Gebed der gemeente

Petrus dan werd in de gevangenis bewaard; maar van de gemeente werd een gedurig gebed tot God voor hem gedaan.” Handelingen 12:5

Waar de Heere Zijn Kerk bouwt, plaatst de satan zijn kapel. Altijd zal de vorst der duisternis trachten Gods werk teniet te doen. De Heere werkte krachtig door na de uitstorting van de Heilige Geest op de pinksterdag. Lezen we van drieduizend op de pinksterdag, in Handelingen 4 wordt gezegd dat het getal der mannen die geloofden omtrent vijfduizend was. Wanneer we dan bedenken dat er ook vrouwen en kinderen onder de verslagenen zijn geweest, dan kunnen we wel zeggen dat het een tijd geweest is van bijzondere groei.

Dit wil de satan verhinderen en hij bedient zich onder Gods toelating van Herodes Agrippa. Deze slaat de handen aan sommigen van de gemeente des Heeren en doodt Jacobus, de broeder van Johannes. Dat was naar de zin van de Joden die vijanden waren van de Persoon en het werk van Christus. Als Herodes merkt dat de dood van Jacobus de Joden welgevallig is, laat hij ook Petrus vangen en in de gevangenis opsluiten. Ongetwijfeld met de bedoeling hem na het paasfeest ter dood te brengen. Eigen eer en mensengunst drong deze goddeloze Herodes hiertoe. Wat zal de jonge Kerk bevreesd geweest zijn! Zal hetgeen de Heere gebouwd heeft nu door de satan weer worden afgebroken? Vervolging brak uit. Stefanus was gestenigd, Jacobus onthoofd en zou… zou nu Petrus hen moeten ontvallen?

Het bracht de jonge gemeente in de nood en zij mocht grijpen naar het beste wapen in de strijd van de beproeving: het gebed. De tijd om te bidden voor het behoud van hun geliefde Petrus werd hen vergund. Hij werd immers in de gevangenis bewaard. Naarmate de dagen verstreken werd de nood groter. Een nood die opgebonden werd op het hart van de gemeente en uitdreef naar de troon van Gods genade: “maar van de gemeente werd een gedurig gebed tot God voor hem gedaan”.

Wordt het vandaag nog gevonden? Of leven we als gemeente als los zand naast elkaar zonder dat we ons om de nood van onze naaste bekommeren? Zeker, het is een teken van deze tijd. We leven allen ons eigen leventje, doen wat nodig is voor de kost en verder zoeken we zoveel mogelijk ons vertier in de wereld en in de zonden. Niets werelds is ons vreemd en we trachten deze wereld tot op het bot toe af te schrapen! Een mens, ook een godsdienstig mens, leeft in zijn ongerechtigheid voort. De Heere zegt van zulken: “En omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden”. Liefdeloosheid is een vruchtgevolg van onze val in Adam.

Daarom is het zo’n wonder dat er voor Petrus een gedurig gebed tot God voor hem gedaan werd. Dat is vrucht van genade! Genade is het als een mens de nood van zijn ziel gaat gevoelen en herstelling gaat zoeken met een God buiten Wiens gemeenschap hij zich heeft gezondigd. Genade is het als God gaat leren dat alleen Christus die breuk kan herstellen. Genade is het als Gods Geest alle gronden tot behoud uit handen gaat nemen en leert roepen: Is er enig middel, waardoor wij deze straf zouden kunnen ontgaan en wederom tot genade komen? Genade is het als een ziel de straf op de zonde door de liefde mag billijken en Gode niets ongerijmds kan en wil toeschrijven! Genade is het als Christus Zich openbaart als de enige Weg tot zaligheid. Zeker, het is waar: genade is een persoonlijke zaak.

Maar daar waar Gods genade wordt verheerlijkt, verbindt dit ook aan elkaar, in het bijzonder te midden van de nood! Petrus werd meegedragen, opgedragen in een gedurig gebed. En wat bleek het daar: een krachtig gebed van de rechtvaardige vermag veel. God zond een engel die Petrus uit de gevangenis verloste en hem redde uit de hand van de satansknecht. Petrus mocht voor hen behouden worden in de weg van het wonder. Een aangebonden leven aan de troon van Gods genade blijft niet zonder vrucht! Het werd waar: “Op uw noodgeschrei, deed Ik grote wond’ren”.

 

Ds. E. Bakker

Geloofstrouw en geloofsverwondering

“Uw ogen zullen zijn op dit veld, dat zij maaien zullen … als u dorst, zo ga tot de vaten … Toen viel zij op haar aangezicht, en boog zich ter aarde, en zeide tot hem: Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat gij mij kent, daar ik een vreemde ben?” (Ruth 2:9-10)

Wat is het eerste contact met Boaz meegevallen voor Ruth. Waarom zouden we toch bang zijn of nodeloos in achterdocht verkeren op weg naar Jezus? Zo schrikwekkend is Hij toch niet. Uw zonden en uw vervreemding, uw afkomst en uw rechteloosheid kunnen niet op tegen de vriendelijkheid en de liefde van de ‘meerdere Boaz’. Hij kwam ons zo nabij in ons vlees en bloed uit de maagd Maria. Wie aren raapt op de akker van Zijn Woord, zal ervaren hoe vol Zijn hart en mond is van innerlijke ontferming.

