Het grote voorbeeld van Christus’ lijden (1)

‘Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft…’ (1 Petrus 2:21)

“In de gevangenis word ik gemarteld met de bedoeling dat ik Jezus Christus zal verloochenen. Maar ze kunnen Christus nooit van mij afnemen,” schrijft de Amerikaans-Iraanse pastor Abedini. Hij werd opgepakt vanwege het planten van huiskerken en werd onder druk gezet om zijn geloof af te zweren in een Iraanse gevangenis. Gevangenisambtenaren en medegevangenen vinden het de normaalste zaak van de wereld om fysiek geweld te gebruiken tegen christenen. Ze beschouwen het als hun plicht om ex-moslims terug te laten keren naar de islam. “In deze zware omstandigheden heb ik Gods reddende genade nodig om de heerlijke geur van Christus te verspreiden op deze duistere plaats,” schreef de voorganger. De gevangenis in Teheran staat bekend om haar slechte behandeling. Eén op de elf christenen in de wereld wordt gediscrimineerd of gemarteld. Wat kunnen de andere 10 voor hen doen?

De mensen aan wie Petrus deze brief geschreven heeft, hadden het verre van gemakkelijk. Zeg maar gerust: ze hadden het moeilijk. Het zijn de vreemdelingen in de ver­strooiing in Klein-Azië. Mensen die een kleine minderheid vormden te midden van een grote heidense meerderheid en zich spot en hoon moesten laten welgevallen.

Maar onder die mensen was er één categorie, die het extra zwaar had. Dat waren de slaven. ‘Dienstknechten’ worden ze hier genoemd. Slavernij. Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen, wat dat moet zijn: een slaaf te zijn. Als mens verkocht te zijn, zoals een stuk vee. Niet te kunnen gaan en staan, waar je wilt. Je vrijheid benomen. Voortdurend in het oog gehouden te worden. Hard te moeten werken en onver­diend opeens de kans te lopen een pak slaag te krijgen en dan niets terug te kunnen doen.

Als wij dat horen, zeggen we: hoe is het mogelijk dat dit is voorgeko­men in de geschiedenis van de mensheid? In de tijd van Petrus, in de eerste eeuw van onze jaartelling, vond men dat normaal. Maar, als je nu christen was, mocht je er dan ook slaven op na houden? Op die vraag geeft het Nieuwe Testament geen antwoord. Paulus vermaant zelfs de weggelopen slaaf Onesimus om terug te keren tot zijn eigen meester.

Waar Christus komt en waar Zijn Koninkrijk gestalte krijgt in deze wereld, in ons hart, in de gezinsverhoudingen, in de maatschappelijke verhoudingen, daar gaat veel veran­deren. Al was het alleen nog maar, zoals Petrus hier ook schrijft in deze brief, in de onderlinge verhoudingen.

Dan zal een heer, niet in één keer zijn slaven vrijlaten, maar hij zal ze wel heel goed behandelen. Dan is hij begaan met het lot van zijn slaaf. Dan zal de slaaf in zulke nieuwe verhoudingen niet zomaar weglopen. Hij zal wel een voorbeeld worden in gehoorzaamheid en lijdzaamheid.

Dat is nu waartoe Petrus de slaven oproept. Hij zegt: “Mensen, u, die het moeilijk heeft, zie toch op uw grote Meester. Hij zocht u op in de slavernij van uw zonde”. Daarin wilde Hij komen en de Dienst­knecht van alle dienaren worden. Hij wilde als het ware de slavengestalte aannemen. Hij heeft uw banden losgemaakt. Hij heeft u bevrijd. Want wie door Christus vrijgemaakt is, zal echt vrij zijn. Ook als u moet lijden ten onrechte, juist dan. Maar zorg er wel voor dat je niet hoeft te lijden, omdat je er zelf aanleiding toe gegeven hebt, zegt Petrus. Want dat is geen genade van God, dan heb je het er zelf naar gemaakt. Als je jezelf onmogelijk gemaakt hebt, door ongehoorzaamheid, of door diefstal, of door wangedrag en je wordt daarvoor gestraft, is dat geen lijden in de Naam van Christus.

Maar wèl doen, alleen maar goed doen en dan toch moeten lijden, dat is een eer. Dat is genade bij God. Dan gaat u in het voetspoor van uw grote Meester. Het is een gunst om ten onrechte te lijden. Misschien moet u lijden vanwege laster waar je eigenlijk zelf niets aan doen kunt. Waar je niet verant­woorde­lijk voor bent. En dan tóch te moeten lijden. Dat is nu genade bij God, zegt Petrus hier. Want zo worden we het beeld van Christus gelijkvormig. Die moest immers ook ten onrechte lijden. Daarom schrijft Petrus die ontroerende woorden van onze tekst over de Heere Jezus, Die ons in Zijn lijden een voorbeeld heeft nagelaten.

We lezen in vers 21: “Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft…”. Alleen deze woorden al bevatten een mysterie. Christus heeft geleden. Chrìstus!! Daar staan wij bij stil in de lijdenswe­ken. Dat wij moeten lijden, dat is duidelijk. Wij zijn zondaren. Wat is er een lijden op deze wereld. Wat een ellende is er geleden in de oorlogen en nog steeds. Wat een stromen van bloed zijn er gevloeid. Denk ook eens aan een groot deel van de wereldbe­volking, dat honger lijdt. Aan mensen, die geen dak boven het hoofd hebben. Burgeroorlogen, die nog steeds woeden. Vluchtelin­gen en ontheem­den, die nergens terecht kunnen. Mensen in Syrië en in Afrika.

We denken aan al het leed, dat over deze hele wereld komt, en dat ook onze deuren niet voor­bijgaat. Vult u het zelf maar in. Laten we nooit uit het oog verliezen: het lijden is er om onze zonden. De Heere heeft het zo niet gewild. We hebben onszelf in het ongeluk gestort. Op de bodem van alle vragen ligt der wereld zondeschuld.

Nu staat hier niet in de eerste plaats dat wìj moeten lijden, maar dat Chrìstus heeft geleden. Dat is zo’n on­doorgrondelijk geheim, want Hij hoefde toch niet te lijden. Als er Eén was, Die het niet verdiend had en Die nooit zonde gedaan had dan was het toch de Heere Jezus Christus Zelf. Daarom kunnen de gevolgen van de zonde Hem toch niet treffen? Dat is toch niet eerlijk? Dat is toch niet rechtvaardig?

Inderdaad. En dàt is nu het geheim van het plaatsbekledend lijden en sterven van Christus. Dat Hij Borg en Middelaar wilde worden voor zondaren, die het wèl verdiend hadden. Zo zegt Petrus het ook: dewijl Christus voor óns geleden heeft. Dat betekent: ons ten goede. Wie zijn die ‘ons’? Dat zijn diegenen, van wie Petrus in de tweede brief zegt dat ze “een even dierbaar geloof met hem verkregen hebben.”

Hij in onze plaats, zegt Petrus. Dat is met ons verstand niet klein te krijgen. Het Evangelie van de plaatsvervanging. Paulus zegt in 2 Kor. 5: “Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt.” Hij kwam naar deze wereld. Hij nam de gestalte van een dienst­knecht aan.

Hij droeg de straf, Hij stierf aan het kruis. Hij bracht de gerech­tig­heid aan, Hij hield de wet van God. Zo verwierf Hij het eeuwi­ge leven. Dat heeft Christus gedaan. Hij deed wat wij eigenlijk zouden moeten doen en wat wij nooit meer konden doen. In onze plaats ging Hij die weg. Dat alles en nog veel meer schuilt er in die sobere woorden: Christus heeft voor ons geleden. Dat lijden is onherhaal­baar en onnavolgbaar.

Maar, zegt Petrus, al hoeven wij dat lijden van Christus niet over te doen, wij mogen wel onze weg door het leven gaan, ziende op Hem, Die het kruis gedragen heeft en de schan­de veracht. Want, zo zegt Petrus: ‘Hij heeft ons een voorbeeld nagelaten.’ De weg, die wij moeten gaan, ging Hij eerst. Op die weg is Hij voorge­gaan.

Petrus bedoelt te zeggen: als u geslagen wordt, denk dan maar aan die geselslagen, die op Zijn rug neerkwamen. Als u bespot en gesmaad wordt, denk dan maar aan de spot en smaad, die Hij moest incasseren en die Hij zo gewillig heeft ondergaan. Als u vals beschuldigd wordt, denk dan aan die valse getuigen, die tegen Jezus zijn opgestaan.

