldrekening. Hij schreef: betaald. Hij zette de datum erbij: Goede Vrijdag in het jaar 33 na Christus. Wie dat gelooft, wil aan de zonde afsterven en voor de gerechtigheid leven. Als je door Zijn striemen genezen wordt, mag je zeggen: ‘Ook voor mij bent U aan het kruis gestorven en ook voor mij hebt U genâ verworven. Ja, ook ik ben van schuld en zonden vrij.’

 

Ds. C. G. Vreugdenhil

Het grote voorbeeld van Christus’ lijden (2)

‘Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij Zijn voetstappen zoudt navolgen’. (1 Petrus 2:21)

 

Iedere Christen wordt geroepen om in dit leven Jezus na te volgen. Bent u daartoe bereid? Dat komt door de trekkracht, die van Hem uitgaat, zodat wij zeggen: ‘Heere, ik zet mijn treden in Uw spoor’. Hij droeg het kruis verzoenend, schuld betalend, straf dragend. Dan mogen al de Zijnen, die Hij gekocht heeft met Zijn dierbaar bloed, achter Hem aan, kruisdragers zijn in deze wereld. Getroost reizend onder het heiligend kruis naar het erfgoed daarboven, in het vaderlijk huis.

Petrus zegt: u wordt geroepen om Zijn voetstappen na te volgen. Zijn voetstappen. Het maakt zo’n groot verschil of wij in dit leven lijden moeten in gemeenschap met Adam, onze eerste vader, of dat wij lijden mogen in gemeen­schap met Christus, de tweede Adam. Zijn voetstappen navol­gen. Dat is heel die lange weg van Christus: van kribbe tot kruis.

Zijn voetstappen beginnen in Bethlehem, waar Hij mens werd. In Nazareth liggen Zijn voetstappen. Daar heeft Hij geleefd en daar werd Hij twaalf, dertien, vijftien, achttien. Gehoorzaam is Hij geweest aan Zijn vader en aan Zijn moeder. Nadat Hij dertig jaar geworden was, zette Hij Zijn voet­stappen in heel het land Kanaän. In Gethsémané liggen niet alleen Zijn voetstappen, maar ook Zijn knieafdrukken, want daar heeft Hij Zich gebogen over de aarde en gebeden. Hij is daar tot de dood toe benauwd geweest.

In de zaal van Kajafas liggen Zijn voetstappen. Daar stond Hij gebonden, gesmaad en geblinddoekt. Daar werd Hij veroordeeld. Op de ‘via dolorosa’, de lijdensweg vanuit Jeruzalem naar Gol­gotha, naar de kruisheuvel, liggen Zijn voetstappen. “En Hij, dragende Zijn kruis ging uit naar de plaats genaamd Golgotha.” Op Golgotha werd Hij aan het vloekhout vastgespijkerd. Toen was er geen plaats meer op aarde om Zijn voetstappen te dragen. Hij is uitgewor­pen door de aarde. De hemel werd voor Hem gesloten. Zo heeft Hij gehangen tussen hemel en aarde om voor ons de weg te bereiden naar God.

Als u Zijn voetstappen wil leren kennen, moet u veel in de Bijbel lezen. In het Evangelie vindt u de voetstappen van de lijdende Christus. Als we het Avondmaal vieren, als we de beker van de dankzegging aan de mond zetten, denken we aan zijn voetstappen, aan Zijn gewilligheid en Zijn gehoorzaamheid, aan Zijn liefde en Zijn Zelfovergave tot het offer aan het kruis.

Hij trekt een spoor van gewilligheid en gehoorzaamheid waarin al de liefhebbers van Zijn naam hun treden zetten. Hij zette Zijn voeten in het spoor van Gods gerechtig­heid. Hij volgde het spoor van Gods geboden. Nooit heeft Hij Zich laten verleiden om dat spoor van God te verlaten. Als de duivel probeert Hem af te brengen van Gods weg, houdt Hij stand.

En nu zegt Petrus, tegen de slaven, die vernederd en verdrukt worden: Houdt Hem in het oog, want als je Christus niet in het oog houdt, raak je het spoor bijster. Volgen, zegt Petrus, dat is het leven van een christen. Niet voor de Heere uitlopen, niet meelopen, maar volgen. Dat is niet romantisch maar hard. De weg achter Christus aan is een weg door de diepte en een weg naar het kruis.

Wij kiezen liever een gemak­kelijke weg. Maar Petrus zegt: u komt er niet onder uit. U, die Jezus’ eigendom bent. “Want hiertoe zijt gij geroepen”. Het is niet de vraag, wat u graag zou willen of niet zou willen. Het hoort bij de navol­ging van de Heere Jezus Christus. Als we Zijn voetstappen zien, krijgen we weer moed om verder te gaan en Hem te volgen. En wie Christus volgt, kan onrecht verdragen en in gemeenschap met de lijdende Chris­tus zijn naaste vergeven.