Blijf op Zijn akker en ga al bukkend achter de maaiers aan. Blijf trouw aan het veld van Boaz en houdt u aan de woorden van Boaz. Dat is geloofstrouw! Vasthouden aan Hem en de zoom van Zijn kleed aanraken zoals de bloedvloeiende vrouw. Volharden in het aren lezen op de akker van Boaz. “Uw ogen zullen zijn op dit veld.” Hier loopt u niet het minste gevaar. Wie de weg van het Woord niet gaat, loopt wel gevaar. Hij kent onze wispelturigheid en de ongestadigheid van ons hart. Hij weet alles af van onze weerspannigheid en eigenwijsheid. Wij zouden zomaar weer een andere weg inslaan en daarom maant Hij ons liefdevol tot trouw en volharding: “Ga niet om in een ander veld op te lezen; ook zult gij van hier niet weggaan…” (vers 8). Alleen op Boaz terrein valt u onder Zijn hoge bescherming: “… men zal u niet aanroeren”.

Die trouw in het gelovig bezig zijn met het Woord wordt beloond. Ruth mag in dat verschroeiende klimaat en onder dat vermoeiende werk haar dorst lessen. Wat houdt u nog tegen om u te laven aan het levende water van Christus’ verdiensten? Wat hindert u om te drinken uit deze overvloed en met vreugde water te scheppen uit de fonteinen van het heil (Jes. 12:3)? De meerdere Boaz nodigt u. Hij geeft toestemming, juist aan rechtelozen. Achter Zijn nodiging klopt het hart van Zijn liefde. Ga tot de onuitputtelijke vaten van Christus’ liefde en drink.

De woorden van Boaz en de vriendelijkheid, die daaruit blijkt, worden Ruth te machtig. Ze smelt weg van verwondering. Ze is verbaasd over de hartelijkheid van Boaz. Ze kan het niet op. Zoveel zegeningen voor een vreemde, voor een Moabitische! Ze werpt zich neer aan Boaz’ voeten en roept vol verwondering uit: “Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat gij mij kent, daar ik een vreemde ben?”

Wie weet wat het is om vreemdeling te zijn, begrijpt haar. Ruth zet zichzelf er helemaal buiten. Maar voor zulke mensen valt het mee in Israël. Dan is er verwondering. O, wat is Boaz goed en vriendelijk voor haar. Ze heeft nergens recht op en nu vindt ze genade.

Onder zoveel goedertierenheid van Christus houdt geen mens het langer vol. Daar breekt je hart. En dan komt de ware aard van het geloofsleven openbaar in de ‘hoogste stand’ van de genade, namelijk de verwondering! Waarom heb ik genade gevonden? Ik heb het niet verdiend. Waarom Heere? Toets uzelf daar eens aan.

Dat gaat gepaard met buigen: ze viel op haar aangezicht en boog zich ter aarde. Ze gaat door de knieën vanwege zoveel vriendelijkheid.

Bent u ook zo’n arenlezer, die het leven niet meer in eigen hand kan houden om uw leven te verliezen aan Jezus? Geloofsverwondering ontstaat vanuit de weerkaatsing van Zijn liefde in ons hart en leven. Dan vallen we neer aan Zijn voeten en dan krijgt Hij alle eer. U kijkt in hartgrondige verbazing uit de diepte op tot Boaz en zegt: Heere, dat Gij mij toch kent! Dat U toch zo beminnelijk en liefhebbend met mij omgaat. Ik vind geen toorn maar genade in Uw ogen. Waarom? Omdat de meerdere Goël en Losser geboren wilde worden in Bethlehem en Zijn leven gaf aan het kruis.

Ds. C.G. Vreugdenhil

Het werk van de Geest van Pinksteren

”Want door Hem hebben wij beide de toegang door één Geest tot de Vader.”  (Efeze 2:18)

