Liefde en inwoning (1)

“Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn Woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en zullen woning bij hem maken” (Johannes 14:23.)

Als jonge stellen gaan trouwen hebben ze bijna altijd een eigen woning. Een huurwoning, of een koopwoning die ze opgeknapt hebben. Het gebeurt wel eens dat ze een kamer moeten verhuren om de hypotheek op te brengen, maar zo’n inwoning is niet altijd even plezierig, want je moet wel heel goed rekening met elkaar houden. Meestal is inwoning niet zo’n succes.

In onze tekst gaat het ook over inwoning en dat is een grote zegen. Dat is zo rijk en zo heerlijk dat het bijna niet met woorden te zeggen is. U wordt er echt helemaal gelukkig van. Je krijgt vrede en troost, ondanks dat je in alles rekening moet houden met die inwoning. Weet u Wie Zijn intrek wil nemen in ons hart en in ons leven? Dat is God, de drie-enige God: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Je kunt ook zeggen: God de Vader en God de Zoon wil in ons wonen door de Heilige Geest. Die grote, heerlijke, heilige God wil wonen in de harten van Zijn kinderen.

In Zijn discipelen. Dat zijn mensen die Jezus liefhebben en die Zijn Woord bewaren. Tot hen zegt Jezus: Wij (de Vader en Ik) zullen tot hem komen en woning bij hem maken. Dat is toch een duizelingwekkende gedachte! De drie-enige God Die woont in een klein zondig mens. God woont in Zijn kinderen door de Heilige Geest. Zoiets vind je in geen enkele andere godsdienst. Hoe is het mogelijk dat God zo dicht bij ons wil komen? Die God voor Wie Abraham op zijn aangezicht ter aarde viel. Zo groot, zo heilig is God. De Heilige Israëls. God boven ons, God voor ons, wil ook zijn: God in ons!

Dat de Geest van God op mensen rust dat kom je op heel veel plaatsen in de Bijbel tegen. Dat de Geest over mensen komt staat ook vaak in de Bijbel. Maar het meest innige en intieme is toch  wel dat God ín ons komt! Dat je helemaal vol wordt van God. Van de Geest van Christus. Hij waait waarheen Hij wil, maar dat gebeurt nooit los van Christus. Dat gebeurt nooit los van het lijden van de Heere Jezus aan het kruis en van de opstanding van Christus in de hof van Jozef. Het eigene van de Geest is immers dat Hij ons Christus op het hart bindt.

De Geest staat ook niet los van de Vader. Hij wordt verschillende keren de ‘belofte van de Vader’ genoemd. Maar ook de Trooster, zoals in Johannes 14. De Trooster is Degene Die namens Jezus helpt en bijstaat. Nu zegt de Heere Jezus tegen Zijn discipelen: “Wij, de Vader en Ik, zullen tot hem komen en woning bij hem maken. Deze belofte is vervuld op Pinksteren. Daarom staat er in het Pinksterevangelie: “… en zij werden allen vervuld met de Heilige Geest”. De Heilige Geest vervult de harten van Gods kinderen. Die maakt gemeenschap tussen God en mensen en dan komt de Geest bij mensen woning maken voor de Vader en de Zoon.

Hoe moet je je dat nu voorstellen? Wel, zoals God in de Kerstnacht in de kribbe komt in de Persoon van de Zoon, zo komt God op de Pinksterdag in de harten van de gelovigen in Jeruzalem in de Persoon van de Heilige Geest. Eerst kwam Hij in het vlees om als mens op deze aarde te lijden en te strijden, om het offer te brengen en de zaligheid aan te brengen. En op Pinksteren komt God in de Geest om in de harten van de Zijnen te wonen.

Het is de drie-enige God Zelf, Die hen leidt op al hun levenspaden. Die hen troost, Die altijd bij hen blijft. Wat een rijke Pinksterweelde. Christus hun oudste Broeder en Zaligmaker, Die lichamelijk naar de hemel gevaren is, woont door de Heilige Geest in hun harten. God de Vader komt hen zo nabij dat ze door de Geest mogen roepen: ‘Abba, Vader’ (Romeinen 8:15). Juist als het moeilijk is. Juist als ze de weg niet meer weten, want dat woordje ‘roepen’ is niet iets van aanbidding, maar dat woordje roepen betekent een roep in angst, een roep in doodsnood. Het komt eigenlijk van de schreeuw van een vogel die in doodsnood is. Dát woordje roepen wordt gebruikt. Dus Vader aanroepen, zoals een kind in nood roept: Papa, help! Zo! Vader, help! Hebt u dat wel eens? Als je het moeilijk hebt en je weet niet meer hoe het moet en er gebeuren dingen die je  anders had gewild, dan mag je roepen: ‘Vader! Lieve Vader! Help me toch in mijn nood’.