Weet u wat het grote voordeel daarvan is? Als je Zijn weg mag gaan, ben je nooit meer alleen. Want daar is Hij ook. Daar zie je voortdurend de voetstappen van Jezus en dan mag je weten: het is geen vreemde weg, die ik ga. Ik ga achter de Meester aan. Hij is daar overal geweest, voor mij, in mijn plaats. Hij kan niet ver weg zijn. Hij is nabij.

Dan mag je het zingen: “Wat ook dit leven brengt, Hij is nabij. ’t Zij ’t vreugd of droefheid schenkt, Hij is nabij. Hoe sterk ook satans macht, Jezus geeft licht en kracht, ieder die Hem verwacht, Hij is nabij.” Wat rijk om dat te kunnen zingen en geloven. Want het is waar voor allen die Zijn naam liefhebben en in Zijn spoor willen gaan.

Daar wijst Petrus op als hij schrijft: jullie moeten Zijn voetstappen navolgen. Hij is nabij. Hij lijdt mee. Het is nodig, dat we Zijn voetstappen in het oog houden, want anders raken we het spoor bijster. Dan ver­dwalen we. Daar hebt u nu het leven van een christen. Toets uzelf er maar aan. Hoe is uw leven? Kent u het navolgen van Jezus? Het gemeenschap hebben aan Zijn lijden en toch verblijd zijn.

Denk aan Paulus en Silas in de gevangenis te Filippi. Toen ze gesla­gen en gemarteld werden, klonken er lofzangen in het onderaardse kerkerhol. Over de apostel Paulus, die de littekenen van Christus kon laten zien in zijn lichaam, staat geschreven: hij ver­blijdde zich in zijn lijden. Wonderlijk, vindt u niet? Een weg die door de diepte gaat en door strijd. Maar dat hoort er allemaal bij. Lijden hoort tot het wezen van de navolging van Christus.

Christus roept ons op de kruisweg. Weet u waarom? Opdat wij ons leven zouden heiligen. Dat wordt duidelijk in het 24e vers: “Opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden.” Dat is het doel van de kruisweg. Dat is het doel van de navol­ging. Aan de zonde afsterven en voor de gerechtigheid leven. Dat is de heiligmaking. Zo leert de Heere Zijn kinderen het kruis dragen achter Jezus aan. Opdat wij Zijn heilig­heid zouden deelachtig worden.

De Heere ziet ons zo graag heilig, in overeenstemming met Zijn wet. Hij ziet ons zo graag, zoals Zijn Zoon is. Daarom is er het kruis en de kruisweg: het volgen van Zijn voetstappen. Het zien op Zijn voetstappen houdt de moed er in. Als u onder het kruis op Jezus mag zien, krijgt u moed om verder te gaan.

We lezen in vers 22: “Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden.” U kunt deze tekst haast letterlijk terugvinden in Jesaja 53. Daar zegt de profeet: “Omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond geweest is.” Je kunt daar zo aan gewend raken aan zulke teksten en uitspra­ken. Maar dat is even een uitspraak! Hij, Jezus, Die de doodstraf onderging, heeft geen zonde gedaan. Niet één! En er is geen bedrog in Zijn mond geweest. Nooit! Dat is bij u en mij toch wel anders. Wij doen zoveel zonde, onrecht en bedrog. Wat een leugens, van onze kinderjaren af. Ons hart is zo bedorven.

Wat zouden we het benauwd krijgen als nu de ‘boeken’ open gingen bij God. De boeken, waar al onze zondige gedachten, daden en woorden in opgete­kend staan. Als ieder dat van zichzelf en van een ander zou kunnen lezen, wat zouden we ons toch schamen. Alleen de gedachte eraan al werkt benau­wend.

Weet u wanneer je dat gaat zien en het er benauwd onder krijgt? Als de Heilige Geest het licht van het Woord laat vallen in je hart. Dan zie je wie je bent in de spiegel van Gods heilige wet. Maar vooral ook in het licht van het kruis. Net als die ene moorde­naar aan het kruis: “Wij toch rechtvaardig, wij ontvangen straf, waardig hetgeen we gedaan hebben, maar deze Jezus heeft niets onbehoorlijks gedaan.” Als dat beleefde werkelijk­heid wordt, zie je wel eens een traan blinken. Een traan van schaamte en ontroering. ‘Leer mij, o Heer’ Uw lijden recht betrachten, in deze zee verzinken mijn gedachten: o Liefde, die om zondaars te bevrijden, zo zwaar woudt lijden!’