Hij heeft ons er toe geroepen, zegt Petrus. Geroepen om Zijn smaad te dragen. Het woordje ‘geroepen’ staat er niet voor niets. Wat is het nodig, dat de Heere ons daartoe roept, want anders wilden we het niet. Dan weigeren we om onrecht te lijden. Wie voelt daar nu iets voor, om de weg van lijden en van schande op te gaan? En dan niets terug te zeggen! En als ze je op de ene wang slaan, dat je dan de andere toekeert. Wie voelt daar voor? Niemand! Behalve hij, die de lijdende Zaligmaker heeft lief gekregen.

Ds. C. G. Vreugdenhil

De doop van de Heere Jezus (2)

“Maar Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij van Hem af.” (Mattheüs 3:15)

Johannes de Doper doopte Joden die al besneden waren. Hij doopte met de ‘doop der bekering tot vergeving van zonden’. Dat hij Joden doopte was iets nieuws. Men kende de proselietendoop. Een niet-Jood, die het joodse geloof aannam, onderging deze bekeerlingendoop. In de tijd van Johannes vond men de besnijdenis voor ‘mensen van buitenaf niet voldoende. Zij werden vanwege hun vroegere afgoderij en leven in de zonde als zo verdorven gezien, dat zij helemaal gewassen moesten worden. Die doop tekende hun bekering uit en hun definitieve afstand nemen van het verleden.

Het opvallende is in onze tekst dat ook Jezus gedoopt wilde worden. Hij stelde zich plaatsbekledend onder de zonde om redding en vergeving te schenken aan een ieder die in Hem gelooft. Daarvoor moest Jezus gehoorzaam worden tot in de dood aan het kruis.

Na de vleeswording op het kerstfeest doet Christus een nieuwe stap in de diepte van de verlorenheid van ons mensenbestaan. Hij aanvaard de schuld van Zijn volk als Zijn eigen schuld. Hij draagt het oordeel van God over de zonde. Om zondaren te kunnen verlossen moet het recht zijn loop hebben. De zonde moet gestraft worden. Daarom wil de Heer Jezus gedoopt worden. Uit liefde voor Zijn Vader en uit liefde tot zonda­ren. Hij vernedert Zich.

Hij laat Zich op één lijnstellen met tollenaars en zondaars. Als was Hij een van hen. Vrijwillig buigt Hij onder die schuld als Hij afdaalt in het water. Zo voldoet Hij aan het recht van Gods wet: de ziel die zondigt die zal sterven. Willen u en ik behouden worden dan zullen we moeten weten dat er voor ons betaald is. Daarop wijst de doop van de Heere Jezus. Dat Hij de schuld van al die miljoenen aanvaardt en wegdraagt. Als Jezus wegzinkt onder dat donkere water van de Jordaan is dat een duidelijke heenwijzing naar het kruis. Ziet u de lijn? De doop bepaalt ons bij de diepte van onze verlorenheid. Bij Gods gerechtigheid. De zonde moet gestraft en wij moeten gewassen worden om gered te zijn.

Wat een liefde van Jezus om zondaren te behouden. Jezus moet overdoen wat in het paradijs verkeerd gegaan is. Adam is niet gehoor­zaam geweest. Geen enkel mens is God gehoorzaam geweest. Er is niemand die goed doet. Ja toch: Jezus! Hij deed alles over. Hij herstelde Gods recht.

Hij was eigenlijk de enige Jood, die de doop niet nodig had, maar uit liefde tot de verheerlijking van de deugden van zijn Vader wilde Hij in dat donkere water van de Jordaan ondergaan. Dat water is een beeld van Gods toorn. Zo verwierf de Heere Jezus de verlossing. Dat gaat niet buiten Gods wet en Gods recht om. Gods liefde en recht ontmoetten elkaar op Golgotha, zij kruisten elkaar in het kruis van Christus .

We zien in gedachten Jezus Zijn opperkleed afleggen en afdalen langs de oever naar het water van de Jordaan. We zien hoe Johannes Zijn Meester doopt. Het water van de Jordaan sluit zich boven Jezus’ hoofd. Hij daalt af in de dood. Hij wordt begraven door de doop in de dood. De doop is een graflegging, een profetie van Golgotha. Daar zal Hij hangen aan het kruis. Zijn handen en voeten worden doorboord. We horen Hem bidden voor Zijn vijanden. We horen Jezus roepen: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten’. Maar ook: het is volbracht en het hoofd buigende gaf Hij den geest. Hij is gelegd in een rotsgraf verzegeld met een steen. Jezus is begraven.

Daar wijst Zijn doop heen. Hij roept het daarin al Zijn kinderen toe: Ik maak uw dood tot de Mijne. Uw zonden neem ik op Mij, plaatsbekledend. Zo ontsluit Hij de toegang tot Gods genadetroon. De doop van Johannes is voor Christus het gericht! Het gericht, dat wij ons waardig keuren, als de Heere ons ontdekt aan onze verlorenheid en schuld. Dan zegt u: Heere, ik heb de dood verdiend. U bent rechtvaar­dig als U mij straft met de eeuwige dood. Alle gerechtigheid moet vervuld! Alle eisen van de goddelijke wet.

Maar nu is Jezus gedoopt. Over dat Jordaanwater valt de schaduw van het kruis. Later horen we Jezus zeggen: Ik moet met een andere doop gedoopt worden, en hoe word Ik geperst, totdat het alles volbracht is. Hij ziet hier die weg reeds voor Zich liggen. De drinkbeker, die de Vader Hem geeft, zal Hij drinken. Aan het begin van zijn ambtelijke loopbaan betuigt Christus hier Zijn onuitsprekelijke gewilligheid om voor zondaren te lijden en te sterven en zo in Gods gericht onder te gaan. Hij gaat in Zijn doop naast al die zondaren staan. Hij is in de wereld gekomen om de weg van het offer te gaan. Om zondaren zalig te maken.

Het betaamde Jezus alle gerechtigheid te vervullen. Dat betekent voor ons dat wij uitsluitend op Jezus en Zijn gerechtigheid zijn aangewe­zen! Met uitsluiting van onze eigengerechtigheid.

Wat een troost voor mensen, die hun schuld bij God niet kunnen betalen. Die zichzelf niet kunnen helpen. Die in hun zonden en ellenden, tot Hem zich ter genezing wenden. Wat een geweldige troost mag je dan putten uit Jezus’ doop. Hij is geen Koning, Die onbereikbaar ver van ons afstaat, onaantastbaar en ongenaakbaar. We zien Hem aan het begin van Zijn ambtelijke werk op aarde op zo’n veel betekende plaats: bij de Jordaan, te midden van mensen, die schuldig staan en reiniging nodig hebben. Hij zoekt hen juist op. Hij daalt helemaal af in die schuld en zonde, die nood en dood. Als Jezus Zich in het water van de Jordaan laat ondergaan bij Zijn doop, komt Hij op de plaats waar Hij verloren zondaren vindt. De Koning zoekt Zijn onderda­nen op. En Hij wint ze voor Zich in. Om ze daarna in de ruimte te stellen: De straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem.

Gedoopt worden is niet alleen ondergaan, het is ook omhoog komen uit het water! Als Christus omhoog komt, verrijst Hij uit het watergraf van de dood.

Dat is een heerlijke voorbode van Zijn opstanding in Jozefs hof en een voorspel op zalige opstanding van allen, die in Hem geloven. Zoals het wateroppervlak weer boven Zijn hoofd open brak, zo zal Hij straks aan het eind van Zijn aardse leven het graf openbreken als voorteken van de opstanding der doden.

Toen Jezus omhoog kwam uit het water gebeurde er iets bijzonders. We lezen: ‘… en ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag de Geest Gods nederdalen, gelijk een duif, en op Hem komen.’ Wat een heerlijk evangelie. De Vader geeft Zijn goedkeuring over Jezus’ doop en zo over het begin van Zijn messiaanse loopbaan. Niet alleen Jezus, maar ook Johannes heeft de Geest zien neerdalen in de lichamelijke gedaante van een duif. De duif is het symbool van de vrede, van oprechtheid, van reinheid en zachtmoedigheid. Dat doet denken aan de duif van Noach.

Beide zijn de aankondigers van een nieuwe tijd. Het oordeel is voorbij : de zondvloed, Golgotha. De Heilige Geest bleef op Hem. Mocht er nog twijfel zijn bij Johannes of zijn daad wel rechtmatig was, God spreekt uit de hemel: ‘Deze is mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Dewelken Ik Mijn welbehagen heb.’ De Middelaar is nu voor Zijn werk gereed. Johannes’ taak is voorbij. De Koning is er, de heraut van de Koning kan heengaan. Jezus kan Zijn openbare bediening op aarde beginnen. Jezus is de Messias. Heel dit gebeuren was ook voor Jezus een troost. Er staat dat de hemel speciaal voor Hem werd geopend.