Iemand denkt  misschien: Is dat voor mij ook haalbaar? Jazeker, dat is haalbaar. Dit geldt –  staat er – voor allen die Jezus liefhebben. Dit geldt voor allen die Zijn Woord bewaren. Dus de vraag is: Doet u dat? Hebt u Hem lief en bewaart u Zijn Woord? Wat een voorrecht! Dan kun je nog wel vreemdeling zijn op aarde en toch ben je dan ten diepste niet eenzaam meer, want je mag altijd roepen: ‘Vader, help!’ Hoe moeilijk het ook in je leven wordt.

Het gaat hier niet om een hele diepe, ondefinieerbare, innerlijke, mystieke band met God zonder het Woord. Daar moet u niet aan denken. Want het is, zegt Jezus, voor de ‘Woord-bewaarders’ tot wie God komt om woning te maken. De ontmoeting en de omgang met God gaan nooit boven het Woord uit. Het Woord is en blijft doorslaggevend. En dat Woord bewaar je toch als je Hem liefhebt? Als je een liefdesbrief krijgt van een meisje, waarin ze zegt hoeveel ze van je houdt, dan gooi je die toch niet in de prullenbak? Die bewaar je toch? Zo is dat nu ook met het Woord van God. Dat Woord bewaar je in je hart. En je leest het nog eens over. In het Woord verklaart Christus ons Zijn liefde. En dat is zo rijk, dat bewaar je toch! Die hart innemende liefdesverklaring van de Bruidegom: Ik heb je liefgehad met een eeuwige liefde. Ik wil je hebben als Mijn Bruid, zoals je bent. Ik bekleed je met Mijn heil, Ik voed je met Mijn leven. Ik troost je met Mijn Geest. Ik red je door Mijn bloed. Ik ondertrouw je in gemeenschap van goederen: al het Mijne is voortaan voor jou. En jouw schuld werd de Mijne. Als u die woorden van Christus gelooft, dan geldt die belofte voor u ook: “Wij zullen tot Hem komen en Wij zullen woning bij hem maken.”

ds. C. G. Vreugdenhil

De zorg van God in de wisseling van de seizoenen

Gij vernieuwt het gelaat van het aardrijk” (Psalm 104:30b).

De lente is gekomen, maar het is nog koud. De bomen worden nog maar net groen. Fruitbomen beginnen te bloeien. In Psalm 104 bezingt de dichter de heerlijkheid van God in de schepping. “o Heere, mijn God! Gij zijt zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid” (vers 1).

God zorgt voor mens en dier, voor heel de schepping: de bergen en de fonteinen, de dieren van het veld en de woudezels, de zon en de maan, de dag en de nacht. Hij doet het gras uitspruiten, laat de vogels nestelen, geeft aan steenbokken en konijnen een schuilplaats en voedsel. Hij zorgt voor de vissen in de zee.

Dat is alles het algemene werk van de Heilige Geest in de schepping. Lees maar mee in vers 30: “Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat van het aardrijk”. Heel de schepping spreekt van de heerlijkheid van God, Die Zich verblijdt in Zijn werken. De bedoeling van die openbaring van Gods heerlijkheid in het rijk van de natuur lezen we in vers 34: “Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in de Heere verblijden”.

Het is goed als we ons door dit – helaas wat koude – voorjaar in deze tijd tussen Pasen en Pinksteren laten opleiden tot de overdenking van Gods heerlijkheid. Niet alleen in het rijk van de schepping, maar ook in het rijk van de genade. Als in het voorjaar de aarde op vele plaatsen openbarst, en een bloemenpracht verschijnt in duizenden kleuren, dan roept dat ons op om God te prijzen.

Je kunt in de meimaand zelfs de zoete geur van de meidoorn ruiken. De zingende vogels en uitbottende knoppen, die bloeiende bloemen en zonovergoten akkers zijn als het ware een prediking. Een boodschap van God, de Schepper van dit alles. Hij laat iets van Zijn heerlijkheid zien in de natuur.