In deze woorden verklaart de apostel het werk van de Geest van Pinksteren, voortvloeiend uit een Drie-enig God. Het is het werk van de Vader, Die gedachten des vredes gehad heeft over Zijn volk. Het behaagde Hem een schuldig volk tot Zich te doen naderen door het bloed des verbonds dat betere dingen spreekt dan Abel. Van die wondere vrijmacht zingt de dichter: ‘Welzalig, dien Gij hebt verkoren, Dien G’ uit al ’t aards gedruis, Doet naad’ren, en Uw heilstem horen, Ja, wonen in Uw huis’.  Het is voorts de Zoon als Middelaar, Die door Zijn gezegende verdiensten Zijn kinderen de toegang geopend heeft tot het binnenste heiligdom door Zijn dierbaar bloed. Door Zijn aangebrachte gerechtigheid maakt Hij hen aangenaam en heerlijk in de ogen van de Vader. Alleen op grond van Zijn alles reinigende bloed is Zijn gedurige voorbede voor hen een eisend bidden en een biddend eisen. Door Zijn volbrachte Middelaarswerk stelt Hij hen eenmaal de Vader voor als een reine maagd, zonder vlek en rimpel.  Doch nu is het bijzonder God de Heilige Geest, geschonken in het hart van Zijn volk, Die hen met Christus verenigt door het geloof en dóór Hem met de Vader. Dat is de wondere bediening en betekenis van de uitstorting van de Geest van Pinksteren. Op de dag van Zijn hemelvaart is Christus door de Vader verhoogd aan de rechterhand van de troon der Majesteit in de hemelen. Daar is Hij de Voorspraak bij de Vader en door Zijn Geest woont Hij nu in de harten van Zijn kinderen op aarde. Hij vervult Zijn belofte: ‘Ik zal u geen wezen laten’. Door één Geest. Hier geldt geen besnijdenis of voorhuid, geen dienstknecht of vrije. Hier is de scheiding weggevallen tussen Jood en heiden en wordt het door Goddelijke genade: één Heere, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, Die daar is boven allen en door allen en in u allen. En zó is de komst van de Heilige Geest op het Pinksterfeest de kroon geweest op het grote werk der verlossing door Jezus Christus. ‘Want door Hem hebben wij beide de toegang door één Geest tot de Vader’. Het is het grote en onuitsprekelijke voorrecht dat de Vader geschonken heeft aan Zijn Kerk.  Om van dit alles nu in dit leven de vertroostende kracht te ervaren, leert de Heere gedurig weer het smeken om de gezegende werking van de Heilige Geest. David bad reeds: ‘En neem Uw Heilige Geest niet van mij’. Zonder die Geest van Pinksteren blijft het hart zo biddeloos, zorgeloos, behoefteloos. Dan heerst de koude winter in de ziel die eens zo hartelijk kon zingen: ‘God heb ik lief’.   Waar de Heere de bediening van Zijn Geest geeft, daar schenkt Hij ook in het hart van Zijn volk een gebed dóór de Geest óm de Geest: ‘Ontwaak, Noordenwind, en kom, gij Zuidenwind, doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate Zijn edele vruchten’.  Het worden de smeekgebeden om de beoefening van de genade en om de dierbare werking van de Heilige Geest. Want onder de bedauwing van die Geest wordt het dode en biddeloze hart weer levendig gesteld en gaan hart en mond weer uitroepen: ‘Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God’.   Die Geest van Pinksteren is het, Die het hart, dat dood is door de zonden en misdaden, wederbaart en levend maakt en door het geloof met Christus verenigt. Uit dat onsterfelijke levensbeginsel vloeien door de kracht van die Geest alle geestelijke werkzaamheden die leiden tot Christus en dóór Hem tot de Vader. Het is het zaligmakend werk van de Heilige Geest het harde hart te verbreken en de ziel te verbrijzelen onder het smartelijk geroep van een schuldig mens voor God: ‘Wee mijner, dat ik zo gezondigd heb’.   Maar het is ook het lievelingswerk van de Heilige Geest als de grote Eliëzer en Bruidswerver van Christus, voor het treurende en wenende zielsoog Christus te ontdekken en bekend te maken in Zijn gewilligheid en Zijn volkomenheid. En altijd weer leidt de Heere Zijn volk door Woord en Geest in alle waarheid. Zelfs in de duistere nachten van strijd en bange twijfel, als satan benauwt en de schuld drukt, dan is de Geest van Pinksteren de beloofde Trooster, Die de beloften Gods gaat vervullen en toepassen. Hij opent de mond van Gods kinderen en leert hen de eerste klanken te stamelen van het ‘Abba; lieve Vader’.   En bij alle droefenis en smartelijk gemis opent Hij het oog voor de beloofde erfenis en doet Hij in heimwee verlangend zingen: ‘Gij maakt eerlang mij ’t levenspad bekend, Waarvan, in druk, ’t vooruitzicht mij verheugde; Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend, Schenkt mij in ’t kort verzadiging van vreugde; De lieflijkheden van ’t zalig hemelleven, Zal eeuwiglijk Uw rechterhand mij geven’.

