GODS WERK GAAT DOOR IN HET NIEUWE JAAR

‘Ziet, is het niet van den HEERE der heirscharen, dat de volken arbeiden ten vure, en de lieden zich vermoeien tevergeefs? Want de aarde zal vervuld worden, dat zij de heerlijkheid des HEEREN bekennen, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.’ (Habakuk 2:13 en 14)

 

Zoals elke profeet, is ook Habakuk een lijder geweest. Hij heeft het moeilijk gehad, moeilijk met Gods regering. Ziet de HEERE dan niet wat er plaatsvindt aan zonde en ongerechtigheid en doet Hij er niets aan?

‘t Is begonnen in Juda, in de kerk zou je zeggen, binnen de kring van Gods verbond. Daar is de liefde geweken en de goddelozen zijn de toon aan gaan geven, zodat de rechtvaardigen geen leven meer hadden. En toen heeft God gezegd: Habakuk, ‘t zal nog erger worden, want de Chaldeeën zullen komen. “Want ziet, Ik verwek de Chaldeeën, een bitter en snel volk, trekkende door de breedte der aarde, om erfelijk te bezitten woningen, die de zijne niet zijn” (Habakuk 1:6). Neem in zulke omstandigheden de dienst des HEEREN maar eens waar; kom dan maar eens uit voor Zijn Naam en Zijn zaak. En tóch, Habakuk doet het, niet in eigen kracht, maar in geloof.

En hij komt met God niet bedrogen uit. De HEERE doet hem zien waarop het alles zal uitlopen. De goddelozen, zowel binnen als buiten de kring van het verbond, zullen ondergaan. “De HEERE zal opstaan tot de strijd; Hij zal Zijn haters, wijd en zijd, verjaagd, verstrooid doen zuchten”. Want alles wat de vijanden van God en van Zijn heilig kind Jezus klaarmaken, is te karakteriseren met één woord: ‘tevergeefs’.

“Ziet, is het niet van de HEERE der heirscharen, dat de volken arbeiden ten vure, en de lieden zich vermoeien tevergeefs?” (vers 13). Alles wat de vijanden en de goddelozen doen, blijkt uiteindelijk bestemd te zijn voor het vuur, dat alles is tevergeefs, letterlijk: ‘t is ijdelheid, hol, leeg, van geen betekenis. En wat staat daar tegenover?

“Want de aarde zal vervuld worden, dat zij de heerlijkheid des HEEREN bekenne, gelijk de wateren de bodem der zee bedekken” (vers 14). De heerlijkheid des HEEREN, dat is de majesteit en de grootheid van de HEERE.

Psalm 97 zingt daar indrukwekkend van. De bergen smelten als was en de hemelen verkondigen Gods gerechtigheid en alle volken zien Zijn eer. De aarde zal de heerlijkheid des HEEREN bekennen. Dwars door de zonde van geweld, van hoogmoed, van eigen gerechtigheid gaat God door met Zijn werk. Dat geldt ook vandaag. Hoe staat het erbij in de wereld? Hoe is het in Zijn kerk?

Onderdrukking, hardheid, liefdeloosheid, ingezonkenheid. Staan we dan net als Habakuk om de dienst des HEEREN waar te nemen in geloof en in kracht, die God verleent? De HEERE gaat immers door, daar staat het woordje ‘zal’ garant voor. Want het is Kerstfeest geweest. Toen is het gebeurd, dat de heerlijkheid des HEEREN de herders omhulde. En engelen zongen: “Eer, heerlijkheid aan God”.

Waarom? Wel, de Held der hulp is er; Jezus is er. Hij is er. Die de arme en nooddruftige zal helpen en de rechtvaardige zal redden. Wat betekent ten diepste al wat de goddelozen doen op aarde in vergelijking met wat Jezus komt doen? Zijn verlossingswerk zal zich uitstrekken tot aan de einden der aarde. En daarom, hoeveel weerstand de kribbe van Bethlehem en het kruis van Golgotha ook oproepen, hoe hardnekkig de mensen zullen blijken te zijn in ongeloof en onbekeerlijkheid. God de HEERE gaat door, ook in dit nieuwe jaar. Zijn welbehagen zal door Christus’ hand gelukkig voortgaan.

Alle verdienste is uitgesloten, het is genade alleen. Alle werk schiet tekort, behalve Jezus’ werk; alle gerechtigheid is onvoldoende, behalve de Zijne, alle naam gaat onder, maar Zijn Naam zal eeuwig eer ontvangen. De dag nadert, waarop alle tong zal belijden, dat Jezus Christus de Heere is tot heerlijkheid van God de Vader. Dan is vervuld het Woord van God bij monde van David in Psalm 72: “En geloofd zij de Naam Zijner heerlijkheid tot in eeuwigheid en de ganse aarde worde met Zijn heerlijkheid vervuld. Amen, ja amen.”

Ds. R. Kattenberg

PROFETIE VAN BILEAM

‘Er zal een ster voortkomen uit Jakob, en er zal een scepter uit Israël opkomen; die zal de palen der Moabieten verslaan, en zal al de kinderen van Seth verstoren.’ (Numeri 24:17)

 

De adventsdagen bepalen ons vaak bij profetieën in het Oude Testament die heenwijzen naar de komst van de beloofde Verlosser Jezus Christus, het Woord dat vlees zal worden. Het kwam in vervulling, toen Hij geboren werd in de kribbe van Bethlehem. Maar de kerk van het Nieuwe Testament eindigt niet in de kribbe van Bethlehem, want wij weten het: Hij ís gekomen en Hij lág in de kribbe, maar óók: Hij is opgestaan uit de doden en Hij leeft en zal eenmaal weerkomen om te oordelen de levenden en de doden.

Eén van deze teksten die gaan over de komst van Christus, is de profetie van Bileam. In de geest ziet hij een Persoon in een luisterrijke en heerlijke waardigheid. Hij ziet hem in een schittering, zó glansrijk, dat hij uitroept: Er zal een ster voortgaan uit Jakob, en er zal een scepter uit Israël opkomen.

Een ster uit Jakob… Jakob, die op zijn sterfbed zijn zoon Juda mag aanwijzen: Juda, gij zijt het (Gen. 49:8). Uit u zal Mij voortkomen Die een Heerser zal zijn in Israël (Micha 5:1).