 

Ds. C. G. Vreugdenhil

Het grote voorbeeld van Christus’ lijden (1)

‘Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft…’ (1 Petrus 2:21)

“In de gevangenis word ik gemarteld met de bedoeling dat ik Jezus Christus zal verloochenen. Maar ze kunnen Christus nooit van mij afnemen,” schrijft de Amerikaans-Iraanse pastor Abedini. Hij werd opgepakt vanwege het planten van huiskerken en werd onder druk gezet om zijn geloof af te zweren in een Iraanse gevangenis. Gevangenisambtenaren en medegevangenen vinden het de normaalste zaak van de wereld om fysiek geweld te gebruiken tegen christenen. Ze beschouwen het als hun plicht om ex-moslims terug te laten keren naar de islam. “In deze zware omstandigheden heb ik Gods reddende genade nodig om de heerlijke geur van Christus te verspreiden op deze duistere plaats,” schreef de voorganger. De gevangenis in Teheran staat bekend om haar slechte behandeling. Eén op de elf christenen in de wereld wordt gediscrimineerd of gemarteld. Wat kunnen de andere 10 voor hen doen?

De mensen aan wie Petrus deze brief geschreven heeft, hadden het verre van gemakkelijk. Zeg maar gerust: ze hadden het moeilijk. Het zijn de vreemdelingen in de ver­strooiing in Klein-Azië. Mensen die een kleine minderheid vormden te midden van een grote heidense meerderheid en zich spot en hoon moesten laten welgevallen.

Maar onder die mensen was er één categorie, die het extra zwaar had. Dat waren de slaven. ‘Dienstknechten’ worden ze hier genoemd. Slavernij. Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen, wat dat moet zijn: een slaaf te zijn. Als mens verkocht te zijn, zoals een stuk vee. Niet te kunnen gaan en staan, waar je wilt. Je vrijheid benomen. Voortdurend in het oog gehouden te worden. Hard te moeten werken en onver­diend opeens de kans te lopen een pak slaag te krijgen en dan niets terug te kunnen doen.

Als wij dat horen, zeggen we: hoe is het mogelijk dat dit is voorgeko­men in de geschiedenis van de mensheid? In de tijd van Petrus, in de eerste eeuw van onze jaartelling, vond men dat normaal. Maar, als je nu christen was, mocht je er dan ook slaven op na houden? Op die vraag geeft het Nieuwe Testament geen antwoord. Paulus vermaant zelfs de weggelopen slaaf Onesimus om terug te keren tot zijn eigen meester.

Waar Christus komt en waar Zijn Koninkrijk gestalte krijgt in deze wereld, in ons hart, in de gezinsverhoudingen, in de maatschappelijke verhoudingen, daar gaat veel veran­deren. Al was het alleen nog maar, zoals Petrus hier ook schrijft in deze brief, in de onderlinge verhoudingen.

Dan zal een heer, niet in één keer zijn slaven vrijlaten, maar hij zal ze wel heel goed behandelen. Dan is hij begaan met het lot van zijn slaaf. Dan zal de slaaf in zulke nieuwe verhoudingen niet zomaar weglopen. Hij zal wel een voorbeeld worden in gehoorzaamheid en lijdzaamheid.

Dat is nu waartoe Petrus de slaven oproept. Hij zegt: “Mensen, u, die het moeilijk heeft, zie toch op uw grote Meester. Hij zocht u op in de slavernij van uw zonde”. Daarin wilde Hij komen en de Dienst­knecht van alle dienaren worden. Hij wilde als het ware de slavengestalte aannemen. Hij heeft uw banden losgemaakt. Hij heeft u bevrijd. Want wie door Christus vrijgemaakt is, zal echt vrij zijn. Ook als u moet lijden ten onrechte, juist dan. Maar zorg er wel voor dat je niet hoeft te lijden, omdat je er zelf aanleiding toe gegeven hebt, zegt Petrus. Want dat is geen genade van God, dan heb je het er zelf naar gemaakt. Als je jezelf onmogelijk gemaakt hebt, door ongehoorzaamheid, of door diefstal, of door wangedrag en je wordt daarvoor gestraft, is dat geen lijden in de Naam van Christus.

Maar wèl doen, alleen maar goed doen en dan toch moeten lijden, dat is een eer. Dat is genade bij God. Dan gaat u in het voetspoor van uw grote Meester. Het is een gunst om ten onrechte te lijden. Misschien moet u lijden vanwege laster waar je eigenlijk zelf niets aan doen kunt. Waar je niet verant­woorde­lijk voor bent. En dan tóch te moeten lijden. Dat is nu genade bij God, zegt Petrus hier. Want zo worden we het beeld van Christus gelijkvormig. Die moest immers ook ten onrechte lijden. Daarom schrijft Petrus die ontroerende woorden van onze tekst over de Heere Jezus, Die ons in Zijn lijden een voorbeeld heeft nagelaten.