Misschien heb je daar nog nooit over nagedacht, maar dat weelderige bloemenleven van het voorjaar en de zomer is alleen maar mogelijk doordat de dood eraan voorafgegaan is. Er is een zaad in de aarde gezaaid. Dat zaad is in de aarde vergaan. Maar juist door dat sterven breekt er nieuw leven open. Leven door de dood! Je kijkt je ogen uit! Wat een bloemenpracht! Wat een schitterende kleurschakeringen! Wat een harmonie in kleur en vorm. Wat een schoonheid.

Dat is nog eens wat anders dan al die geluiden en beelden, die je dagelijks hoort via de media. Die laten ons de wantoestanden uit de maatschappij en de wereld waarin we leven, zien en horen. Oorlogsgeweld en natuurrampen staan op ons netvlies en beroeren onze geest. Je zou dat soms uit je gedachten willen bannen.

Kijk eens naar de bloemen op het veld, luister naar het gezang van de vogels in de lucht en verwonder je over de lammetjes in de wei. Zij vertellen ons een boodschap. Ongelooflijk mooi is die boodschap. Weet je wat de schepping van God ons te zeggen heeft? Die laat ons iets zien van de onuitsprekelijke heerlijkheid van God en zijn zorg voor ons.

Bloemen zijn aards, maar de heerlijkheid die God geven wil aan Zijn kinderen komt uit de hemel vandaan. Die heerlijkheid is de vrucht van het lijden en sterven van niemand minder dan de Heere Jezus Christus, de Zoon van God! Hij is Zelf als een graankorrel in de aarde gezaaid. Dit is een beeld van de kruisdood en de begrafenis van Christus op Goede Vrijdag. Maar Hij is niet in de dood gebleven.

Hij is opgestaan uit de dood. Het werd Pasen. De graankorrel is gestorven en in de aarde ontkiemd tot nieuw leven. Net als bij de bloemen en de vruchten in de natuur. Waarom deed Jezus dat? De Bijbel zegt: Opdat een ieder, die in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar het eeuwige leven zal hebben.

De dichter van deze Psalm ziet heel het leven, de schepping, zijn dagelijks werk en de opbrengst van het land vanuit zijn verhouding tot God. Vanuit de verzoening. Dan schittert alles vanwege de glans van Gods genade. Dan zie je daar het kruis achter.

Onze Psalm is een jubel op de schepping als een werk van God de Schepper. Maar ook een loflied op Gods goedheid in het onderhoud van Zijn schepping en in Zijn vaderlijke zorg voor de mens. Duidelijk wordt bij bestudering van deze Psalm dat de Heere Zijn schepping gegeven heeft om haar dankbaar te gebruiken en ervan te genieten. Wie dat beseft komt als vanzelf uit bij de lof op de Heere God.

In deze Psalm valt het licht van Gods genade over alle dagelijkse dingen. We lezen dat overal Gods hand achter zit: schepping en onderhouding, regen en vruchtbaarheid, gras voor de beesten en brood voor de mensen, arbeid en gezondheid, dat de zon opgaat over ons leven, onze nachtrust en de gang van de seizoenen als een werk van de Geest in de natuur.

Voorafgaand aan de lente is er de winter, ook met betrekking tot het geloofsleven. Ons leven van nature is koud en dood en onvruchtbaar. Er zit geen smaak en geen geur aan. Het zijn donkere dagen. Alles lijkt wel bevroren, er zit een dikke ijskorst om ons hart. Op zijn best zijn we brave kerkmensen, maar van binnen deugt het niet. We kunnen ijverig zijn, serieus leven, maar toch geestelijk dood zijn.

Maar als de Geest komt, verandert alles. De winter gaat voorbij en maakt plaats voor de geestelijke lente. Die verandering vertoont veel overeenkomst met de lente in de natuur. In de natuur verandert niet alles van de ene op de andere dag. Er zijn bomen en struiken die in een enkele dag tot bloei komen, bij anderen gaat het ontzettend traag. Niet anders is het in de geestelijke vernieuwing. Er zijn mensen die in een enkele dag of week zo krachtig tot verandering komen, dat het voor ieder duidelijk is dat ze zijn wedergeboren. Bij anderen kan het een strijd van jaren zijn voordat het nieuwe leven werkelijk krachtig en fris doorbreekt.

Het blijft echter niet altijd lente. De zomer komt met al haar groei en bloei. Is dat de meest productieve periode in een mensenleven? Op sommige punten misschien. Als het gaat over kwantiteit. Heel wat prestaties worden geleverd. Ook in de kerk en in het geloof. Toch is er soms meer vuur dan licht.