Straks komt uit de lijn van Jakob het koninklijk geslacht van David. En dan zal aan David de belofte gedaan worden dat zijn huis altijd iemand zal hebben die op de troon zal zitten, Jezus Christus en Die gekruisigd. De Heere heeft Jakob liefgehad en uit Jakob zal die Zaligmaker en Verlosser komen. En als Bileam Hem hier tekent, dan is dat als ‘de ster van Jakob’. Ja, dat zal Hij zijn, de blinkende Morgenster. De blinkende Morgenster die zijn licht zal laten schijnen in de duisternis.

Er ligt in het beeld dat Bileam gebruikt ook nog een oosters accent. In het oosten werden de koningen en heersers wel aangeduid met een embleem van een ster of een zon. Op die manier werd het heerlijke, het luisterrijke en het blinkende van het koningschap aangeduid. Zo wordt ook in die ster van Jakob de Zaligmaker aangeduid in Zijn koninklijke waardigheid, heerlijkheid en heerschappij.

De tekst vervolgt: Die (die blinkende Morgenster) zal de palen der Moabieten verslaan en zal al de kinderen van Seth verstoren. De Heere draait het om: Bileam moet niet Israël vervloeken, maar Moab.

Dit is het woord van God, een woord dat waar is. Dat is een vloek die ook voltrokken wordt, want als God vloekt, dan wordt dat ook voltrokken. Mensen kunnen ook wel vervloeken, maar dat kan een lege vervloeking zijn. Maar als God Zijn vloek uitspreekt, dan wordt die volvoerd. Zo ook met Moab. David zal later de Moabieten onderwerpen. Na Achabs dood komen zij weer vrij. Maar later worden de Moabieten en de Amonnieten van de kaart geveegd. Zij zijn niet meer te vinden tot op de dag van vandaag. Ze zijn weggevaagd, maar Israël bestaat nog.

En dan staat er nog bij, aan het einde van de tekst: En zal al de kinderen van Seth verstoren, dat wil zeggen: verbreken. ‘Seth’ kan ook vertaald worden met ‘rumoermaker’. Mensen die krijgsrumoer veroorzaken, die denken dat zij goed tegen God kunnen vechten en staande blijven.

Maar, zoals Johannes het tekent in Openbaring, Christus zal met de adem van Zijn mond de vijanden verdelgen en verslaan. Alles zal ten onder gaan en geveld worden voor die ster uit Jakob, voor die scepter uit Israël. Dan zullen alle geestelijke Moabieten en Amonnieten, allen die niet hebben willen buigen voor Koning Jezus, met de adem van Zijn mond voor eeuwig worden weggestoten in de poel die brandt van vuur en zwavel. Hij zal de palen der Moabieten verslaan, en Hij zal de kinderen van Seth verstoren, allen die vijand zijn.

En weet u wat Hij nu ook kan? Die ster van Jakob, die Koning van Israël, kan die geestelijke Moabieten veranderen, Hij kan hen van vijanden tot vrienden maken. Dat is het heden van de genade. Geestelijke ordeverstoorders, geestelijke vechters tegen God, Hij kan ze nog aan Zijn voeten leggen zoals Saulus. Een wolf kan Hij maken tot een lam, want Hij spreekt en het is er; Hij gebiedt en het staat er.

Wij zijn nog in het heden van de genade, en nu wordt Hij nog gepreekt als de Verlosser, die ster uit Jakob in de donkere nacht. Een licht, zo groot en schoon, dat is de Zaligmaker Jezus Christus. Die blinkende Morgenster zal verschijnen en zal maken dat ook Zijn volk straks met Zijn heerlijkheid bekleed is, zonder vlek en zonder rimpel, eenmaal verlost van alle zonde, en van de strijd en van de aanvallen van de Moabieten en de Ammonieten en noem ze maar op. Eenmaal verlost van alle vijanden van de Kerk mag zij boven zijn met Hem drie-enig. Om Hem toe te brengen alle lof, en alle aanbidding, en alle dankzegging, van nu aan tot in eeuwigheid.

Ds. K. de Gier

DANKDAG – ELIA BIJ DE BEEK

‘En de raven brachten hem des morgens brood en vlees, desgelijks brood en vlees des avonds; en hij dronk uit de beek.’ (1 Koningen 17:6).

 

Elia moest van de Heere naar koning Achab en tegen hem zeggen: Zo waarachtig als de HEERE, de God Israëls, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord. (….) Hoe zou Achab hierop reageren? Nou, dat vindt hij helemaal geen fijne boodschap. Daarom zegt de Heere tegen Elia dat hij zich moet gaan verstoppen bij de beek Krith, want Achab zal op zoek gaan naar Elia. Maar Achab vindt hem niet.

De beek Krith lag ten oosten van de Jordaan. Daar is voorlopig genoeg water. Voor het eten zal de Heere Zelf zorgen. Ja, want de Heere heeft aan vógels, aan ráven opdracht gegeven om Elia te onderhouden. Elia doet wat de Heere hem gezegd heeft, hij vertrekt naar de beek Krith aan de andere kant van de Jordaan en gaat daar wonen.

Zien we Elia zitten bij die beek? Elia zit er eigenlijk als een soort kóning, als koning over de schepping. Hij wordt gediend door de dieren, het lijkt wel een soort hersteld paradijs. Dat wat leek op vernedering krijgt iets in zich van verhoging, van de bekroning met Gods goedertierenheid. Het is er een teken van: Elia, deze onbegrepen weg is een weg in Gods gunst.

Van het manna in de woestijn en van het water uit de steenrots zeggen we dat het wijst op Christus Zelf. Zo wijzen deze eten-brengende raven ook naar de Heere Jezus. De verslindende raaf moet zijn buit af staan en Elia deelt in de vrucht, de satan wordt verslonden tot overwinning en mensen delen in de vrucht. Wie is Elia in dit beeld dus? Hij is een beeld, een symbool van de erfgenamen van God en van Christus, van mensen met een nieuw hart ten behoeve van wie de wereld met al het geschapene er nog is.

Kennen we op dankdag iets van de volheid van Christus waarin voor álles gezorgd wordt? En dan bedoel ik met ‘alles’ ook echt ‘alles’.

De Heere wijst Elia de weg, dat eerst. Voor u ook, het afgelopen jaar? En voor jou? Maak het maar zo breed als je zelf wilt. Misschien had je er bij jezelf de nodige bedenkingen bij. Hoe zal het gaan? Zal het wel gaan? Maar Elia gíng. Bedenk dat het zo nog kan gaan wanneer de Heere wegen wijst. Die wegen kunnen voor veel vragen zorgen. Die wegen kunnen haaks staan op wat je als mens zou bedenken. Denk aan Filippus die de weg gewezen kreeg naar het zuiden, de weg die woest is en leeg. Maar hij ging.