Wat een evangelie! Wat hier na de doop van de Heere Jezus gebeurt, betekent dat de hemel niet langer meer gesloten is. De Geest daalt neer en de Vader spreekt. De gemeenschap met God is in principe hersteld door het plaatsvervangend werk van Christus. En Jezus wordt hier gezalfd met de Heilige Geest in verband met Zijn ambtelijke toerusting om de Middelaar te zijn. De Vader geeft Zijn goedkeuring. Jezus wordt bekwaam gemaakt tot Zijn taak en mag weten dat Hij op de goede weg is. Johannes mag weten dat hij Christus inderdaad niet mocht tegenhou­den. En wij mogen weten dat Jezus het oordeel van God over de zonde gedragen heeft. Wat doen wij met Hem? Wat doen wij met deze boodschap van God? Met deze prediking van de verzoening door het bloed van Christus? ‘Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeelt, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God.’ (Johannes 3:18)

Ds. C. G. Vreugdenhil

De doop van de Heere Jezus (1)

“Maar Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij van Hem af.” (Mattheüs 3:15)

Johannes de Doper is de voorloper van Christus. Hij was een echte boetgezant, een laaiende fakkel in de geest en de kracht van Elia. In het verband van onze tekst is hij op het hoogtepunt van zijn bediening. Hij preekte de doop der bekering tot vergeving van zonden. Profetisch radicaal riep hij op tot bekering en hij brak al de eigen gemaakte bolwerken van zelfgenoegzame vroomheid bij de Joden af. Tegelijkertijd dringt de liefde van Christus hem! Zo horen we hem uitroepen: Zie het Lam Gods!

Waarom doopte Johannes eigenlijk Joden? De Joden die tot hem kwamen en door zijn prediking geraakt werden, waren al besneden kinderen van Abraham. Zijn doop was verbonden met bekering en vergeving der zonden. Een boetedoop om zo te zeggen. Bij duizenden kwamen ze naar hem toe om gedoopt te worden in de Jordaan.

Johannes doopte Joden! Dat gebeurde nooit. Alleen heidenen die tot het Joodse geloof overkwamen, werden besneden en gedoopt. De besnijde­nis op zichzelf was niet genoeg. Heidenen werden vanwege hun afgoderij en hun leven in de zonde als zo verdorven, zo besmet door de zonde gezien, dat zij helemaal gewassen moesten worden. De doop is het beeld van die afwassing. De doop tekende hun bekering uit en hun definitieve afscheid van het verleden. Dit was zo belangrijk dat een heiden die al wel besneden, maar nog niet gedoopt was, nog als heiden werd gezien en niet als Israëliet!

Nu gaan we de scherpte van Johannes’ prediking verstaan. Hij doopt Joden. Hij zet de besneden Jood, de kinderen van het verbond op één lijn met de heidenen. Naar hun innerlijk geldt ook van hen: U bent wel besneden, maar geen ware Israëliet! Je kunt uitwendig het teken van het verbond ontvangen hebben, terwijl je innerlijk met de heidenen op één lijn staat. Je besnijdenis moet een geestelijk doorleefde werkelijkheid worden, en dat is het als ook je hart besneden is: als je wedergeboren bent.

En wat zegt die doop nog meer? U moet van uw zonden af en dat kan alleen God geven. In onszelf zijn we onrein. Maar er is reiniging. Johannes doopt met water als teken van de vergeving van zonden. Jezus gaf Zijn bloed om Zijn kinderen werkelijk schoon te wassen. Hij belooft ook de Geest, Die het geloof werkt. Die vergeving is er door het geloof in Christus. Dat hebben wij allen nodig om behouden te worden.

Johannes zegt: Ik doop u met water maar de Messias doopt met de Heilige Geest. Hij bedoelt: ik doe maar iets voorlopigs, iets betrekke­lijks. Maar wat Jezus zal doen is blijvend, eeuwig! Hij doopt met Heilige Geest! Ik geef u slechts het teken, maar Christus geeft de uitgetekende zaak! En die Geest, waarmee Christus doopt, is nodig om ons de betekenis van de doop met water te doen verstaan.

Johannes predikt: Hij komt, die sterker is dan ik! Wat Johannes niet geven kan, kan Christus wel geven. Christus kan onze geestelijke dood verbreken en onze onmacht wegnemen. Hij is sterker dan alle machten van de zonde en de dood: ongeloof en twijfel en alles wat voor u zo onmogelijk lijkt. Hij kan het u geven. En Hij wil het ook. Daarvan is het doopwater een teken, een teken van de gewilligheid van Christus.

Daar staan ze, aan de oever van de Jordaan, Johannes en Jezus. Wat een bijzonder ogenblik. Hier is de Koning! En Hij staat daar opeens in het midden van al die mensen. Te midden van al die tollenaren en soldaten en zondaren. Alsof Hij ook in dat rijtje thuishoort. Maar Hij schaamt Zich voor hen niet. Hij heeft Zich erop verheugd om te midden van dit volk Zijn arbeid te mogen beginnen. Hij is immers de Vriend van tollenaren en zondaren. Johannes staat voor Hem. De mensen kijken Hem aan. Het water in Bethabara stroomt zoals altijd. En dan zegt Jezus: Johannes, Ik wil ook gedoopt worden.

Johannes staat perplex. Moet hij, de knecht en wegberei­der van deze grote Koning, Hem dopen? Moet de mindere de Meerdere dopen? Maar… welke zonden had de Heere Jezus dan te belijden? Van welk kwaad moest Hij Zich bekeren? Voor welke schuld moest Hij vergeving ontvangen? Wat zou er dan van Jezus in het doopwater van de Jordaan achter moeten blijven? Hij is toch de heilige Zoon van God, de Messias?

Verbazing grijpt Johannes aan. Het zegt: ‘Komt Gij tot mij? Ik heb nodig van U gedoopt te worden, ik ben een zondaar, maar U bent de Heilige’! Blijkbaar was Johannes de Doper zelf nog niet gedoopt. De doop hoorde bij zondaren. Johannes doopte immers met de ‘doop der bekering tot vergeving der zonden’. Nu begrijpen wij waarom Johannes daarvoor terug­deinsde. Die doop betekende een veroordeling. Door het water van de doop wordt ons de onreinheid van onze zielen aangewezen. Die doop wees aan dat de Joden in zichzelf op één lijn stonden met de heidenen, tollenaren en zondaren, mensen vol van ongerechtigheid.

Dat kon van Jezus niet gezegd worden. Hij is volkomen heilig. Wilde Hij gedoopt worden? Dat is toch ongerijmd? Er staat: Johannes weigerde Hem zeer. Dat betekent: hij hield aan met weigeren. Argumen­ten genoeg. Jezus was zondeloos. Heel zijn Messias-beeld gaat overhoop. Heel zijn christologie valt aan scherven. Jezus gedoopt? Nee toch! Johannes had wel een ruime dooppraktijk. Hij doopte allerlei zondaren, als ze hun zonden beleden. Dan had hij geen moeite met hun doop tot vergeving der zonden. Maar Jezus, de Zondeloze, het vlekkeloze Lam, de Rechtvaardige, Die kan hij toch niet dopen! Vandaar zijn vastbera­den en aanhoudende weigering.

Maar daar maakt de Heere Jezus een eind aan. Hij zegt: ‘Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen’. Het is of Jezus met één veeg alle bezwaren van Johannes van tafel veegt. Jezus vereenzelvigt Zich met die zondaren om hem heen. Hij staat aan hun kant. Hij staat niet boven hen, ook niet tegenover hen, maar naast hen. Als een van hen daalt Hij straks af in het water van de Jordaan om Zich te laten dopen ten behoeve van hen. En daarom mag Johannes Hem niet tegenhouden. Jezus is de ‘Koning-Knecht’! Vandaar!

Hij geeft een duidelijke verklaring: Aldus betaamt ons alle gerechtig­heid te vervullen! Gerechtigheid! Wat bedoelt Hij daarmee? Alles wat door God van Johannes en Jezus in hun situatie geëist wordt. Johannes de Doper is geroepen om de Messias te dopen; en de Heere Jezus is geroepen om Zichzelf te laten dopen. Alles moet gebeuren volgens de rechtsorde van God. Voor Johannes gaat een heel nieuw aspect van Jezus’ messiaanse werk duidelijk worden. Hier komt het eerste zicht op Jezus plaatsbekleding. Johannes moet de verbinding leggen naar het Lam van God.