Ds. J.M. Kleppe

Een biddende gemeente

“Deze allen waren eendrachtig volhardende in het bidden en smeken” (Handelingen 1:14a)

 

Bij de discipelen bemerken we niets van een gedrukte stemming of een pijnlijk gemis na de hemelvaart van Jezus. Ze keren zonder Hem terug naar Jeruzalem. Ze doen dit met grote blijdschap (Lukas 24:52). Ze dragen geen as op hun hoofd en bedrijven geen rouw. Ze zijn bedroefd geweest om Christus’ vernedering. Nu Hij vol majesteit en eer van hen scheidde is er blijdschap en dankbaarheid in hun hart. Want Hij ging zegenend van hen. Hij zal nu boven, vanuit de troonzaal, hen ten goede, daar werkzaam zijn.

Elke dag. Het was Zijn eigen woord: “en ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot aan de voleinding der wereld”. Gods Kerk is nooit alleen, geen enkele dag. In de zwaarste beproevingen is er zijn ondersteunende hand. In dagen van zielsbenauwdheid en van strijd is Hij met hen. In die wetenschap gaan ze samen naar de opperzaal. De discipelen hebben wat tegoed. De Heere heeft ze beloofd de Heilige Geest te zullen geven. Door de gave van de Heilige Geest zullen ze aangedaan worden met kracht uit de hoogte. Dit verwachten wordt een bidden en smeken.

We kunnen veel klagen over geesteloosheid maar er wordt zo weinig (of heel niet?) om de Geest gebeden. En toch heeft de Heere het beloofd (Lukas 11:13): “…..hoeveel temeer zal de Hemelse Vader de Heilige Geest geven degenen, die Hem bidden”? Er is een pleitgrond in het onbedriegelijke Woord van de Heere. Dat Woord geeft hen vrijmoedigheid om de handen op te heffen naar de hemel en hun mond open te doen opdat de Heere Zich bewijze een Waarmaker van Zijn Woord te zijn.

Dat bidden draagt reeds de zekerheid van de verhoring in zich. Ze volharden. Eendrachtig. Ze zijn allen van hetzelfde gevoelen. Wat is dat een zegen. Als God Zijn belofte gaat vervullen is er een eendrachtige, volhardende, biddende gemeente. Het Woord van God en het gebed is de samenbindende kracht.

Al die verschillende mensen samen uitziende naar de komst van de Geest. Eénparig, éénstemmig bidden en smeken. Beschamend voorbeeld lezers? Komt u als gezin nog samen om te bidden? Komt u als gemeente nog samen om te bidden? Komt u als kinderen des Heeren nog samen om te bidden om de Heilige Geest? Waar twee of drie op aarde samenstemmen over één zaak die zij zouden begeren, dat zal hen geschieden van Mijn Vader Die in de hemelen is. Waar twee of drie in Mijn Naam vergaderd zijn, daar ben ik in het midden van hen.

Laat ons gebed zijn, persoonlijk, ambtelijk (op de kerkenraadsverga-dering) om de Heilige Geest.

Eéndrachtig, volhardend, smekend om de doorbreking van de Geest, opdat voor een doorn een dennenboom opga. Op de knieën ouders. Samen bidden jongens en meisjes. Volhardend, smekend om de Heilige Geest. Op dit punt schieten wij dikwijls tekort. Waar geen volhardend gebed is, is geen bloeiend geestelijk leven. Onze biddeloosheid, onze traagheid worde zonde voor God.

Alleen door de Geest wordt het dorre hart een springader des levens. “Ontwaak, noordenwind! en kom, Gij zuidenwind! doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten!”(Hoogl. 4: 16). “Drupt, gij hemelen! van boven af, en dat de wolken vloeien van gerechtigheid; en de aarde opene zich, en dat allerlei heil uitwasse, en gerechtigheid te zamen uitspruite; Ik, de HEERE, heb ze geschapen”(Jes 45:8). Het woeste veld vangt zelfs die droppen, zijn weide blijft niet droog, de heuvels steken blijde toppen met lachend groen omhoog.

 

Ds. H. Hofman sr.

Van de opstanding hangt alles af

“En indien er geen opstanding der doden is, zo is Christus ook niet opgewekt. En indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel en ijdel is ook uw geloof (…) Indien wij alleen in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen.” (1 Korinthe 15:13 t/m 19)

Men kan uit vers 12 en uit de loop van het betoog opmaken dat sommigen onder de Korinthiërs meenden dat de wederopstanding een onmogelijkheid was. Indien er geen opstanding der doden is, zo is Christus ook niet opgewekt (vers 13). En opnieuw: indien de doden niet opgewekt worden, indien zij niet kunnen worden opgewekt of opnieuw tot leven kunnen worden gebracht, zo is ook Christus niet opgewekt (vers 16).