Zo ging het dus eerder ook met Elia. Dit is je weg, Elia. En hij ging. Dan is dankdag houden ‘amen’ zeggen. Het is waar en zeker, ik zal doen wat U zegt, Heere. Maar dan ook het andere. Misschien weten we nog waar we op biddag om gebeden hebben. Ik hoop dat we dan ook weten waar we op dankdag voor danken moeten. Maar ook waarom we daar op dankdag voor danken moeten. Namelijk omdat je het hebt ontvangen – uiteindelijk van de Heere alleen. Denk maar aan Elia. Wat voelde hij zich afhankelijk van de Heere en wat heeft de Heere goed gezorgd. Zo was het ook voor ons. In de weg van de afhankelijkheid blijkt zelfs in de kleinste dingen de zorg en goedheid van de Heere. Dan ga je leren hoe waar het is: Hij geeft het Zijn beminden zelfs in de slaap. Wat heb je dan met Elia aan de oevers van die eenzame en onherbergzame beek Krith een goed leven! Veel beter dan Achab heeft in zijn paleis. Elia heeft wat hij kreeg, ontvangen in de gunst van de Heere, vanuit Zijn liefdeshart. Dat maakt alles uit!

Elia kreeg een les in diepe en totale afhankelijkheid: Elia, vertrouw op Mij, Ik zal voor je zorgen, zei de Heere. Hij moest leren gehoorzamen in het gaan naar de beek Krith, en ook in het rustend wachten. Elia moest leren dat Gods gedachten hoger zijn dan de zijne. Maar vooral moest Elia onderwijs krijgen in het geheim van Gods liefde voor hem.

Naar Achab toe sprak hij van God als de wrekende Gerechtigheid. Maar hij ontmoet hier God als de Barmhartige. Roofdieren worden zelfs ontboden en ze dienen hem – dat is liefde, de liefde van Christus.

Hebben wij zo de afgelopen periode ons brood gegeten en ons water gedronken? Dan mag je zeggen dat je elke dag geleefd hebt uit Gods hand, en het smaakte alles naar genade. Wat een zegen is dat. Wat zal Elia de Heere gedankt hebben daar bij het water.

Zijn machtig’ arm beschermt de vromen,

En redt hun zielen van den dood;

Hij zal hen nimmer om doen komen

In duren tijd en hongersnood.

In de grootste smarten

Blijven onze harten In den HEER gerust;

‘k Zal Hem nooit vergeten,

Hem mijn Helper heten,

Al mijn hoop en lust.

Ds. R.A.M. Visser

HOOP OP HERLEVING

‘Breng ons weder, o God onzes heils, en doe te niet Uw toornigheid over ons. Zult Gij eeuwiglijk tegen ons toornen? Zult Gij Uw toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht? Zult Gij ons niet weder levend maken, opdat Uw volk zich in U verblijde?’ (Psalm 85:5-7)

We weten allemaal dat het niet goed gaat in ons land. De geestelijke toestand van ons land, dat ons lief is en waarin wij met onze opgroeiende kinderen leven, verslechtert in hoog tempo. In veel gezinnen, maar ook op politiek niveau en in de rechtbanken wordt het Woord van God vertrapt en afgewezen. Wat in vroegere generaties werd gefluisterd, wordt vandaag geschreeuwd en van de daken geroepen. We zijn een land waarop de toorn en de wraak van de Heere rust!

De dichter van Psalm 85 verkeert in nood. Toch geeft hij de schuld van zijn situatie niet aan de Babyloniërs of de Perzen of welke vijand van het volk van Israël dan ook. De historische context van Psalm 85 is niet helemaal duidelijk, maar wel duidelijk is dat de dichter in vers 4 spreekt over Gods verbolgenheid over Zíjn vólk. Keer af uw toorn over óns. Hij kijkt niet naar de wereld en de kwaden om hem heen. Hij kijkt naar zichzelf.  Ons. Wíj hebben gezondigd. Het bederf van een land begint altijd bij de kerk, wanneer het getrouwe, profetische geluid van Gods Woord wordt gedempt en tot zwijgen wordt gebracht. Wanneer het zwaard van de Geest bot wordt of verhuld wordt.

Waarom is er een herleving nodig binnen onze kerken? Dat is omdat onze kerken de toorn van Jehova tonen. Ons lánd ligt onder de toorn van God. Lees bijvoorbeeld eens Romeinen 1 en u ziet om ons heen gebeuren wat daar staat. Waar gaan we heen? De geschiedenis herhaalt zich. God oordeelt elk volk, elk land, op dezelfde manier. Vooral landen die het Woord van God hebben ontvangen. En dat hébben wij. Aan ons zijn de woorden van God toebetrouwd! Niet alleen ons land, ook onze kerken vertonen bewijzen van Gods rechtvaardige toorn.

Waarom houdt God Zich van ons terug? Er zijn veel redenen, gemeente, om onszelf te onderzoeken, als ambtsdragers en als kerkgangers. Wij moeten onderzoeken. ‘O God, doorzoek mij, ken mij, beproef mijn hart. Laat mij dan zien: wat is het? Wat is het, in mij, in mijn dienstwerk, in mijn denken en in mijn hele leven dat U doet terugdeinzen en waardoor U Zich van ons terughoudt?’

Wat zal herleving doen? In vers 7 lezen we over de vrucht van herleving: opdat Uw volk zich in U verblijde. Dat Uw volk zich in U mag verheugen en Gods heil mag ervaren. Opwekking uit de hemel zal herstel brengen van wat vergaan is, herstel van wat ingezonken, dof, zwak en vreesachtig is geworden.

Waar is de hoop op zo’n herleving in onze dagen? Nu vraagt de psalmdichter: Zult Gij Uw toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht? Van generatie op generatie? Wat gebeurt er dan met onze kinderen en onze kleinkinderen en onze achterkleinkinderen? Wat is dan de grond van zo’n hoop op opwekking?

Vrienden, die hoop ligt in de soevereiniteit van God. Dat is de hoeksteen van de hoop. Dat is de hoeksteen van troost. Dat is de rots van de Schrift. God is soeverein. Hoewel wij niets anders verdienen dan weg te zinken in het gat dat wij hebben gegraven, is Hij soeverein om Zijn eigen zaak te doen herleven en Zijn volk te bezoeken en Zijn glorie in deze gevallen wereld voort te brengen.