Voor Jezus betekende deze gerechtigheid van God dat Hij de straf op de zonde zal dragen. Hij gaat plaatsbekledend het doopwater in als was Hij Zelf een grote zondaar. Hij gaat buigen onder de schuld van Zijn Kerk. Als het doopwater zich boven Zijn hoofd zal sluiten, gaat Hij als het ware symbolisch onder in de dood. Hij voldoet aan de eis van Gods gerechtigheid. Hij wordt begraven in het watergraf. Dat is een erkenning van de schuld en de straf op de zonde. Maar Hij had Zelf geen zonde.

Zo is er de genade van de vergeving van zonden voor u en voor mij. De doop van Christus wijst in het begin van Zijn omwandeling op aarde al op zijn volbrachte werk aan het kruis. Jezus zal de mensen dopen met de Heilige Geest en met vuur. (vers 11) Op Pinksteren doopte Jezus Zijn discipelen met de Geest. De doop is het sacrament van de wedergeboorte. De Geest maakt levend door met Christus te verenigen. Hij brengt tot schuldbelijdenis en tot de roep om vergeving. Hij dompelt onze harten in de beloften door het geloof onder in het bloed van Christus. Dan vertrouw je heel je leven aan Hem toe. Dan weet je in Wie je geloofd hebt.

Jezus doopt ook met vuur. Wijst de doop met vuur op het komende oordeel? Het gaat over de reiniging en zuivering in de eindtijd. Wie de oproep tot bekering in de wind slaat, komt oog in oog te staan met het oordeel. Voor degenen die berouw hebben, betekent dat vuur beproeving en loutering tot versterking van het geloof. Of dat vuur beproeving of oordeel uitwerkt, hang af van onze reactie op het Evangelie.

Ds. C. G. Vreugdenhil

De geboorte van Christus

En zij baarde haar eerstgeboren Zoon en wond Hem in doeken (Lukas 2:7a).

Het staat er zo eenvoudig: En zij baarde haar eerstgeboren Zoon en wond Hem in doeken. Dat betekent: Ze kreeg haar eerste kindje, een zoon en ze deed hem Zijn kleertjes aan. Een wonderlijk geheim dat zich door alle eeuwen heen herhaald heeft en dat steeds weer de mensen vertederd heeft. Zo’n heerlijk klein hoopje mens in de wieg. En dat het er nu allemaal zo gewoon staat van de Heere Je­zus, de Zoon van God, dát is het Kerstevan­gelie!

Het betekent dat Hij geboren is, zoals u en ik, zoals wij allemaal geboren zijn. Op het eerste gezicht is hier niets bijzonders en dat is het bijzondere. Jezus Christus is héél onze weg gegaan. Die is Hij niet pas halverwege begonnen. Hij is niet vlak voor het lijden met een men­selijke gedaante uit de hemel gekomen. Néé, dan had Hij niet in onze plaats kunnen lijden, dan was Hij geen echt mens ge­weest. Hij is bij het begin begonnen. Daar, waar het bij ons voor het eerst mis gegaan is: onze zondige ontvangenis en geboorte.

Hij is begonnen in de moederschoot en zo is Hij waarachtig mens. Dat is de jubel van het Kerstfeest: de eeu­­wige Zoon van God is waarachtig mens geworden! Hij Die van eeu­wig­­heid God is, Hij Die er al was voordat Abraham er was, Hij heeft uit de maagd Maria de ware menselijke natuur (lichaam en ziel) aangenomen. En zo be­vat­ het kerstevangelie het grootste won­der.

En zij baarde haar eerstgeboren Zoon en wond Hem in doeken. De zoon van God werd dus het kind van Maria. God werd mens. Hij bleef die Hij was, maar Hij werd die Hij niet was: mens! De Heere Zelf openbaarde Zich in Hem. In dit Kind van Maria kwam God Zelf neer tot de mens en daarmee betoonde Hij dat Hij vuile zondaren naging tot op de plaats waar zij verloren liggen in zonde en schuld. En zij baarde haar eerstgeboren Zoon. Waarom staat hier ‘eerstgebo­ren’? Heel eenvoudig omdat Maria nog niet eerder een kind had gehad. Ze is immers als maagd zwanger geworden.

Haar eerste kind is volgens de wet van God ook de stamhouder. En volgens diezelfde wet had God een claim op de eerstgeborenen. Er staat: “Al wat mannelijk is en de baarmoeder opent is de Heere geheiligd.” Dat wijst erop dat de Heere recht heeft op ons aller hart en leven. En zo is ook Christus als de eerstgebo­ren Zoon afgezonderd tot de dienst van God, namelijk om Zijn welbehagen te doen, om Zijn deugden te verheerlijken in het zaligen van zondaren. Daarvoor kwam Jezus naar deze wereld.

De eniggeboren Zoon van God wordt de eerstgeboren zoon van Maria. Dat betekent ook dat Maria nog meer kinderen gekregen heeft. Volgens de Evangeliën nog 4 broers en 2 zussen. Hij is dus de eerstgeborene van een groot gezin. Wat een Evangelie: Hij wil een hele familie hebben. Hij is de oudste Broer, maar de familie breidt nog steeds uit. Hij zegt: Die is Mijn broeder, die is Mijn zuster, die de wil doet van Mijn Vader, Die in de hemelen is. Bent u zo ook al familie van Hem?

En zij baarde haar eerstgeboren Zoon en wond Hem in doeken. Ik denk, dat de meesten van ons deze doeken zien als een teken van armoede. En wel zo, dat Maria en Jozef zo arm waren, dat zij voor de Heere Jezus niet eens een baby‑truitje konden kopen en dat zij daarom een paar oude kleden kapot moesten scheuren om voor het Kind nog iets te hebben tegen de kou. Toch is dat niet waar.

Die doeken zijn niet erg, die doeken zijn geen schande, maar een eer, want alle moeders waren gewoon hun pasgebo­ren kindje in doeken te winden. Al­leen met vondelingen ge­beurde dat niet, zoals we kunnen lezen in Eze­chi­ël 16. Hiermee wil ik niet zeg­gen, dat Jozef en Ma­ria niet arm en eenvou­dig ge­weest zijn, maar deze doeken zijn op zich geen tekenen van armoede maar juist tekenen van de liefde waar­mee zij de Heere Jezus als hun eigen kind hebben aangenomen. Maria deed, wat iedere rechte moe­der deed.

Het kind van Maria is geboren. De Redder van de wereld komt ter wereld. De Almachtige wordt een hulpeloos kind. Hij laat Zijn eerste schreeuw op deze wereld horen. Jozef zal Hem eerst bij Maria gelegd hebben en daar­na de nodige dingen gedaan hebben. Hij wrijft de kleine naar de gewoonte met zout in en wikkelt het vervolgens in doeken. Zij hande­len met deze Jezus als hun eigen kind. Jozef en Maria nemen Hem aan tot hun eigen kind.

En wie hier goed naar luistert her­kent hierin de situatie van ieder mens buiten het Kerstfeest. Hier wordt getekend, wat wij zijn in onszelf buiten Chris­tus’ komst. Vondelingen die alle liefde en aan­ne­ming tot kinderen moeten missen, zonder enige levens­kan­sen. Ten dode opgeschreven. En dat door eigen schuld want wij heb­ben toch opzettelijk de Va­der­liefde en het kind-zijn van God ver­­acht en verwor­pen? En zo zijn wij als hulpeloze mensen geboren.

De schande van onze naaktheid is een gevolg van de zondeval, en nu heeft Christus die schande willen dragen. God handelt met Hem alsof Hij geheel en al onzer één is! “En zij wond Hem in doeken”. Begrijpt u nu hoe deze woorden een vlijmscherpe ver­nedering zijn voor deze gezegende Koning?! Hij de Volmaakte moest bedekt worden. Maar daarin ruist voor ons het Evan­ge­­lie. Deze woorden veroordelen ons, maar tege­lijk mogen zij ons een heer­lijk Evangelie verkondigen.