Niettemin was het in de oude profetieën al voorzegd dat Hij verrijzen zou. Dat Hij inderdaad verrezen was, werd bewezen door het feit dat menigten daarvan ooggetuigen waren. Wilt u beweren, durft iemand onder u het te wagen om te zeggen “dat bestaat niet, dat kan niet” van wat God lang geleden al aangekondigd heeft en dat nu een ontwijfelbaar feit is? Hieruit zou voortvloeien dat de prediking en het geloof van het Evangelie vergeefs zouden zijn: Indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof (vers 14). Deze veronderstelling zou het voornaamste bewijs van het christendom teniet maken en daarom:

– de prediking ijdel maken: Wij apostelen zouden valse getuigen van God bevonden worden (vers 15). Wij doen alsof wij Gods getuigen van deze waarheid zijn en in Zijn kracht ter bevestiging daarvan wonderen doen. Maar wij zijn niet anders dan bedriegers, leugenaars voor God, indien wij in Zijn Naam en kracht voort zouden gaan met het verkondigen en verzekeren van een zaak die in feite vals is en onmogelijk waar kan zijn. Indien Christus niet is opgewekt, dan is het Evangelie maar scherts, is het waardeloos en leeg.
– het geloof in Christus ijdel maken, evenals de arbeid van de predikers: Indien Christus niet opgewekt is, zo is ook uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden (vers 17), nog altijd onder de schuld en het oordeel over de zonde, omdat alleen door Zijn dood en offerande voor de zonde vergeving te verkrijgen is. Wij hebben de verlossing door Zijn bloed, de vergeving van de zonden.
– Nog een andere ongerijmdheid vloeit voort uit de veronderstelling dat de wederopstanding een onmogelijkheid is: dat dan degenen die in Christus ontslapen zijn, verloren zijn. Indien er geen wederopstanding is, kunnen zij niet verrijzen en daarom zijn zij verloren. Zelfs zij die in en voor het christelijk geloof gestorven zijn.
– Eveneens zou daarvan het gevolg zijn dat de predikers en dienstknechten van Christus de ellendigste van alle mensen zijn, omdat zij alleen in dit leven op Hem hopen (vers 19). De toestand van hen die hun hoop op Christus hebben gevestigd, zou dan slechter zijn dan die van andere mensen. Allen die in Christus geloven, hebben hun hoop op Hem gesteld. Allen die in Hem geloven als hun Verlosser, hopen op verlossing en zaligheid door Hem. Maar als er geen wederopstanding of toekomstige vergelding is, dan moet hun hoop op Hem beperkt blijven tot dit leven. En indien al hun hoop op Christus binnen de begrenzing van dit leven blijft, dan verkeren zij in een veel ellendiger toestand dan de rest van de mensheid. In het bijzonder in de tijd en onder de omstandigheden waarin de apostelen schreven. Zij genoten toen immers geen steun en bescherming van de wereldlijke heersers, maar werden door iedereen gehaat en vervolgd. Het zou een grote dwaasheid zijn wanneer een christen de veronderstelling zou toestemmen dat er geen opstanding of toekomstige staat kan bestaan. Daardoor zou er geen hoop overblijven voor na dit leven. Dat zou zijn toestand in de wereld vaak tot de allerellendigste maken.

Inderdaad, de christen is door zijn geloof aan de wereld gekruisigd. Hij is erin onderwezen te leven in de hoop op een andere wereld. Vleselijke genoegens zijn voor hem in hoge mate smakeloos. Het zijn geestelijke en hemelse vreugden die hij begeert en waarnaar hij zuchtend verlangt. Hoe droevig is zijn toestand inderdaad, wanneer hij afgestorven moet zijn aan aardse genoegens en toch nooit enige hoop kan koesteren op betere.

 

Matthew Henry

Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit …

“Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit…” (Johannes 18:1a)

 

Wat in de lijdensgeschiedenis van Christus in het Evangelie van Johannes opvalt is, dat Johannes de Christus ook daarin tekent in Zijn glorie. Niet de verrader of de vijanden bepalen wat gebeuren zal, maar Hij Zelf. En Zelf houdt Hij Zich aan het lijdensprogram, zoals dat van eeuwigheid vastligt. Niets overkomt Hem wat Hij niet toelaat. Goddelijk, Heilig, Zelfbewust bestijgt Hij als het Lam Gods het altaar om Zichzelf te offeren tot rantsoen voor de zonde. Onder dit glorie-aspect belicht met name Johannes de Christus in Zijn lijden.

Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit. Welk een gang voor de Borg. Nu zal Hij Zijn uitgang volbrengen, waarover Mozes en Elia met Hem gesproken hebben op de berg der verheerlijking. Nu gaat Hij naar Gethsemané, straks naar Golgotha. Zo moet Hij de ingang openen tot God en Zijn Koninkrijk voor een volk dat zichzelf er buiten gezondigd heeft. Daarom moet Hij buitengesloten worden. Wat dit voor de Borg geweest is, kunnen wij nooit bevatten. Hoe smartelijk is voor de zondaar de inleving er buiten te staan. En dan hebben we er nog niets van beleefd wat het genieten van de volzalige gemeenschap met de Heere inhoudt en wij kunnen er iets van stamelen, maar geen duizendste part kunnen we ervan zeggen. Maar Christus kan zeggen: “Ik en de Vader zijn één”.