Kom, hoe begon het in het paradijs, toen de mens van God wegliep? Toen wij in opstand kwamen tegen de Almachtige, toen wij Zijn werk vernietigden, was er toen de hoop op een zoekende God? Hij is een soevereine God. Hij kwam, zoekende, zoals Hij vandaag kwam en zocht.
Als het van onze kant moest komen, dan zou er geen hoop zijn. Dan zou alleen de duisternis er zijn van onze diepe val. Dan zou er vandaag voor ons geen verwachting zijn. De psalmdichter brengt ons tot dat punt in de laatste helft van deze Psalm, waarin hij op zo’n poëtische manier de glorie van Jezus Christus naar voren brengt in eigenschappen, die schijnbaar tegenstrijdig zijn en toch samengaan. Gerechtigheid en vrede zullen elkander kussen. De psalmdichter leidt ons naar het kruis. Het kruis van Jezus. Inderdaad, het is alleen in Hem en door Hem, dat onze heilige en rechtvaardige God een weg heeft uitgedacht waardoor Hij barmhartigheid kan tonen en over ons en onze generaties de Heilige Geest kan uitstorten, om ons te doen herleven en ons te herstellen. Het is alleen vanwege Christus’ verdiensten en Zijn opstandingsleven, waardoor Hij dood en satan en zonde heeft overwonnen, dat Hij ook vandaag vrij en soeverein in ons midden kan komen om ons opnieuw te herstellen, om ons opnieuw te verlevendigen. Alleen Hij is de Hoop op herleving in onze dagen!

Ds. A.T. Vergunst

ZIJN WOORDEN IN UW HART

‘En deze woorden, die ik u heden gebied, zullen in uw hart zijn’ (Deuteronomium 6:6).

Deze woorden komen uit de afscheidspreek van Mozes tot zijn volk. Hij houdt deze preek met grote ernst en liefde en met een priesterlijk bewogen hart. Gods woorden, Gods wet. De Tien Geboden zoals die ons elke zondag als een spiegel worden voorgehouden. Deuteronomium betekent letterlijk ‘herhaling van de wet’. Mozes ziet het volk, de kinderen Israëls, de vaders en de moeders, de ouderen en de kleine kinderen. Hij denkt aan de wereld waarin hij leefde en de kinderen groot werden – deze Gode vijandige wereld. Hij denkt aan de omringende heidenvolkeren. Hij weet dat zijn eigen volk zo gemakkelijk aansluiting zoekt en vindt, en de knieën zo makkelijk buigt voor de afgoden. Hij onderkent dat het zich hardnekkig vermengt met de omringende heidenvolkeren. Hij weet van hun boze, verdorven hart, want Mozes is een man die zelfkennis heeft. Hij is van dezelfde lap gescheurd.
Eerst wijst Mozes het volk op de goedheid en de trouw van de Heere, op Wie God voor hen geweest is. Hoe Hij hen uit Egypteland uit het diensthuis uitgeleid heeft. Dan herinnert Mozes het volk eraan hoe de woorden van God vol majesteit plechtig klonken vanaf de Sinaï: ‘Ik ben de Heere, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb’ (Ex.20:2). De woorden Gods.
U ziet een samenvatting van die woorden in vers 5: ‘Zo zult gij den HEERE, uw God, liefhebben, met uw ganse hart en met uw ganse ziel en met al uw vermogen’. Mozes mag als een hemelgezant het volk voorhouden: ‘O Israël, houdt u toch aan Gods Woord en blijf dicht bij de Schrift. Wees gehoorzaam. Houdt u aan al de inzettingen en geboden die ik u gebied, en aan uw kinderen en kindskinderen.’
In vers 3 staan ook vier belangrijke woorden. In die woorden staat het doel van de prediking, het doel van het verenigingswerk. Gods doel met de middelen van Zijn genade: Opdat het u welga. Deze woorden zijn de kern.
Daarom zit je op een christelijke school, jongens en meisjes. Daarom ben je geboren uit christelijke ouders. Daarom gaat Gods Woord elke dag open en krijg je catechisatie. Daarom kom je ook in de kerk: opdat het je welga! God heeft geen lust in je dood en in je ondergang, die je wel hebt verdiend door je zonden. Maar de Heere heeft daar geen lust in, maar Hij wil dat je je bekeert. Hij wil dat je gehoorzaam bent en leeft en Hem liefhebt, opdat het je welga. Jullie weten toch wel dat de Heere geen genoegen neemt met verstandsgodsdienst? Daarmee kun je voor God niet bestaan, omdat de echte liefde daarin wordt gemist. De wortel van de wedergeboorte ontbreekt. De woorden van God moeten in uw hart zijn. Het mag niet alleen buitenkant zijn. Het begint vanuit God, de liefde van God, moet in uw hart zijn. De Heere ziet het hárt aan. Als er één mensenkennis heeft, dan is het Mozes. Hij heeft heel wat meegemaakt met dat volk. Hij kent ook zijn eigen hart. Hij weet van de eeuwige genade en de liefde van God in zijn persoonlijke leven. Daarom zegt hij: ‘Deze woorden die ik u heden gebied, zúllen in uw hart zijn.’
Ons hart moet worden verbroken. Het moet worden opengemaakt. U zegt: ‘Ik heb te veel gezondigd. Mijn hart is te hard. Ik ben te oud. Mijn hart is te gesloten. Ik ben te onwillig.’ U bent niet te onwillig. U bent niet te oud. U hebt niet te veel gezondigd. Uw hart is niet te hard. De Heere verbreekt nog steeds harde harten. Eén druppeltje van Zijn liefde en dan is het gebeurd. Hij maakt nog steeds van vijanden vrienden. Hij is de grote Herschepper. Hij doet het door Zijn Woord, onder de preek, op de catechisatie, op de vereniging en thuis door Woord en Geest. Gods Woord is als dynamiet. Het is een kracht Gods tot zaligheid. Een zaad van wedergeboorte voor eenieder die gelooft. Daarom: het kan ook voor u en jou. Je hoeft niet te wanhopen. Hoop toch op de Heere en kom aan Zijn voeten zoals je bent.
Mozes zegt als tolk van de hemel tegen u de woorden van Gods genade. De boodschap van heil, de blijde, goede boodschap in deze ondergaande wereld: die woorden moeten in uw hart zijn. Ziet u het gebiedende in de woorden van onze tekst: ‘Deze woorden die ik u heden gebied (…)’. ‘Zo gij Zijn stem dan heden hoort, gelooft Zijn heil en troostrijk woord. Verhard u niet’. U kunt hier niet onderuit, want de boodschap is helder genoeg! Hier kun je niet over discussiëren. Zo mogen we met deze boodschap niet omgaan. De woorden zúllen in uw hart zijn. Ik gebied het u.