Hier wordt ons immers verkondigd, dat Christus Zich onderwerpt aan ons oor­deel! Dat Hij, Die geen zonde gekend heeft noch gedaan, zich laat aankleden als een kind van Adam om het recht te verdienen, dat de Heere Zich over ons kan ontfermen naar lichaam en ziel. Hij heeft Zich gekleed met onze kleren, opdat wij gekleed kunnen worden met Zijn kleren. Het bruiloftskleed van Zijn gerechtigheid, dat Hij verwierf, toen Hij naakt aan het kruis gestorven is. Dat biedt Hij ons heden aan: “Ik raad u dat gij van Mij koopt, witte kleren, opdat gij moogt bekleed worden en de schande van uw naakt­heid niet geo­pen­baard worde.”

 

Ds. C. G. Vreugdenhil

Bethlehem Efratha

En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? (Micha 5:1a)

Advent betekent: Hij komt, Jezus komt, de Messias komt. Hij is gekomen en Hij komt terug om het heil voor Zijn gemeente te volmaken. Verlangt u naar Zijn komst op de wolken? Dan moet Hij toch eerst gekomen zijn in je hart. En dat is zo groot en heerlijk. Als je al je zonden bent kwijt geraakt aan het Lam. Als Zijn liefde je hart vervult, is er – ondanks momenten van strijd en aanvechting – vrede in je hart (vers 4).

De profeet Micha draagt een schitterende naam. Zijn volle naam luidt eigenlijk: Michajah (Jahu) en dat betekent: Wie is als de Heere? Telkens komt hij voor de naam van zijn God uit en op. En dat is hard nodig want de kennis van de Heere is in Israël een eind zoek. Op alle fronten is het grondig mis.

In zijn korte profetenboek (7 hoofdstukken) moet hij heel wat oordelen aankondigen, maar hij mag ook rijke beloften van God aan het volk doorgeven over Gods trouw en Zijn genade. Beloften waarbij de diepste laag van vervulling gaat over de komende Messias.

In hoofdstuk 5:1 vinden we zo’n duidelijke voorzegging van de geboorte van Christus: ‘En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.’ De profeet noemt eerst de plaats waar de Messias geboren zal worden. Die Heerser komt voor de eer van God zorgen en Hij is de Koning van Israël. Micha leeft in de tijd van de koningen Jotham, Achaz en Hizkia. Micha is een tijdgenoot van de profeet Jesaja.

”En gij, Bethlehem Efratha …! Uit u zal Mij voortkomen. Die een Heerser zal zijn ….” Deze profetie heeft een grote rol gespeeld in de geschiedenis van de wijzen uit het Oosten. Ze zochten de geboren Koning in Jeruzalem maar zaten daarmee op het verkeerde spoor. Totdat de overpriesters en de schriftgeleerden vanuit Micha 5 blindelings de weg aanwezen naar Bethlehem, naar Christus Zelf. Van oude tijden af heeft het volk van Israël Micha 5 als een voluit messiaanse profetie verstaan.

Aan de hand van Micha’s adventsprofetie hebben de wijzen Hem gevonden en zijn ze gekomen tot de aanbidding van de beloofde Koning. Zoekers werden vinders. En wat toen kon, kan vandaag nog. De Heilige Geest gebruikt ook nu ditzelfde woord uit Micha om zoekende mensen tot Christus te leiden, opdat ze Hem als hun Heere en Koning aanbidden.

Bent u op zoek naar de Zaligmaker? Is het in deze adventstijd uw verlangen om Hem voor het eerst of opnieuw te vinden als uw Redder? Overweeg dan biddend de profetie van Micha om door dit woord de Heere Jezus te ontmoeten. Juist arme en geringe mensen kunnen bij Hem terecht. Want Hij is, hoewel van hoge komaf, ergens achteraf geboren.

Micha heeft deze profetie uitgesproken tegen een donkere achtergrond. In het gedeelte vóór de tekst heeft hij opnieuw de nodige oordelen moeten aankondigen. De Heere is door Zijn volk diep gekwetst. Daarom zal Israël naar Babel worden weggevoerd. En toch zet God geen punt achter Zijn verbondstrouw. Door de oordelen heen geeft de Heere een nieuw begin. Want de Messias zal komen. Dat is het wonder van Zijn trouw. Dwars door alle ontrouw van Zijn volk heen, laat Hij Zijn Koninkrijk, ja de Koning Zélf, komen. En hoe! In de weg van het wonder.

Reken maar dat het een vertroostende boodschap is geweest voor die tijdgenoten van Micha die wél rekenden met God en met Zijn dienst. Wat zullen zij hebben geleden onder het geestelijk verval. Ze zagen het oordeel naderen. En ze konden alleen maar belijden dat God terecht met Zijn straffen kwam. Maar tegelijk hebben ze zich afgevraagd of er nog uitkomst mogelijk zou zijn. Juist voor degenen die de Heere oprecht vreesden moet deze profetie heel bemoedigend geweest zijn.

Let maar eens op wie er wordt aangesproken. Een mens? Nee, een dorp, een gehucht. Bethlehem in de landstreek Efratha. Bethlehem betekent broodhuis en Efratha betekent vruchtbaar land! In Micha’s dagen was het een klein onbetekenend plaatsje. Eén van de vele nederzettingen die Juda telde. Het stelde maar weinig voor. Het was echt zo’n achteraf gehucht, ja ‘klein onder de duizenden van Juda.’ Uitgerekend uit dit dorpje zal de Beloofde komen Die een Heerser zal zijn in Israël.

De geschiedenis zal zich herhalen. Eeuwen geleden is immers ook een andere heerser uit Bethlehem gekomen: David, de jongste van het gezin van Isaï. En juist hij werd op Gods bevel gezalfd. Hier zien we Gods manier van werken. Hij heeft een uitgesproken voorkeur voor het geringe, voor wat niet meetelt bij de mensen. Dat is een lijn die als een rode draad door de hele Schrift heen loopt.

De zwakke Abel gaat de sterke Kaïn voor. Jakob wordt boven de stoere Ezau gesteld. En niet te vergeten Maria, een eenvoudig meisje uit Nazareth is door God uitverkoren om de moeder van de Heere Jezus te zijn. De Heere laat Zijn oog vallen op het geringe, omdat Hij het dwaze van de wereld heeft uitverkoren, het zwakke, het onedele en het verachte.

Dat horen we ook in Micha 5. De beloofde Heerser zal niet geboren worden in de residentiestad Jeruzalem, maar in het gehucht Bethlehem. In het verleden stond hier de wieg van koning David. In de toekomst zal hier de kribbe van Koning Jezus staan. Want ”gij, Bethlehem Efratha, gij zijt niet té klein”, bedoelt de Heere te zeggen in de tekst. Is dat geen vertroostend evangelie in deze adventstijd?

God gaat het hoge voorbij en zoekt het nederige. Voor Hem behoeven we geen geestelijke hoogvliegers te zijn. Misschien moet u wel belijden dat uw geloofsleven vaak zo armetierig is. Als u anderen hoort spreken over de geestelijke dingen, ervaart u sterk uw eigen armoede en onwaardigheid, omdat u zelf maar zo weinig te vertellen hebt. En dan kan de vraag bovenkomen of er voor u wel genade is.

Dan mag deze profetie u bemoedigen. De Heere verkiest juist het geringe. Uit dat kleine, onbe­duidende Bethlehem zal de beloofde Verlosser voortkomen. Als een Heerser nota bene! Opnieuw een rijke adventsnaam waarin de grootheid en de macht van Christus worden voorzegd. Hij is de Koning aan Wie de troon van Zijn vader David gegeven zal worden.

En gij Bethlehem Efratha … Bethlehem is de stad van de grote Koning, de plaats van herkomst van de door God beloofde Messias. Vindt u dat niet vreemd? Zeker, Bethlehem is de stad waar de wortels liggen van het huis van David, de grote koning uit wiens geslacht de Messias naar het vlees geboren zou worden. Daar heeft Boaz, de man uit Juda zijn vrouw gevonden terwijl zij aren opraapte op zijn akker: Ruth, de Moabietische. Daar is Obed geboren, de grootvader van David en Isai, de vader van David, en David zelf.

En Bethlehem is gebleven wat het voordien ook al was: klein en onaanzienlijk. De mensen in Jeruzalem – voor hen is deze boodschap van Micha allereerst bestemd – halen hun schouders op bij het horen van die naam. Bethlehem stelt niets voor. Jeruzalem is de koningsstad. Daar gebeurt het, daar is de macht. Maar de Heere wijst naar Bethlehem.

Als het Davidische koningshuis op instorten staat, mag de profeet Micha in onze tekst een machtige Messiaanse heilsprofetie laten horen. De Heere begint opnieuw in Bethlehem. Dwars door de oordelen heen handhaaft de Heere Zijn belofte aan het huis van David en mag het gezongen worden: ‘Hij heeft gedacht aan Zijn genade, Zijn trouw aan Israël nooit gekrenkt’.