We lezen in vers 21: “Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft…”. Alleen deze woorden al bevatten een mysterie. Christus heeft geleden. Chrìstus!! Daar staan wij bij stil in de lijdenswe­ken. Dat wij moeten lijden, dat is duidelijk. Wij zijn zondaren. Wat is er een lijden op deze wereld. Wat een ellende is er geleden in de oorlogen en nog steeds. Wat een stromen van bloed zijn er gevloeid. Denk ook eens aan een groot deel van de wereldbe­volking, dat honger lijdt. Aan mensen, die geen dak boven het hoofd hebben. Burgeroorlogen, die nog steeds woeden. Vluchtelin­gen en ontheem­den, die nergens terecht kunnen. Mensen in Syrië en in Afrika.

We denken aan al het leed, dat over deze hele wereld komt, en dat ook onze deuren niet voor­bijgaat. Vult u het zelf maar in. Laten we nooit uit het oog verliezen: het lijden is er om onze zonden. De Heere heeft het zo niet gewild. We hebben onszelf in het ongeluk gestort. Op de bodem van alle vragen ligt der wereld zondeschuld.

Nu staat hier niet in de eerste plaats dat wìj moeten lijden, maar dat Chrìstus heeft geleden. Dat is zo’n on­doorgrondelijk geheim, want Hij hoefde toch niet te lijden. Als er Eén was, Die het niet verdiend had en Die nooit zonde gedaan had dan was het toch de Heere Jezus Christus Zelf. Daarom kunnen de gevolgen van de zonde Hem toch niet treffen? Dat is toch niet eerlijk? Dat is toch niet rechtvaardig?

Inderdaad. En dàt is nu het geheim van het plaatsbekledend lijden en sterven van Christus. Dat Hij Borg en Middelaar wilde worden voor zondaren, die het wèl verdiend hadden. Zo zegt Petrus het ook: dewijl Christus voor óns geleden heeft. Dat betekent: ons ten goede. Wie zijn die ‘ons’? Dat zijn diegenen, van wie Petrus in de tweede brief zegt dat ze “een even dierbaar geloof met hem verkregen hebben.”

Hij in onze plaats, zegt Petrus. Dat is met ons verstand niet klein te krijgen. Het Evangelie van de plaatsvervanging. Paulus zegt in 2 Kor. 5: “Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt.” Hij kwam naar deze wereld. Hij nam de gestalte van een dienst­knecht aan.

Hij droeg de straf, Hij stierf aan het kruis. Hij bracht de gerech­tig­heid aan, Hij hield de wet van God. Zo verwierf Hij het eeuwi­ge leven. Dat heeft Christus gedaan. Hij deed wat wij eigenlijk zouden moeten doen en wat wij nooit meer konden doen. In onze plaats ging Hij die weg. Dat alles en nog veel meer schuilt er in die sobere woorden: Christus heeft voor ons geleden. Dat lijden is onherhaal­baar en onnavolgbaar.

Maar, zegt Petrus, al hoeven wij dat lijden van Christus niet over te doen, wij mogen wel onze weg door het leven gaan, ziende op Hem, Die het kruis gedragen heeft en de schan­de veracht. Want, zo zegt Petrus: ‘Hij heeft ons een voorbeeld nagelaten.’ De weg, die wij moeten gaan, ging Hij eerst. Op die weg is Hij voorge­gaan.

Petrus bedoelt te zeggen: als u geslagen wordt, denk dan maar aan die geselslagen, die op Zijn rug neerkwamen. Als u bespot en gesmaad wordt, denk dan maar aan de spot en smaad, die Hij moest incasseren en die Hij zo gewillig heeft ondergaan. Als u vals beschuldigd wordt, denk dan aan die valse getuigen, die tegen Jezus zijn opgestaan.

Hij heeft ons er toe geroepen, zegt Petrus. Geroepen om Zijn smaad te dragen. Het woordje ‘geroepen’ staat er niet voor niets. Wat is het nodig, dat de Heere ons daartoe roept, want anders wilden we het niet. Dan weigeren we om onrecht te lijden. Wie voelt daar nu iets voor, om de weg van lijden en van schande op te gaan? En dan niets terug te zeggen! En als ze je op de ene wang slaan, dat je dan de andere toekeert. Wie voelt daar voor? Niemand! Behalve hij, die de lijdende Zaligmaker heeft lief gekregen.

Ds. C. G. Vreugdenhil