Ds. D.W. Tuinier

DE WOLKKOLOM EN DE VUURKOLOM

‘En de HEERE toog voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom, dat Hij hen op den weg leidde, en des nachts in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht. Hij nam de wolkkolom des daags, noch de vuurkolom des nachts weg van het aangezicht des volks’ (Exodus 13: 21 – 22).

De vakantietijd is weer aangebroken. Velen gaan op reis, op weg naar hun vakantiebestemming. Misschien ver weg in het buitenland of misschien wat dichterbij. Of misschien blijft u het liefst thuis. Ook dan moeten we niet vergeten dat we allemaal op reis zijn, ook al gaan we niet weg in de vakantie. De Bijbel, het Woord van God, leert ons, dat we reizigers zijn op weg naar de eeuwigheid. We reizen naar de grote eindbestemming. In Exodus 13 gaat het over de grote Reisleider op deze reis. ‘En de Heere toog voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom (…) en des nachts in een vuurkolom’. De Heere toog voor hen uit. God gaat het volk van Israel én ons voor. De Heere gaat voor op die voor ons onmogelijk schijnende weg. Hij is de grote Reisleider, de grote Gids. Laten we de tekst goed lezen. Het gaat over de wolkkolom en de vuurkolom. Wellicht denken we dat die hen voorgingen, maar dat staat er niet. Er staat niet dat ze het daarvan moesten hebben. Nee, de Héére toog voor hun aangezicht des daags in een wolkkolom en des nachts in een vuurkolom. Het is de Heere Zélf. God Zelf gaat mee.

De weg door de woestijn was geen makkelijke weg. Maar de Héére toog toch voor hun aangezicht? Dan gaat het toch allemaal goed? Als de Heere meegaat en er is schaduw van de wolkkolom overdag en ’s nachts een vuurkolom, dan gaat het toch best? Ja, hadden ze dat nu maar steeds geloofd. Hadden ze daar nu maar altijd op vertrouwd, maar we lezen iets anders.

Daar staan de Israëlieten voor de Rode Zee. Ze kunnen niet verder. Hoe moet het nu? Vóór hen de Rode Zee, opzij de bergen en achter hen de vijand. Een onmogelijke weg. En dan beginnen ze te klagen, te murmureren. Je zou zeggen: ‘Ja maar, de Heere heeft u toch uitgeleid? Kijk eens naar de wolkkolom en de vuurkolom. De Heere zal u bewaren, Hij zal u beschermen. De Heere is uw Herder, u zal niets ontbreken. Vertrouw op Hem.’ Maar dán blijkt dat het ongeloof en het verdenken van de Heere nog zó sterk is. Dan beginnen ze te mopperen en te murmureren. Ze spreken tegen Mozes en Aäron: ‘Waarom hebben jullie ons uit Egypteland geleid? We hadden beter in Egypte kunnen blijven.’ Wat hebben ze harde gedachten van God.

We lezen in vers 22: Hij nam de wolkkolom des daags, noch de vuurkolom des nachts weg van het aangezicht des volks. Wat een wonder! Heel die reis door de woestijn, nam Hij de wolkkolom en de vuurkolom niet weg, ondanks alle zonde, ondanks het ongeloof en de harde gedachten die ze soms van de Heere hadden. O, wat een trouw! De Heere is zo getrouw als sterk. Hij is de Getrouwe, de Eerste en de Laatste. Hij leidde het volk uit Egypteland en Hij leidde hen heen naar het beloofde land. Telkens weer kwam de Heere hen te hulp. Verderop in de geschiedenis beginnen ze wéér te mopperen als er geen water is. Maar de Heere opent de rots en er komt heerlijk fris stromend water uit. Als ze honger hebben, geeft de Heere dat heerlijke manna uit de hemel. De Heere is goed.

Wat is dat wonderlijk. Ondanks het gemurmureer, het ongeloof, het gemopper en de boze gedachten: ‘Mozes, zijn we daarvoor nu uit Egypteland gegaan? Moeten we nu hier sterven?’ Ondanks al dat ongeloof is de Heere de Getrouwe. Wat is dat een troostrijke gedachte. Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten (Hebr.13:5). Hij nam de wolkkolom des daags, noch de vuurkolom des nachts weg van het aangezicht des volks (Exodus 13:22). Is het u weleens een wonder geweest?

Misschien zijn er vandaag mensen die zeggen: ‘Ik ben moedeloos. De weg is lang en moeilijk. Zou ik wel ooit het Beloofde Land ingaan? Ik vrees dat ik halverwege nog voor eeuwig zal omkomen.’ De Heere is de Getrouwe. Hij nam de wolkkolom en de vuurkolom niet weg, ondanks moedeloosheid, ondanks zonde en ongerechtigheid. Asaf zingt in Psalm 73: Hoe donker ooit Gods weg moog’ wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vrezen. In Psalm 68 zingen we over de woestijnreis van het volk van Israël uit Egypte naar Kanaän: Daar staat niet: Gij hebt de kinderen van Israël dat land bereid door Uw sterke land. Nee, er staat: Gij hebt ellendigen dat land bereid door Uwe sterke hand, o Israëls Ontfermer. Zó komen ze Thuis!

 

Ds. J.B. Zippro

OVERVLOEIENDE BEKER

‘Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende’ (Psalm 23:5).

De beker van verlossing is een overvloeiende beker. Deze beker is gevuld met de zegen van de vergeving der zonden, de toerekening van Christus’ gerechtigheid, de aanneming tot kinderen van God, de verzegeling met de Heilige Geest en de bewaring tot de eeuwige zaligheid. Is dat geen overvloeiende beker?

Velen van Gods kinderen hebben niet zo’n overvloeiende beker. Zij zeggen het David niet na: ‘mijn beker is overvloeiende’. Zij gaan klagend en zuchtend hun weg. Zij zijn heel hun leven aan de dienstbaarheid onderworpen en van de jeugd doodbrakende. Zij kunnen David en andere kinderen van God niet begrijpen, die spreken van een overvloeiende beker van troost en zielenvreugde. Zij vertellen u hoelang en ernstig zij al proberen om hun beker te reinigen van alle zonde en onreinheid. Zij zoeken hun beker schoon te wassen met tranen en berouw. Zij zoeken hun beker geschikt te maken voor de ontvangst van Gods genade in de weg van gebeden en heilige ernst. Zij vergeten echter dat de enige weg om de beker gevuld te krijgen, is om met een lege beker tot Christus te gaan. Zij zien niet, dat wij dan het meest geschikt zijn om door Christus gered te worden, wanneer wij als een ongeschikte en onwaardige tot Hem gaan. Onze beker blijft zo leeg, omdat wij het bij de gebroken bakken van het werkverbond zoeken. Wij zijn meestal nog zo rijk met ons klagen. Wie met een lege beker en een dorstig hart tot Christus komt, zal spoedig met David kunnen instemmen: Mijn beker is overvloeiende.