Ds. C. G. Vreugdenhil

Groeien in het toevluchtnemend geloof

Ruth 2:12-13: “… uw loon zij volkomen van de HEERE… onder Wiens vleugelen gij gekomen zijt om toevlucht te nemen. Laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer, dewijl gij mij getroost hebt, en dewijl gij naar het hart van uw dienstmaagd gesproken hebt…”

 

Boaz heeft zich niet geschaamd om Ruth vriendelijk aan te spreken. Ruth kan het niet op. Ze buigt heel diep. Haar onwaar­digheid komt des te scherper uit in het licht van Boaz’ vriende­lijkheid. En dat Ruth de weg is gegaan van de armoede en ontlediging achter Naomi aan gaat Boaz rijk belonen. Deze weduwe heeft na de dood van haar man niet gebroken met haar schoonfami­lie. De liefde en trouw jegens haar schoonmoeder is niet gering. Het zijn de vruchten van haar geloof, het werk van God in haar. Voor wie zich onvoorwaardelijk overgeeft aan de Heere en gewillig de kruisweg gaat, valt het altijd mee.

Als een ontheemde ‘buitenlandse’ heeft Ruth de toevlucht genomen onder de vleugels van Israëls God. Ze weet: buiten die vleugels ben ik weerloos en ten dode opgeschreven. Daarom neemt ze de toevlucht. Het geloof is altijd ‘toevluchtnemend’ van aard. Of je de Heere nog maar kort kent of al veel langer. “God is een toevlucht voor de Zijnen” (Psalm 46:1 berijmd). Wie de toevlucht neemt tot God beseft: buiten Hem kan niemand voor mij zorgen. Buiten Hem is geen leven en geen geborgenheid. De bloedvloeiende vrouw wist het zeker: als ik Jezus aanraak ben ik genezen.

Gelooft u dat ook? Toevlucht nemend geloof beseft: bij Jezus moet ik zijn. Hij is gewillig. Hij nodigt zo vriendelijk. “Heer’ ik kom tot U, hoor naar mijn gebed, vergeef mijn zonden nu; en reinig mijn hart.”

Die ‘vleugels’ van God wijzen op Zijn bescherming en ontferming. En wie de toevlucht neemt onder de schaduw van Zijn vleugels verwacht het niet meer van zijn eigen kracht. Je verraadt daarmee juist dat je zelf weerloos en machteloos bent. Vooral echter dat je schuilen wil in Zijn nabijheid in Christus. Dat is het geheim. Die vleugels van God zijn de gekruiste borgarmen van Jezus. Wie tot Hem vlucht, voor die valt het eeuwig mee.

Dan ervaar je dat genade altijd naar meer smaakt. Wie het geloof mag beoefenen, wil daarin graag groeien. Boaz was zo genadig geweest voor Ruth, zo vriendelijk en zo goed. Hij heeft haar getroost. Ruth is geraakt door zijn woorden. Hij heeft zulke heerlijke dingen gezegd. Ze wil graag op zijn land blijven. Daar is het zo goed. Boaz heeft ‘naar het hart van Ruth gesproken’.

Hebt u dat wel eens ervaren onder de bediening van het Woord? Dat u getroost werd. Dat precies onder woorden gebracht werd, wat er in uw hart leefde. En dat op een manier zoals u het zelf niet eens onder woorden had kunnen brengen. Wat een verwondering als je zo hoort vertellen wat er in je hart leeft. Daardoor gaat je hart nog sterker uit naar de Heere en de geloofskennis van Hem. Wonderlijk is dat: genade doet vragen om nog meer genade. Het geloof zoekt altijd verdieping, groei.

Genade maakt niet hoogmoedig, maar ootmoedig. Genade maakt verlegen om hoe langer hoe meer genade. Ruth had al genade gevonden en nu vraagt ze er weer om. Vindt u dat vreemd? Wie iets van Gods liefde in Christus heeft geproefd, gaat vragen: “Laat mij genade vinden in Uw ogen.”

Als je dat bidt ben je zelf rechteloos. Je ziet geen verdienste­lijkheid in je eigen daden. Je bent alleen maar verwonderd over Gods genade. Je wil nog dieper en zekerder geloven. En wat kan het dan goed doen als je iemand tegenkomt, die dat verlangen begrijpt en ‘naar je hart’ spreekt. Ja, zeg je dan, zo is het! Het is mij om God begonnen, om Zijn nabijheid en genade, Zijn liefde en Zijn geborgenheid. Wie Jezus in de ogen ziet (in het Evangelie), ziet één-en-al genade. Dat geeft groei in het toevluchtnemend geloof.

 

Ds. C. G. Vreugdenhil

 

Geloofstrouw en geloofsverwondering

Ruth 2:9-10: “Uw ogen zullen zijn op dit veld, dat zij maaien zullen … als u dorst, zo ga tot de vaten … Toen viel zij op haar aangezicht, en boog zich ter aarde, en zeide tot hem: Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat gij mij kent, daar ik een vreemde ben?”

 

Wat is het eerste contact met Boaz meegevallen voor Ruth. Waarom zouden we toch bang zijn of nodeloos in achterdocht verkeren op weg naar Jezus? Zo schrikwekkend is Hij toch niet. Uw zonden en uw vervreemding, uw afkomst en uw rechteloosheid kunnen niet op tegen de vriendelijkheid en de liefde van de ‘meerdere Boaz’. Hij kwam ons zo nabij in ons vlees en bloed uit de maagd Maria. Wie aren raapt op de akker van Zijn Woord, zal ervaren hoe vol Zijn hart en mond is van innerlijke ontferming. Ja, Hij heeft hart voor u.

Blijf op Zijn akker en ga al bukkend achter de maaiers aan. Blijf trouw aan het veld van Boaz en houdt u aan de woorden van Boaz. Dat is geloofstrouw! Vasthouden aan Hem en de zoom van Zijn kleed aanraken zoals de bloedvloeiende vrouw. Volharden in het aren lezen op de akker van Boaz. “Uw ogen zullen zijn op dìt veld.” Hier loopt u niet het minste gevaar. Wie de weg van het Woord niet gaat, loopt wel gevaar. Hij kent onze wispelturigheid en de ongestadigheid van ons hart. Hij weet alles af van onze weerspan­nigheid en eigenwijsheid. Wij zouden zomaar weer een andere weg inslaan en daarom maant Hij ons liefdevol tot trouw en volhar­ding: “Ga niet om in een ander veld op te lezen; ook zult gij van hier niet weggaan …” (vers 8). Alleen op Boaz terrein valt u onder Zijn hoge bescherming: “… men zal u niet aanroe­ren”.

Die trouw in het gelovig bezig zijn met het Woord wordt beloond. Ruth mag in dat verschroeiende klimaat en onder dat vermoeiende werk haar dorst lessen. Wat houdt u nog tegen om u te laven aan het levende water van Christus’ verdiensten? Wat hindert u om te drinken uit deze overvloed en met vreugde water te scheppen uit de fonteinen van het heil (Jes. 12:3)? De meerdere Boaz nodigt u. Hij geeft toestemming, juist aan rechtelozen. Achter Zijn nodiging klopt het hart van Zijn liefde. Ga tot de onuitputtelij­ke vaten van Christus’ liefde en drink.

De woorden van Boaz en de vriendelijkheid, die daaruit blijkt, worden Ruth te machtig. Ze smelt weg van verwondering. Ze is verbaasd over de hartelijkheid van Boaz. Ze kan het niet op. Zoveel zegeningen voor een vreemde, voor een Moabitische! Ze werpt zich neer aan Boaz’ voeten en roept vol verwondering uit: “Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat gij mij kent, daar ik een vreemde ben?”

Wie weet wat het is om vreemdeling te zijn, begrijpt haar. Ruth zet zichzelf er helemaal buiten. Maar voor zulke mensen valt het mee in Israël. Dan is er verwondering. O, wat is Boaz goed en vriendelijk voor haar. Ze heeft nergens recht op en nu vindt ze genade.

Onder zoveel goedertierenheid van Christus houdt geen mens het langer vol. Daar breekt je hart. En dan komt de ware aard van het geloofsleven openbaar in de ‘hoogste stand’ van de genade, namelijk de verwondering! Waarom heb ik genade gevonden? Ik heb het niet verdiend. Waarom Heere? Toets uzelf daar eens aan.