Zeker, er zijn zomervruchten. En die zijn nodig voor je levensonderhoud, ook in het geloof. De vrucht van de Geest is onmisbaar om in een christelijke levensstijl om te gaan met je naaste: liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, betrouwbaarheid, ootmoed en zelfbeheersing.

Na de zomer komt de herfst. Dan denk je aan de 65 plussers. Maar ook aan geestelijke rijpheid. Wat een zegen als je dan nog fris en groen mag zijn om te verkondigen dat de Heere waarachtig is. Zoals het fruit pas in het najaar rijpt en zijn goede kleur en smaak krijgt, zo is het ook in het leven van een kind van God. Bij het ouder worden komt als het goed is de rijping tot een hoogtepunt.

We kennen allemaal het verschil tussen rijp en onrijp fruit. Het laatste is wrang, zuur en hard. Het eerste is zacht en zoet, sappig en vol van smaak. Geestelijke rijpheid is veel meer waard dan materiele rijkdom. Je ziet dat gelovige ouderen milder worden in hun oordeel, ze hebben meer zelfkennis en onderscheidingsvermogen en kunnen daardoor anderen bemoedigen.

Die geestelijke volwassenheid is nodig om in liefde en toewijding voor God en je naaste te leven. Door de jaren van oefening heen komt er een diepgaander relatie met God en je medemens in betrokkenheid en meeleven, warmte en zorg, wijsheid en inzicht. Wat kunnen onze vitale senioren in de herfst van hun leven geweldig dienstbaar zijn en zich in de gemeente richten op zorg en welzijn.

Zo gaat het bij de wisseling van de seizoenen om de eer van God en het heil van onze naaste. Loof de Heere mijn ziel, Hallelujah (vers 35).

ds. C.G. Vreugdenhil

Smyrna, de gemeente onder het kruis

Ik weet uw werken, en verdrukking, en armoede (doch gij zijt rijk), en de lastering dergenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar zijn een synagoge des satans.

Vrees geen der dingen, die gij lijden zult. Ziet, de duivel zal enigen van ulieden in de gevangenis werpen, opdat gij verzocht wordt; en gij zult een verdrukking hebben van tien dagen. Zijt getrouw tot den dood, en Ik zal u geven de kroon des levens. (Openbaring 2:9-10)

De gemeente van Smyrna wandelt in het voetspoor van Christus. Zij is ge­meente onder het kruis. Dat is de beste gestalte voor de gemeente van Christus in deze wereld, want Hijzelf is de Kruiskoning. Let u maar eens op in uw eigen leven. Juist in gemeenschap met het lijden van Christus, bent u het meest vruchtbaar. Dan leeft u dicht bij uw Heere. De naam Smyrna is ook zo veel betekenend. Dat woord betekent im­mers ‘mirre’! Is dat in de Bijbel niet het beeld van het lijden en het offer? Kreeg Jezus niet wijn te drinken, die met mirre gemengd was? Zo was het ook met de gemeente van Smyrna, die zoveel lijden moest doormaken en aan wie nog meer lijden werd voor­zegd.

De christenen woonden in de krotwoningen van de armen­buurt. En ze leden letterlijk armoe­de. Dat zegt Christus ook in Zijn brief: “Ik weet uw armoede”. En Hij weet ook hoe dat komt. Hun armoede was het gevolg van hun ‘chris­tenzijn’.

De zaken van die berooide christenen in Smyrna gingen failliet en het brood werd hen uit de mond gestolen. Bij die armoede kwam nog eens de vuile laster van de kant van de Joden.

De gemeente van Smyrna was arm naar de wereld, maar rijk in God! Hun rijkdom was de enige troost, die ze mochten kennen, namelijk om het eigendom van Christus te zijn. En zo kon de gemeente van Smyrna toch verder leven… als ge­meente onder het kruis, vooral onder hét  kruis!

Christus zegt tegen hen: “Ik weet uw… armoede, doch gij zijt rijk” (Openb. 2:9a). In de gemeente van Smyrna waren zelfs leden letterlijk tot de bedelstaf geraakt. Zo arm waren ze vanwege hun geloof. Omdat ze hun Heere en Heiland niet verloo­chenen wilden ter wille van een goede baan. Van

hen zegt Christus: “Ik weet uw armoede”. Hij weet ervan af. Hij zorgt voor hen.