Wat een gezegende Herder is Jehova! David zingt van Hem: ‘Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende.’ Hoe groot uw zonden ook zijn; het bloed van Jezus Christus kan u genezen. Zoals het water van de zondvloed ver boven de hoogste berg uitrees, zo stijgt het bloed van Christus in kracht uit boven uw schuld en zonden. Van Christus zegt God in Zijn Woord: ‘Waarom Hij volkomen zalig maken kan, al degenen, die door Hem tot God gaan.’ De Zaligmaker Zelf voegt er aan toe: ‘En die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen.’ Vlucht dan toch tot deze Zaligmaker! Vertrouw uw

ziel in Zijn handen. Zie op een bloedende Jezus en roep: ‘Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner!’ U kunt zichzelf niet genezen. Het is zo waar, wat Luther aan de jonge Melanchton die zichzelf ook trachtte te genezen, schreef: ‘De oude Adam is te sterk voor de jonge Melanchton’.

De genezing is alleen te vinden in het bloed van Christus. Wij kunnen het bedreven kwaad niet ongedaan maken en de boosheid van ons hart niet genezen. De hemelse Herder kan dit wel. Hij staat gereed met de balsem van Gilead om alle gebrokenen van hart te helen. Davids beker was overvloeiende. Mensen zoeken hun levensbeker te vullen met geluk en vreugde. Wat dat betreft zijn wij allen op zoek naar het verloren Paradijs. Zij slagen er echter nooit in om hun beker te vullen. Zij zoeken hun beker gevuld te krijgen bij de verkeerde bron. Zij zoeken voldoening te vinden in rijkdom, macht, roem, plezier en genot. Dorstig haasten zij zich tot de gebroken bakken van een leven zonder en buiten God en Christus. Maar de wereld kan onze beker niet vullen. De wereld is gelijk aan de dochters van de bloedzuiger, die alleen maar roepen: geef, geef! Toen Alexander de Grote de gehele wereld aan zich onderworpen had, liep hij wenend door zijn paleis. Op de vraag van zijn hovelingen wat er aan scheelde, antwoordde hij: ‘Ik ben bedroefd omdat er maar één wereld te overwinnen is.’ Er is geen geluk en voldoening buiten God. Teleurstelling is het einde van een zoeken naar geluk buiten God en Christus.

Doe daarom niet als de goddelozen, die luid roepen: ‘Wijk van ons, want wij hebben aan de kennis van Uw wegen geen lust.’ Hem zal eens een beker ter hand gesteld worden, waarvan de Schrift zegt: ‘Want in de hand des Heeren is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit, doch alle goddelozen der aarde zullen zijn droesem uitzuigende drinken’ (Jeremia 51:7).

Gods kinderen worden echter aan de ingang van de eeuwige schaapskooi opgewacht door hun hemelse Herder. Zij zullen geleid worden naar de fonteinen van het water des levens en voor eeuwig met David zeggen: ‘Mijn beker is overvloeiende.’

Ds. C. Harinck

BLUST DEN GEEST NIET UIT

‘Blust den Geest niet uit.’ (1 Thessalonicenzen 5 : 19)

Gemeente, hoe blussen wij de Geest uit? We lezen in het volgende vers: Veracht de profetieën niet. Dat is het eerste antwoord op de vraag. De profetieën en de geschriften – daarin moet u zoeken. U moet zoeken om Jezus daarin te ontmoeten. Om Jezus te zien in al Zijn heerlijkheid, in heel Zijn werk, in Zijn Persoon. Alleen dan, als daarmee het vuur in uw hart wordt gevoed, als u de Heere Jezus meer en meer in uw hart ervaart, alleen dan gaat het vanbinnen branden. Daarom spreekt Paulus in elke brief zo veel over de Heere Jezus. Om iets te zien van Jezus, iets te proeven, te ervaren, moet u de Schriften niet verachten. Smeek juist om verlichte ogen van uw verstand, opdat u Hem meer en meer mag zien in de profetieën, in het Woord. Dat maakt uw hart brandend. Wij mogen het Woord niet verachten, maar moeten het doorzoeken. We moeten het bestuderen én erover mediteren. We moeten in dat Woord blijven zoeken, en zo zorgen voor nieuw hout op ons vuur. O, bidt dat predikers met de Heilige Geest vervuld mogen zijn, opdat we de heerlijkheid van de Heere Jezus en in Hem de openbaring van de Vader mogen uitstallen. Niets overtuigt ons méér van onze zonde dan het zien van de heerlijkheid en lieflijkheid van de Heere Jezus Christus. Veracht de profetieën niet. Zucht, zoek, bid, graaf, totdat u Hém mag zien. Wees pas tevreden totdat u Hém mag zien. Dat is het werk van de Heilige Geest. Blus Hem niet uit. Als u Hem uitblust, doet Hij niet meer waartoe Hij gezonden is. Waartoe is Hij gezonden? Om ons meer en meer de heerlijkheid van de Heere Jezus te laten zien. Dat verandert een mens. Dat geeft troost, dat geeft kracht, dat geeft sterkte. Dat geeft liefde, zelfs voor uw vijanden. Zie eens hoe Jezus in de opoffering van Zichzelf, Zijn vijanden heeft liefgehad! Hij is voor hen de vloekdood aan het kruis gestorven. Zó kunt u Jezus zien, als we geen uitgebluste Geest hebben. En dan wordt het toch ook mogelijk om uw vijanden lief te hebben.

Vuur kun je uitblussen door er water op te gooien. Nog beter is het om er een deken overheen te gooien. Het vuur verstikt omdat er geen zuurstof meer bij komt. In vers 21 en 22 van dit hoofdstuk staat: Beproeft alle dingen; behoudt het goede. Onthoudt u van allen schijn des kwaads. Dat is duidelijk, toch? We kunnen de Geest uitblussen door met allerlei dingen bezig te zijn die om ons heen gebeuren. Paulus zegt: Beproeft alle dingen. Paulus bedoelt daarmee: We moeten in gehoorzaamheid geoorloofde keuzes maken. Deze woorden betekenen niet dat we alles maar even moeten bekijken, en betasten of bezien. Kent u of jij die strijd ook? U voelt het in uw geweten: U ziet iets, u hoort iets en ineens komt de gedachte naar boven: Niet doen! Ja, wel doen, zegt het vlees. Wie zegt dat: Niet doen? Dat zegt de Geest Die in u woont, kinderen van God. De Geest woont in u, Hij is daar altijd. En Hij zegt: Niet doen. En als u het dan tóch doet, blust u de Geest uit op dat moment.