Dat gaat gepaard met buigen: ze viel op haar aangezicht en boog zich ter aarde. Ze gaat door de knieën vanwege zoveel vriende­lijkheid.

Bent u ook zo’n arenlezer, die het leven niet meer in eigen hand kan houden om uw leven te verliezen aan Jezus? Geloofsver­wondering ontstaat vanuit de weerkaatsing van Zijn liefde in ons hart en leven. Dan vallen we neer aan Zijn voeten en dan krijgt Hij alle eer. U kijkt in hartgrondige verbazing uit de diepte op tot Boaz en zegt: Heere, dat Gij mij toch kent! Dat U toch zo beminnelijk en liefhebbend met mij omgaat. Ik vind geen toorn maar genade in Uw ogen. Waarom? Omdat de meerdere Goël en Losser Zijn leven gaf aan het kruis.

ds. C. G. Vreugdenhil

Geloofshonger en geloofsijver

Ruth 2:2-3: “Laat mij toch in het veld gaan, en van de aren oplezen … Zo ging zij heen, en kwam en las op in het veld, achter de maaiers …”

De twee weduwen komen in Bethlehem aan. Die oudere en door het leven getekende en die jongere: Naomi en haar schoondochter. Samen gaan ze de kruisweg. En de HEERE maakt alles goed. Samen vertrouwen ze zich toe aan de zorgen van de HEERE. Dat betekent echter niet dat ze met de armen over elkaar gaan zitten. Ruth heeft geweten van het ‘recht der armen’ om aren op te rapen achter de maaiers tijdens de oogst (een stukje sociale wetgeving van God).

Ze is gewillig en ijverig om dat zware nederige werk te doen. Ziet u het voor u? De hele dag met je blote handen tussen die harde stoppels bezig zijn. Dat bukkende werk. En dan die hete zon. Toch is dat eigenlijk nog niet het ergste. Hoe moeilijk is het om met je armoede voor de dag te komen en van de ‘bedeling’ te leven. Hoe vernederend is het om bedelaar te zijn. Als de nood je echter drijft, kun je niet anders meer.

Herkent u het, geestelijk gezien? Zalig zijn ze die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden (Matth. 5:6). Als God in ons leven komt, worden we bedelaars, die iedere dag met lege handen van het ‘gekregene’ moeten leven. Dan ben je helemaal aangewezen op Zijn barmhartigheid. Dan hoef je je stand niet meer op te houden voor God en voor elkaar. Je gaat leven van de ‘bedeling’, van de diaconie, ja, van die grote Diaken Jezus Christus. Hij alleen kan in ons levensonderhoud voorzien. Wie zelf nog genoeg heeft, kan God nog wel missen. Wie echter alleen nog maar schuld heeft, leert het: ‘Buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf’. Wie verlangt en hongert naar de Heere Jezus, diens honger zal door het Woord gestild worden.

Wat hebt u er voor over om verzadigd te worden met de rijkdom, die Christus verdiend heeft voor arme zondaren? Ruth heeft zichzelf er voor over. Zij veracht het nederige werk van aren lezen niet. Ze vindt het niet beneden haar stand om zo aan de kost te komen. Haar gang naar de akker is een godvrezende gang: geloven metterdaad. Ze gaat blijmoedig achter de maaiers aan in de weg van het Woord. Op die eenvoudige gehoorzaamheid mag ze

Gods zegen verwachten. Ze aanvaardt het leven zoals de hand van de HEERE het haar toebedeelt.

Ruth is nederig. Ze zegt immers tegen Naomi: ik zal gaan “achter dien, in wiens ogen ik genade zal vinden.” Geen brutaal gezicht of ‘ik heb er toch zeker recht op’. Ze beseft dat het hier gaat over een ‘genaderecht’.

Genade maakt bescheiden. Genade leert dat we nergens recht op hebben. Voor wie zijn onwaardigheid beseft, voor die valt het iedere dag mee. Genade maakt ook gehoorzaam en ijverig. Ruth gaat heen en leest aren achter de maaiers. In vers zeven prijst de voorman de ijver van Ruth. Hij zegt: “haar tehuis blijven is weinig”. Ruth hield slechts korte rustpauzes. Zelden was ze te vinden in de hut, die tijdens de oogst op het veld stond voor het personeel om in de schaduw even uit te rusten.

Wat een heerlijk getuigenis geeft die man over Ruth. Wat vervult zij haar taak ijverig en nauwgezet. Luiheid is erg. Het is niet best als er van ons gezegd wordt dat we de kantjes eraf lopen. Dat maakt ons ongeloofwaardig voor de wereld. Laten we toch ook met ons doen en nalaten iets uitstralen van ons christen-zijn.

De Heere beloont ook onze trouw en ijver in Zijn dienst. Wie trouw de gemeentelijke samenkomsten bezoekt waar de verkondiging van het Woord plaatsvindt en wie ijverig in de door-de-weekse bijeenkomsten bezig is met het onderzoek van Gods Woord zal ook veel mogen ontvangen van het ware Brood des levens. Aan Christus heeft een hongerige ziel genoeg.

 

Ds. C. G. Vreugdenhil

Terug in Bethlehem

Ruth 1:22b: “En zij kwamen te Bethlehem in het begin van den gersteoogst”.

 

Kijk, daar gaan twee weduwen de poort van het stadje Bethlehem binnen. Een oude en een jonge vrouw. Ze komen uit Moab, waar ze hun geliefde man in het graf hebben moeten achter laten. De ene vrouw is hier eerder geweest, de andere komt voor het eerst in deze ‘stad van David’.

“Alzo kwam Naómi weder, en Ruth de Moabietische, haar schoon­dochter, met haar” (vers 22a). Dat is even wat! Hier komt een heidense vrouw op het erfdeel van de HEERE. En terwijl Naómi wellicht zich nog af­vraagt wat de mensen van Bethlehem er van zul­len zeggen, dat zij een heidense vrouw heeft meege­bracht, mogen wij de grote lijnen zien.

Hier gaat een heidense vrouw binnen door de poorten van Bethlehem, en zonder dat iemand het weet is in haar schoot verborgen de Koning van Isra­ël. Zo loopt deze lijn uit op een heerlijke toekomst: om­dat deze vrouw hier Bethlehem binnen­gaat, zal eeuwen later opnieuw een jonge vrouw in Bethlehem aankomen. Dat is Maria de moeder van de Heere Je­zus. En Jozef ging ook op van Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea, tot de stad van David, die Bethlehem genaamd wordt (Luk.2:4).

Wat lopen de lijnen van God toch wonderlijk. Terwijl deze jonge Moabietische vrouw zonder enige pretentie binnengaat door de poorten van Bethlehem, schittert daar­in de gouden draad van het welbehagen van God. Hier is de winst van de weg door Moab. Dat is op geen enkele wijze de verdien­ste van Naómi. Zij kan alleen maar haar dwaasheid bekennen. Néé, dit is alleen een wonder van Gods welbeha­gen. Hij keert het kwade ten goede. Hij ver­heer­lijkt Zijn welbehagen dwars door onze kromme en zondige wegen heen.

Door de wirwar van draden heen weeft God Zijn gouden draad naar de toekomst van Christus. Daar gaat het om in het boekje Ruth. Om de komst van Gods Koninkrijk. In hoofdstuk één beginnend met Bethlehem Juda en in hoofdstuk vier eindigend met David. Het gaat om Jezus, de grote Davidszoon. Hij komt. In Bethlehem, het broodhuis. Daar is het levende Brood neerge­daald, dat aan de wereld het leven geeft. Kent u deze Christus? Hebt u Hem lief?

Hij roept het ons toe: Die tot Mij komt, zal geenszins hongeren (Joh. 6:35). Kent u die honger naar Hem? Dat verlangen om de Heere Jezus te mogen kennen als de Zaligmaker. Wat is Hij beminnelijk, deze geboren Koning der Joden. Hij is de Koning-Knecht. Hij stierf aan het kruis om de last van de zonde te dragen. Dat mogen we zien bij het gebroken brood aan Zijn tafel. Wat een trekkracht gaat er uit van Zijn zondaarsliefde. Waarom weegt u nog geld uit voor hetgeen geen brood is  Jes. 55:2?