Hij zegt verder: “Doch gij zijt rijk”. Er staat niet: gij zúlt rijk zijn, maar gij zíjt rijk. Nu al! Wie Christus kent, is schatrijk in al zijn armoede, want dan mag je leven uit al Zijn goederen. Laat de wereld maar feestvie­ren en de draak met u steken. Zij zijn arm, doodarm, want ze verliezen hun ziel voor de eeuwigheid. Maar u, die in Mij gelooft en Mij liefhebt, u bent rijk, schatrijk. Al telt u dan niet mee in de wereld, u hoort bij Mij en al het Mijne is het uwe. U hebt een rijke Vader in de hemel. U hebt vrede met God. U bent uit de dood overgegaan in het leven. Het goed, dat nimmermeer vergaat, is uw deel. De verzoening door Mijn bloed. De verlossing uit de macht van de zonde. U bent kinderen van God en straks wacht u de eeuwige erfenis. Wat een rijkdom!

Moet de Heere Jezus misschien het omgekeerde van u zeggen? “Ik weet uw rijkdom, doch gij zijt arm!” Dat ben je als je met je hele hart hangt aan je aardse goederen. Als je leeft en werkt voor de Mammon en arm bent in God. Je kunt geen twee heren dienen. Kiest dan heden wie ge dienen zult.

“En gij zult een verdrukking hebben van tien dagen”(Openb. 2:10 midden). Christus weet ook wat verdrukking is, want Hij is dezelfde weg gegaan. Hij heeft dat spoor eerst getrokken en weet alles uit eigen ondervinding. Wat is Hij verdrukt en belasterd, ook door de Joden, die hier genoemd worden. Hij is door de godsdienst uitgewor­pen. Het is alsof Hij nu zeggen wil: Mijn verdrukte gemeente in Smyrna, Ik ben heel dichtbij u.

Jezus zegt: Ik weet uw verdrukking en laster. Ik heb er Zelf ook zo bitter onder geleden. Ik ben er zelfs aan gestorven. Ze hebben Mij be­lasterd, en ze doen het u ook. De valse godsdienst heeft Mij gehaat, en ze doet het u ook.

De Joden mogen zich dan wel beschouwen als een sy­nagoge van God als ze op hun sabbatten bijeen komen, maar de duivel is hun voorzitter. Ze zijn een ‘synagoge des satans’. En wat doet Christus nu? Belooft Hij die getrouwe en verdrukte gemeente van Smyrna dat Hij korte metten zal maken met de vijand? Nee, er komen zelfs nieuwe beproevingen, maar de Heere wil het geloof van Smyrna louteren, sterken en stalen en de echtheid ervan aan het licht brengen.

Opdat gij verzocht wordt. Ze behoefden alleen hun Heere maar te verloo­chenen, dan waren ze weer vrij en geëerd, dan hadden ze weer brood op de plank en mochten ze weer naar huis, naar hun gezin. Wat zou u doen? Zou dat nu zo erg zijn om een keer te zeggen dat Jezus hun Heere niet was?

Christus troost Zijn gemeente. Hij tilt ze uit boven ’t alledaagse beeld van lijden en verdruk­king. Hij werpt ze terug op Hemzelf en op Zijn leiding: “Vrees geen der dingen die gij lijden zult… en gij zult een verdrukking hebben van tien dagen!” Tien dagen! De tijd van de ver­zoeking is door God bepaald. Hij weet ervan af. Niets loopt Hem uit de hand. God bepaalt de maat van de druk. Dat geldt u als u grote zorgen hebt. Dat geldt in het bijzonder de vervolgde kerk vandaag. Denk eens aan het werk van Open Doors en de gemeenten die geholpen worden.

“Zijt getrouw tot den dood, en Ik zal u geven de kroon des levens” (Openb.2:10c). Dat woordje ‘trouw’ heeft te maken met het woordje ‘trouwen’, en daar blijkt, behalve het geloof, ook de liefde uit. Die onver­brekelijke band, die met God verbindt tot in de dood, ja, zelfs door de dood heen tot in het eeuwige leven.

Getrouw tot de dood wil niet alleen zeggen: totdat je sterft. Maar vooral: ook als het uw leven kost! Dit wijst op het martelaar­schap om de naam van Jezus. De gelovigen in Smyrna worden geacht als slachtschapen. Ze zullen moeten kiezen tussen de martel­dood om Christus’ wil of de vrijheid van de verloochenaar.