En Jezus ging uit, Hij zet de eerste en beslissende stap op het laatste deel van de weg die Hem voert tot de dood aan het kruis. Alles laat Hij achter Zich, de paaszaal, de Godsstad, het huis van Zijn Vader, Hij heeft de laatste godsdienstplechtigheid verricht. De Oudtestamentische bediening is nu ten einde. De Hogepriester naar Wie eeuwenlang is uitgezien, bereidt nu het offer dat verzoening aanbrengt. Dat offer zal Hij alleen brengen. Alleen zal Hij overblijven in het oordeel.

Welk een les, maar ook welk een troost is dit voor Gods kinderen. Hij is een volkomen Zaligmaker. Hij gaat uit en verlaat het ondankbaar en ongelovig Jeruzalem. Zijn uitgaan is een zekere voorbode van het naderend gericht. Het is als horen we vanuit de verte de profetenstem naklinken: Wee hen, als Ik van hen geweken zal zijn.

Welk een prediking! Ook voor de kerk van nu. Als de Heere van ons wijkt, wat blijft er dan van de gemeente nog over? Wat is de oorzaak dat de Heere heengaat? Ongeloof en wereld. Zie maar waar de vermenging met de wereld de kerk gebracht heeft en wat het van de kerk gemaakt heeft. Niet een pilaar en vastigheid der waarheid, maar een puinhoop. De vraag is niet of we een zogenaamde lichte of zware gemeente zijn. In Jeruzalem waren beide groepen aanwezig, maar als het Woord geen kracht meer doet, worden beiden door Christus verlaten.

Maar dat is ook een ernstige boodschap voor het persoonlijk leven. Wat al arbeid besteedde de Heere aan u. Op allerlei wijze, maar bijzonder door middel van de prediking van Zijn Woord. Hoe lang al? Voelt u die klop nog op de deur van uw hart? Of niet meer? Is Hij al uitgegaan? Iemand zal mogelijk zeggen: Zolang er leven is, is er toch hoop? Dat wordt vaak gezegd, maar zegt Gods Woord dat ook? Het is waar, niemand is te slecht en God bekeert soms nog mensen op hoge leeftijd, te elfder ure, soms zelfs op het sterfbed.

Maar Gods Woord leert ons dat we de Heere moeten zoeken, terwijl Hij te vinden is. Van de Joden zei de Zaligmaker dat zij eerst niet wilden en later niet meer konden geloven. Daarom klinkt het: Heden, terwijl gij Zijn stem hoort… O, dat kostbare heden. Dat keert nooit weerom.

 

Ds. R. Boogaard

Gebed om Gods barmhartigheden

“Toen zei David tot Gad: Mij is zeer bange; laat mij toch in de hand des HEEREN vallen; want Zijn barmhartigheden zijn zeer vele, maar laat mij in de hand van de mensen niet vallen.” (1 Kronieken 21:13)

Optellen dat doen wij mensen graag. Wat een verwachting kunnen we op biddag hebben van ons werk, van onze studie. Altijd maar weer ijveren om hier op aarde vooruit te komen. Rekenen en tellen. Tijd om te bidden lijkt verloren tijd. Wat brengt al dat tellen mensen dikwijls als David in de ban van de hoogmoed. David zal en moet weten hoeveel onderdanen hij heeft ondanks dat Joab hem waarschuwt. Meer dan een miljoen man heeft hij geteld tijdens deze volkstelling en het is nog niet klaar. Geweldig!

Te midden van al dat tellen grijpt God in. Er staat: de Heere sloeg Israël. David weet de reden: ‘Ik heb zeer gezondigd’. De profeet Gad moet David straf van hemelswege meedelen. David mag kiezen: drie jaar honger, drie maanden een overwinnende vijand of drie dagen het zwaard des Heeren in de pest. Een vreselijk oordeel dreigt vanwege Davids zonde. Dan klimt uit Davids leven het gebed van onze tekst.

 

Een roep in grote nood

Welk oordeel over Davids zonde ook zal komen de uitwerking zal vreselijk zijn. Alles wat hij geteld heeft aan macht en kracht is niets in het licht van het oordeel dat dreigt. Al zou David alle macht van de wereld aan zijn kant hebben, als God komt met Zijn oordeel zal alles vergaan. Wijst David de satan aan als oorzaak van zijn zonde? Zegt hij: ‘de satan porde mij aan (vs. 1)’? Neen, hij moet het belijden: ‘Ja, ik ben het, die gezondigd heb…’ (vs.17). Hij wijst zichzelf als de schuldige aan. De gevolgen? Als iemand de wet van Mozes teniet heeft gedaan die zal sterven onder twee of drie getuigen.
Duisternis en benauwdheid is het deel van David. Tegen God gezondigd, geen ontkomen meer. Tijdelijke en eeuwige oordelen moeten hem treffen. Dat maakt David zeer bange. Daarin helpt het niet als mensen zeggen, maar David u bent toch een kind van God. De zonde maakt opnieuw een voor David onoverbrugbare scheiding tussen God en hem.
Wie van ons blijft staande in de verleidingen van de satan. Dat kan nooit in eigen kracht. Een mens valt steeds opnieuw. Ook na ontvangen genade is er zoveel vallen en struikelen. Alleen Christus is in die verzoekingen staande gebleven. Alleen in en door Hem kan de mens staande blijven. Wie heeft Hem daarin nodig?