Er staat ook: Onthoudt u van alle schijn des kwaads. De duivel komt veel vaker in een mooi pak dan in zijn ware gedaante. Het is zo makkelijk om in het kwaad te vallen. We worstelen allemaal met het kwaad U en ik ook. Daarom is het zó belangrijk om naar de Geest te luisteren, de Geest Die in u woont en Die in u spreekt. Die met u meeloopt en zelfs met u mee zucht. Wees er zuinig op. Voorkom toch dat Hij uitgeblust wordt. Begin daarom iedere dag met geestelijke brandstof, in plaats van het aardse stof dat uitblust. Lees in de eerste plaats uw Bijbel. Geef uw eerste gedachte, het eerste begin van de dag, geef dat aan de Heere. Wees eens stil met Hem, een uur, een halfuur als je wat minder tijd hebt, maar laat er niets tussen komen. Laat de Geest, door het Woord, uw hart versterken voor de dag die komen gaat.

Paulus zegt: Maar indien gij door den Geest de werkingen van het lichaam doodt, zo zult gij leven. Mooi hè. De Geest geeft ons als het ware de richting en de waarschuwingen, en ook de kracht om de werkingen van het lichaam te doden. Maar wie moet die werkingen doden? U, jij, ik. Door de kracht van de Geest! Woont Hij in ons? Dan gaan we leven. Dan gaat het geestelijke leven bloeien, dan gaat het gloeien door het vuur van de Geest.

Ds. A.T. Vergunst

STEFANUS’ LAATSTE WOORDEN

‘En zij stenigden Stéfanus, aanroepende en zeggende: Heere Jezus, ontvang mijn geest. En vallende op de knieën riep hij met grote stem: Heere, reken hun deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had, ontsliep hij’ (Handelingen 7:59 en 60).

Het leven van Stéfanus loopt op een einde. Althans, zijn leven hier op aarde. Zijn rechters hebben hem buiten de poort gesleept en dan volgt de steniging. Het is een pijnlijke aangelegenheid en ook een heel beledigende dood. Maar de Heere zal genade en eer geven. Hij vervult Zijn woord, zoals Jesaja dat eeuwen geleden sprak: ‘Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken. Want Ik ben de HEERE, uw God, de Heilige Israëls, uw Heiland’ (Jes. 43: 2 en 3). Hoe duidelijk blijkt dat in Stéfanus’ leven. Wat krijgt de man Gods een rijke stervens-genade. Ze zijn ze bezig om Stéfanus dood te gooien. Dat kun je je niet voorstellen wat dat is.

Maar let op, Stéfanus gaat op dát moment bidden. Hij riep de naam van de Heere aan en hij zei: Heere Jezus, ontvang mijn geest. Hoe kan het, dat iemand dat doet in de laatste ogenblikken van zijn leven? Het is een weldaad die over Stéfanus komt. Dit gebeurt vanuit het volbrachte werk van Christus. Er loopt een lijn van deze stenigingsplek naar het in de buurt gelegen Golgotha. Daar heeft het kruis gestaan van Hem, Die geroepen heeft: ‘Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest’ (Luk. 23: 46). Vanuit dat werk van Christus, vanuit die bede van de Zoon van God, mag ook Stéfanus zich richten tot de hemel. Terwijl de hel is losgebarsten, houdt Stéfanus zijn Heere en zijn Koning over en zegt: ‘Heere Jezus, ontvang mijn geest’.

Stéfanus’ laatste woorden hebben niet alleen betrekking op zijn geest, maar ook op zijn stenigers. We lezen namelijk: ‘En vallende op de knieën, riep hij met

grote stem: Heere, reken hun deze zonde niet toe!’ Wat werkt de Heilige Geest hier krachtig. Want Stéfanus valt op zijn knieën, niet omdat hij niet meer kan, vanwege uitputting of krachteloosheid. Hij valt heel bewust op zijn knieën om te bidden.

In het uur van zijn dood smeekt hij voor zijn vijanden, voor zijn stenigers. De liefde van Christus die zijn hart vervult, doet de naaste geen kwaad. Wie zelf iets van de liefde van God in Christus heeft gesmaakt, die gunt ook de naaste de zaligheid, al gedraagt die naaste zich nog zo vijandig. Al neemt hij zelfs stenen op.

Dit waren Stéfanus’ laatste woorden. Vanaf nu is de mond van Stéfanus gesloten, want zo besluit de tekst: ‘Als hij dat gezegd had, ontsliep hij.’ Ontsliep hij. Dat is toch een merkwaardig woord op deze plek. Wat betekent dat? Dat betekent inslapen met de hoop, de verwachting weer wakker te worden. Nu, Stéfanus gaat inslapen met de hoop, met de verwachting, dat hij weer wakker zal worden. Het Sanhedrin verplettert Stéfanus onder een regen van stenen, maar op z’n gezicht ligt de uitdrukking van de hemelse vrede. Ontslapen in Christus, dat is ingaan in de eeuwige heerlijkheid. Stéfanus is verlost, God heeft hem welgedaan. De Heere heeft hem thuisgehaald, want als hij de laatste adem hier op aarde uitblaast, staan de engelen klaar om hem te ontvangen en te brengen voor de troon van God en van het Lam. Daar is zijn Heere, daar is zijn Koning, Die voor hem gestorven is, opdat het sterven van Stéfanus een doorgang tot het eeuwige leven zou zijn. Stéfanus is met de kroon van de rechtvaardigheid gekroond, omdat Jezus gekroond was met de doornenkroon.

Zo mag het kind van God vanuit deze geschiedenis ook moed scheppen op zijn pelgrimstocht. Pas er op die pelgrimstocht voor op dat u niet verstrikt raakt in de zonden die de welvaart van deze tijd in het bijzonder, met zich kunnen brengen. Met de wereld door één deur gaan, sluit het martelaarschap uit. Vanuit dit woord van God is het niet en/en maar is het of/of. Het Woord zegt ons duidelijk: ín de wereld, maar niet ván de wereld. Dan is er het wenkend perspectief van het Koninkrijk van God. Daar gaat het naar toe met al de heiligen Gods. Speuren we zo de einder van de tijd af of Hij komt? Maranatha, de Heere komt.