Is het gevaar in onze tijd niet dat de kerk geestelijk in slaap sukkelt? Waar geen verdrukking en geloofsver­volging is, is vaak ook weinig vuur en vlam voor de dienst van de Heere.

Ziende op Zijn trouw kon Polycarpus, de bisschop van Smyrna, tot de proconsul, die hem vroeg om Christus te verloochenen in ruil voor zijn in vrijheidstelling, zeggen: “86 jaar heb Ik Hem gediend en Hij deed me nooit enig onrecht, hoe kan ik dan mijn Koning en Zaligmaker lasteren? U dreigt mij met vuur dat een uur brandt en even later is uitgedoofd, maar u bent onkundig van het vuur van het toekomstige gericht en de eeuwige straf, die voor de goddelo­zen bewaard wordt”. Even later verschroei­den de vlammen zijn lichaam. Polycarpus werd door de eerste dood gegrepen, maar van de tweede dood niet beschadigd, want hij ontving de kroon des levens, het eeuwige leven.

ds. C.G. Vreugdenhil

De doden bewaakten het leven

‘En uit vrees van hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden, en werden als doden’ (Matth. 28:4)

Bij het graf van Jezus werden wachters gezet! Denk eens even na over deze woorden. Het graf van een dode moet bewaakt worden en verzegeld. Gewapende soldaten staan bij een graf. Jezus mòcht eens opstaan. De discipelen mòchten Zijn dode lichaam eens stelen. Dat was de zorg van het Sanhedrin. De soldaten hielden de wacht. Hoe ze de nacht doorgekomen zijn, staat er niet. Hebben ze gepraat en gedobbeld? En dan opeens is daar een engel; als een bliksem, als een fel licht. Ook een aardbeving. De angst vliegt hen naar de keel. De bewakers van het dode lichaam van Jezus worden zelf als doden. Ze verstijven van schrik. Ze schrikken zich dood. Tegen God helpen geen zegels en soldaten. Lees meer

Een mens kan geen ding aannemen

“Johannes antwoordde en zeide: Een mens kan niets nemen, zo het hem niet uit de hemel gegeven wordt.” (Johannes 3:27)

Je hoort nogal eens zeggen: Al die mensen die het hebben over ‘je moet Christus aannemen’ hebben een oppervlakkig geloof. Is het dan maar beter om Hem niet aan te nemen? Johannes zegt ook al: ‘Een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit de hemel niet gegeven zij’ (Johannes 3:27). Lees meer

Christus kwam niet om de wereld te veroordelen

“Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou… maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God” (Joh. 3:17a en 18b).

Liefde bewijst zich in daden. God zond Zijn Zoon. Dat had Hij beloofd in het paradijs. Al Zijn beloften heeft Hij vervuld. ‘Gezonden’ betekent: ‘weggezonden’. Hij deed afstand van Hem, Hij gaf Hem over, Hij spaarde Hem niet. Wat een liefde! De Vader had er alles voor over. Zo verregaand was de liefde van God, dat Hij kwam tot het uiterste: God gaf Zijn Zoon. Lees meer

God zond Zijn Zoon in de wereld

‘Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou’ (Joh. 3:17).

De kerstdagen zijn weer voorbij. Het is inmiddels 2016. Dat klinkt nog wel wat onwennig, zo aan het begin van de nieuwe jaarkring. We voelen ons op zo’n moment soms verlegen en onzeker. We hebben in onze technische wereld veel in de hand, maar wat er morgen of overmorgen of dit nieuwe jaar zal gebeuren, daar weten we niets van, alle prognoses ten spijt. Lees meer

Verblijd zijn met de blijden

‘En de tijd van Elizabeth werd vervuld, dat zij baren zoude, en zij baarde een zoon. En die daar rondom woonden, en haar magen (familieleden) hoorden, dat de Heere Zijn barmhartigheid grotelijks aan haar bewezen had, en waren met haar verblijd’ (Lukas 1:57-58). Lees meer

Training in Godsvrucht

‘… oefen uzelven tot godzaligheid. Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut; maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte van het tegenwoordige en het toekomende leven’ (1 Tim.4:7b-8). Lees meer

Het profetische woord

“En wij hebben het profetische Woord…”  (2 Petr.1:19a)

Wij kennen allemaal wel die drie bekende kleine zinnetjes, die bij iedere Reformatieherdenking uitgesproken worden. Sola gratia (uit genade alleen), sola fide (door het geloof alleen) en sola Scriptura (de Schrift alleen). Lees meer