Met David vallen we. Zullen we ook in het seizoen dat voorligt vallen en waar zal het brengen? Zullen we de tegenslagen weer wijten aan de ander? Zullen we voorbij leven aan de kloof tussen God en ons die door onze zonde steeds groter wordt?
Oordelen voltrekken zich. Wie ziet daarin Gods hand op deze biddag? Wie buigt naast David: ‘Ik heb gezondigd’? Wat zouden we de oorzaak van oordelen die over deze wereld gaan, over ons land gaan, ook in afval van Gods Woord en Wet, de oordelen die ons gezin, mijzelf treffen bij onze eigen zonden moeten zoeken. Het is alleen genade die dat leert. Het is alleen genade die de nood doet zien van het eeuwig oordeel dat mijn deel moet worden.
Dan heb ik op biddag niets te tellen. Ik heb nergens meer recht op voor het komend seizoen: niet op gezondheid, voedsel, kleding. Zelfs niet op nog één levensdag. Uitgeteld ligt David voor Gods aangezicht.

Een roep om vermenigvuldiging van barmhartigheid
David bidt in die nood om in de hand des Heeren te vallen. Dan is het verloren denkt u. Ja, bij mensen ten opzichte van mensen is dat zo. Buiten het paradijs is geen mededogen. David zegt daarom ook dat hij niet wil vallen in de hand van mensen. De oorlogen als oordeel zouden vreselijk zijn, wrede, meedogenloze mensenhanden.
De koning bidt daarom Zijn Rechter om genade als hij vraagt om in Gods hand te vallen. Het is hetzelfde gebed als van Esther: Kom ik om dan kom ik om. Als ik dan moet sterven dan aan de voeten van de Rechter van hemel en aarde. Daar waar we zien, dat we rechtvaardig om moeten komen vanwege onze zonden leren we dit David nabidden. Tegelijk doet David een beroep op Gods barmhartigheid. In Psalm 51 lezen we dezelfde roep van David na zijn zonde met Bathseba: ‘wees mij genadig naar de grootheid Uwer barmhartigheden’. Dan zal het nu niet meer kunnen. Vandaar de roep om ‘barmhartigheden die vele zijn’. Barmhartigheid vloeit uit Gods innerlijk ontfermen. Van eeuwigheid bewogen om zondaren op te zoeken, om zondaren na te wandelen en te behouden. Het is die

barmhartigheid waarvan we lezen dat God Zijn volk nooit straft naar hun zonde. Barmhartigheid die God als Rechter alleen bewijst vanwege het Offer.
Daarom moet David het altaar bouwen en offeren op de dorsvloer van Ornan. In Christus’ offer alleen wordt de hitte van Gods toorn geblust. In en door Hem kan het oordeel van onze zonde worden afgewend. Barmhartigheden die vele zijn, daar is geen zonde te groot of in het offer van Christus is het mogelijk dat genade bewezen wordt. In het steeds weer vallen in de zonden is Gods barmhartigheid eveneens veel.

Vanwege die vele barmhartigheden kunt u nog bekeerd worden. Smeek: ‘Heere om de veelheid van Uw barmhartigheden bekeer me zo zal ik bekeerd zijn.’ Is deze barmhartigheid voor alle dingen ook nodig in uw verzondigde bestaan? In de nood vanwege uw zonden, in de dreiging van het steeds weer vallen in zonde zal u in uw gebed dan voor alle dingen roepen om Gods barmhartigheid. Het zal uw verzuchting zijn om te mogen verkeren nabij Zijn altaar. Om te leven uit dat ene Offer Christus op het altaar van het vloekhout.
Dan gaan we anders tellen. Het ging altijd om het koninkrijk van mijn eigen ‘ik’. Genade leert bij het altaar bidden: Uw koninkrijk kome. De genade van het altaar doet ook verlangen om verlost te worden van mezelf, de wereld en de satan en eeuwig bij Hem te wonen. Zo lang die dag uitblijft leert de Heere bidden: geef me heden mijn dagelijks brood en vergeef mij mijn zonde, ook vandaag, vanwege de veelheid van Uw barmhartigheden.