Het levende Brood is Christus. Zijn gekruiste lichaam draagt het eeuwige leven in zich. Kreeg u oog voor Zijn kruis? Zijn armen, die waren uitgestrekt aan het kruis, zijn ook uitgestrekt naar u. Kom toch, zegt Hij, Ik wil u zalig maken, verlossen. Voelt u die trekkracht van Jezus niet? Hoe heerlijk om te ervaren, dat je jezelf helemaal mag kwijtraken aan Hem. Dat Hij je ontvangt zoals je bent. Daar wordt Hij zo groot en u zo klein. Wat kun je daar diep naar verlangen, naar Zijn komst in je hart. Dat je Hem mag omhelzen door het geloof. Zoals de bruid in het Hooglied: “Ik ben mijns Liefsten en Mijn liefste is mijn” (Hoogl. 6:3).

‘Alzo kwam Naómi weder… te Bethlehem’. Deze uitdrukking moeten wij zorgvuldig afwegen. Wij mogen het accent niet alleen la­ten vallen op ‘alzo’, want dan zouden we alleen maar aan het verlies van Naómi denken en voorbijzien aan de winst, terwijl dit eerste hoofdstuk juist zo veel­be­te­kenend afsluit met de woorden ‘en zij kwamen te Bethlehem in het begin van de gersteoogst’.

Naómi en Ruth komen dus aan, als de gerste­oogst nog maar net begonnen is. Het is op de akkers een vro­lij­ke drukte. De velden zijn nog bedekt met graan. Als zij daar lopen, mogen zij direct met eigen ogen zien, dat het waar is wat hen in Moab werd mee­gedeeld, namelijk dat ‘de HEERE Zijn volk bezocht had, gevende hen brood’.

Zo ruist voor hen in de vol­le halmen op de vel­den tegelijk de rijpe belofte van Gods vaderlijke ont­ferming en vergeving. Naómi komt aan na jaren van bitterheid, maar op de velden komt de zoetheid van Gods ver­ge­vende liefde haar tegemoet. Naómi ziet niet veel licht, maar op de velden is het al aan het gloren. Zonder dat zij het weten, ligt daar op de vel­den van Bethlehem, de barm­hartigheid van God al voor hen klaar.

Daar rijpen nota bene de halmen die Ruth straks zelf mag gaan rapen. En op een an­dere akker groeit al de tarwe, waaruit straks de koren­schoof ge­bonden zal worden, waar zij zich zal mogen neer­leg­gen aan de voe­ten van de losser. Van al deze rijke zegeningen weten Naómi en Ruth nog niets, maar de HEE­RE heeft het al klaar liggen.

Deze belofte mag ons genoeg zijn om in alles al­leen te vertrou­wen op de HEERE. Wat zitten wij dan toch vaak voor niets in de put. Wat zijn we toch soms arme en kortzichtige mensen. Op de velden van Beth­le­hem ruisen de beloften van God. En zij ge­ven getuigenis van Gods vaderlijke goedheid in Jezus Chri­stus.

 

Ds. C. G. Vreugdenhil

Een veilige thuiskomst

Ruth 1:22a: “Alzo kwam Naómi weder, en Ruth, de Moabietische, haar schoondochter, met haar, die uit de velden Moabs wederkwam”.

De vakantie loopt ten einde. Velen van ons zijn terug van ‘weggeweest’. Een goede reis gehad, mooie dingen gezien, heerlijk ontspannen genoten en een veilige thuiskomst gehad. De reis van Naomi naar Moab was geen vakantiereis. Ze gingen daarheen om er te blijven. Naomi heeft heel wat zwarte sneeuw gezien. Ze heeft daar haar man en twee zonen door de dood verloren. Rouw en verdriet hebben haar leven getekend. Na tien jaar verblijf in Moab brengt de Heere haar terug in Bethlehem. Haar schoondochter Orpa neemt afscheid en gaat terug naar haar familie. Haar andere schoondochter gaat met haar mee naar het land van Juda. In onze tekst hebben Naomi en Ruth de reis van Moab naar Bethlehem achter de rug. ‘Is dat Naómi?’ zo zeiden de dorpelingen. Ze zag er blijkbaar met haar gebogen gestalte, haar weduwkleed en haar door droefheid gegroefde gelaat niet meer zo ‘liefelijk’ uit. Toch… belangrijker dan wat mensen er van vinden of zeggen, is wat God ervan maakt. Hij leidt alles naar Zijn raad. Het spoor dat God door de wereldgeschiedenis en door mensenlevens trekt, is vaak verborgen, maar soms licht het verrassend op, zoals hier in laatste vers van Ruth één. We zien in die woorden als het ware de gunst van God over alles wat er gebeurt. De gunst van God, zegt u? Ja, want alzo kwam Naómi weder, niet Mara! In haar eigen ogen was ze Mara geworden, maar in Gods ogen was ze Naómi gebleven. Doorslaggevend is niet hoe wij de werkelijkheid beleven. We kunnen ons leven als uitzichtloos ervaren, maar die ervaring heeft niet het laatste woord. ‘In Uw licht zien wij het licht’ zegt Psalm 33. God is er ook nog. Zijn Woord, Zijn verbond en beloften zijn er ook nog. Gods trouw houdt stand. Daarom is Mara toch Naómi. De gunst van God licht over de terugkeer van Naomi. We lezen: ‘Alzo kwam Naomi weder en Ruth…’. Wat een goedheid van God. Naómi is niet alleen, Ruth is bij haar. Het staat er telkens met nadruk. Ruth de Moabietische! Zoals de Bijbel ook spreekt over Rachab de hoer. Niet om te brandmerken, of om vast te pinnen op een heidens of zondig verleden, maar tot roem van Gods ontferming. Ruth komt toch in Bethlehem. En straks zal ze huwen met Boaz, die nota bene een zoon van Rachab de hoer was (Matth. 1:5).

Daar hebt u de lijn van dit Schriftwoord naar de komst van Christus. Jezus komt naar deze wereld als de lang beloofde Messias. Met advent zijn we gewoon te denken aan de beloften van God met betrekking tot de komst van Christus in het vlees. Zo’n belofte hebben we hier. Ter wille van de Heere Jezus komt Ruth hier in Bethlehem. Omdat de Zoon van God vlees en bloed wilde aannemen uit Rahab en Ruth. Daarom worden Filistijnen, Tyriërs, Moren en Moabieten in Israël ingelijfd. Door alle menselijke fouten en zonden, door alle menselijke reacties en beslissingen heen koerst God aan op de komst van Zijn Rijk. Daarom mogen we zeggen: de komst van Ruth in de stad van Boaz staat in verband met de komst van Christus in het vlees. Hier wordt een nieuwe etappe toegevoegd aan de grote weg van God naar Bethlehem. God werkt aan op de vleeswording van het Woord. De moederbelofte moet en zal vervuld worden. Maar wat vervult de Heere Zijn beloften altijd in een wonderlijke weg. Het gaat vaak door de onmogelijkheid heen. Zo is het niet alleen in de heilsgeschiedenis maar ook in de levensgeschiedenis van Gods kinderen. We moeten telkens weer aan het eind van onze mogelijkheden komen om te leren dat wat bij de mensen onmogelijk is, bij de Heere mogelijk is. Soms is Gods weg duister voor ons, onbegrepen, maar achteraf zie je daar Gods wonder­lijke voorzienigheid in: dat Hij je van stap tot stap heeft geleid. Mag u zo wel eens terugzien in uw leven? Dan zie je dat je te doen hebt met een verrassend God, Die het niet alleen belooft, maar het ook doet.

In vers 13 heeft Naómi gesproken over de hand van de HEERE, die tegen haar is uitgegaan. Zijn hand is echter niet alleen een slaande hand vanwege onze zonde. Zijn hand is boven alles een zegenende hand, een vaderlijke hand vol liefde en ontferming. Dat wordt zichtbaar in de doorboorde handen van Christus. En die hand heeft God bij onze doop al op ons hoofd gelegd. Daar sprak Hij: Ik wil uw God zijn, Ik wil je tot Mijn kind aannemen, alle kwaad van je weren of ten beste keren.

Wie in geloof zijn hand mag leggen in Gods hand, die mag weten dat er ook voor hem of haar toekomst is. Dan is er een veilige thuiskomst als onze levensreis ten einde loopt, ondanks al onze zonden en afdwalingen. Hij is zo vergevingsgezind! Vanwege Jezus’ doorboorde handen. Hij, Gods Naómi, de Liefelijke, de Zoon van Gods welbehagen, Die naar deze wereld kwam om ‘Mara’ te worden. Om van God verlaten te worden, opdat wij door genade zouden mogen weten, in leven en sterven: Mijn God is Koning (de betekenis van de naam Elimelech). Koning voor eeuwig. Want onze Koning is van Israëls God gegeven (Psalm 89:8 berijmd).

Ds. C. G. Vreugdenhil