Hoe vreselijk is het om buiten deze Zaligmaker te moeten sterven. Wie zonder het bloed van het Lam voor Christus moet verschijnen, die moet voor eeuwig omkomen. En daarom, vanuit die laatste woorden die er over Stéfanus geschreven staan, klinkt de roepstem: ontwaakt gij die slaapt en staat op uit de doden en Christus zal over u lichten.

Het kruis van Christus is bepalend geweest in het leven van Stéfanus en dat is ook bepalend in het sterven van Stéfanus. Een inslapen met de verwachting wakker te worden. Dat is heengaan met Jezus in het oog en met de zaligheid in het hart. Amen.

Ds. R. Kattenberg

Gedeelte uit een preek die gepubliceerd is op www.prekenweb.nl

DE OVERWINNING IN JEZUS’ STERVEN

DE OVERWINNING IN JEZUS’ STERVEN

“En Jezus, roepende met grote stemme, zeide: ‘Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij den geest’’ (Lukas 23: 46).

Jezus is op Goede Vrijdag overwinnaar en geen verliezer. Geweldige dingen zijn er op Golgotha gebeurd: op Goede Vrijdag. Jezus heeft daar, door Zijn dood, de dood gedood. Jezus heeft daar de duivel de kop vermorzeld. Hij heeft hem al zijn aanspraken op de uitverkorenen uit handen geslagen. Tot nu toe kon hij de kinderen Gods verklagen en zeggen: ‘Zij hebben geen recht op de hemel. Hun zonden zijn nog niet verzoend.’ Jezus’ verzoenend sterven is de doodsteek voor de duivel. Hij verliest zijn macht en zijn aanspraken.

Jezus overwint de duivel door plaatsvervangend voor de zonden van Zijn kinderen te sterven. Hij betaalt de losprijs voor hun vrijlating. Satan móet hen laten gaan, zonder geld en zonder prijs. Jezus heeft op Golgotha de dood overwonnen. Of zoals John Owen het uitdrukte: Hij doodde de dood door Zijn dood. Door het verzoenend sterven van Christus verliest de dood zijn macht en verschrikking. Jezus heeft de prikkel waardoor de dood kon doden, namelijk de zonde, weggenomen. Hij heeft als het ware het zwaard waarmee de duivel ons ombrengt genomen en heeft daardoor de kracht van de duivel gebroken.

Maarten Luther zegt nu van de duivel: ‘Hij kan nog wel brullen, maar hij is ten diepste een leeuw zonder tanden.’ In het eerste hoofdstuk van het Bijbelboek Openbaring zegt Jezus: ‘En Ik heb de sleutels van de hel en van de dood.’ Eenvoudig gezegd: de duivel heeft zelfs de sleutels van zijn eigen vesting niet meer. Die zijn nu in handen van Christus.

Na Goede Vrijdag volgen Jezus’ opstanding met Pasen en daarna Zijn Hemelvaart. Hij zit nu aan Gods rechterhand. Maar Hij zal terugkomen op de wolken des hemels en recht spreken over levenden en doden. In dát licht denken we op Goede Vrijdag aan Golgotha, aan Jezus’ sterven.

Jezus is gestorven om in het sterven van gelovigen dichtbij hen te kunnen zijn. Zonder Zijn sterven zou Jezus ons lijden en sterven niet kunnen begrijpen. Hij zou geen medelijdend Hogepriester kunnen zijn. Hij zou moeten zeggen: Tot hiertoe ben ik met je meegereisd, maar deze laatste hindernis moet je zelf overwinnen…

Maar Jezus kan ons veilig door de doodsjordaan leiden. Hij kent het pad dat daar doorheen leidt. Hij staat als de Ark ten tijde van Israëls doorgang door de Jordaan, midden in de rivier om de veilige doorgang van Zijn volk te garanderen. Hij kan ook in de dood de overste Leidsman en de Volbrenger van onze pelgrimsreis zijn.

Paulus schrijft in Hebreeën 2 vers 9: ‘(…) opdat hij voor allen de dood smaken zou.’ Jezus heeft de dood als het ware geproefd. Hij weet hoe bitter de dood smaakt, hoe verschrikkelijk de dood is. Dáárom kan Hij ook dichtbij zijn als Zijn kinderen sterven. De vraag is: Zul je rivier van de dood alleen moeten oversteken of ken je Jezus, de Overwinnaar van dood en graf?

‘Ja, maar daar denk ik liever niet aan. Ik denk niet aan sterven…’ We horen dit vooral jonge mensen nogal eens zeggen. Zij willen nog van het leven genieten. Dan kun je toch niet steeds bij alles denken: ik moet een keer sterven.

Het leven is ons geschonken en daar mag een mens toch van genieten… Ja, dat mag ook. Als je in je Bijbel Prediker 11 vers 9 opzoekt, lees je daar: ‘Verblijd u, o jongeling! in uw jeugd, en laat uw hart zich vermaken in de dagen van uw jongelingschap, en wandel in de wegen van uw hart, en in de aanschouwingen van uw ogen; maar weet, dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor het gericht.’ Verlies dit toch niet uit het oog! Ons leven staat toch in het teken van sterven en eeuwigheid.  Je moet eigenlijk leven zoals je op je sterfbed zou willen geleefd hebben. Wat is dat besef aan het verdwijnen!  Eeuwigheidsbesef hoort bij de Bijbelse opvoeding van onze kinderen: om hun te vertellen dat ze een ziel bezitten en een keer moeten sterven.

Met ons sterven vallen we in Gods handen. En welke handen zullen dat dan zijn? Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God? Als je onbekeerd en onverzoend in Gods handen valt; als je zondigend, spottend, God tergend, in Zijn handen valt – dan zullen dat vreselijke handen zijn. Maar ik wil u opwekken om op andere handen te zien, op de uitgestrekte handen van de stervende Jezus. Rutherford wijst erop dat Jezus met uitgebreide handen is gestorven – bereid om zondaren te ontvangen.  Wijs die nodigende, uitgebreide armen toch niet af!

Jezus oefende geloof in Zijn sterven. Hij vertrouwde Zijn ziel toe in de handen van Zijn Vader. Kinderen van God, dat moet uw laatste geloofsoefening zijn. Die moet luiden: ‘Vader, in Uw handen beveel ik mijn geest!’

Ds. C. Harinck

Gedeelte uit een preek die gepubliceerd is op www.prekenweb.nl