 

Ds. L. Terlouw

Christus voorzegt Zijn kruisdood

“Gij weet, dat na twee dagen het Pascha is, en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden, om gekruisigd te worden.” (Mattheus 26:2)

 

In deze woorden spreekt de Middelaar tot Zijn discipelen van Zijn levenseinde. Reeds eerder had Hij daarover tot hen gesproken. Nu zegt Hij: “Gij weet dat na twee dagen het Pascha is”. Dit wisten de discipelen ook wel, maar zij begrepen het niet dat Hij als het ware Paaslam zou geofferd worden.

Het Pascha was door de Heere Zelf ingesteld; zie Exodus 12. Het volkomen Lam dat afgezonderd moest worden en geslacht, wees op Hem. En zoals Israël veilig was achter het bloed van het lam, zo zal Zijn volk veilig zijn achter Zijn bloed. De verderfengel ging in de nacht toen het Pascha werd ingesteld die huizen voorbij, waar het bloed aan de bovendorpel en zijposten van de deuren was gestreken. Zie, dat wees heen naar Christus. Hij zal Zijn bloed laten vergieten, Zijn ziel uitstorten in de dood voor allen die Hem als loon op Zijn arbeid gegeven zijn.

En als Hij dit zegt, is de tijd nabij. “Gij weet dat na twee dagen het Pascha is.” Dan zal Hij geslacht worden. Immers, zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving. Dat spreekt dan ook van de strenge eis van Gods rechtvaardigheid. De mens had gezondigd; in de menselijke natuur moest Hij het lijden van de dood ondergaan. Zo alleen kon Gods recht voldoening krijgen. Hij heeft dit gedaan uit liefde tot de deugden van God en uit liefde tot Zijn volk, die mede in Adams val begrepen waren, om hen te kunnen verlossen van het grootste kwaad en te brengen tot het hoogste goed. Hierin is ook Gods eeuwige liefde geopenbaard.

Wat waren Zijn discipelen blind voor de noodzakelijkheid van Zijn lijden en sterven. Waren zij dan niet door de Heere opgezocht? Hadden ze Hem dan niet lief gekregen? Zeker, maar zij waren blind voor de weg die door de dood tot het leven voerde. Dat was niet alleen zo met de discipelen, want hoevelen zijn er die door God zijn opgezocht in genade en die wel de Middelaar hebben mogen leren kennen, maar toch blind zijn voor de gang van Zijn lijden. Wat daartoe dan nodig is? Wel, dat de Heere Zelf door Zijn Geest de ogen van de ziel daarvoor komt te openen.

Hoe groot is het als Hij bij aanvang mag gekend worden als het Lam van God. Hij, Die geen zonde gekend heeft, noch gedaan, maar Die tot zonde gemaakt is, opdat zij zouden worden rechtvaardigheid Gods door Hem. Hij, Die als een Lam ter slachting is geleid en als een schaap dat stemmeloos is voor het aangezicht van zijn scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open. En om de overtreding van Zijn volk is de plaag op Hem geweest. Hij zonder zonde en dat voor zondaren. Hij zonder schuld en dat voor schuldenaren. Als Gods volk Hem zo mag leren kennen en zien wat hun zonde Hem gekost heeft, dan wordt al wat aan Hem is gans begeerlijk. Hij is dat onbestraffelijke en onbevlekte Lam, Wiens bloed van betere dingen spreekt dan het bloed van Abel. Dat riep om wraak van de hemel, maar Zijn bloed spreekt van verzoening en dat door Zijn voldoening.

Er is geen zaligheid buiten Christus en de ware Kerk leeft door en uit Hem en de Heere is vrij de een meer de geheimen van de zaligheid te verklaren dan de ander. De kleinste in de genade wordt niet uitgesloten. Toch zal het ongenoegzame van alles wat buiten Christus is, worden ingeleefd. Dat de Heere ons het plaatsmakende werk schonk voor Hem, opdat zo de rechte kennis van Hem verkregen werd, ja het een leven werd uit Hem. Dat gaat niet zonder sterven. Hij moest sterven om te leven. Hij sprak: “Gij weet dat na twee dagen het Pascha is en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden om gekruisigd te worden”. De kruisdood moest Hij ondergaan en wilde Hij ook ondergaan. Vrijwillig zal Hij de kruisdood sterven, opdat Zijn Kerk het leren zou te sterven aan de zonde en aan alles wat buiten Christus is, om Gode te leren leven.

Wat is het voor de discipelen een onbegrepen weg die de Heere gaan moest. Later is het licht daarover ook voor hen opgegaan. Toen hebben ze het mogen verstaan, waarom Hij sterven moest. En ook opstaan, zoals er nog onder Gods volk zijn die het met hen en Paulus hebben mogen leren: “Want ik ben met Christus gekruist, en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij, en wat ik nu leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft en Zichzelf voor mij overgegeven heeft”.

Wij zijn van nature vijanden van het kruis van Christus. Het is voor de Jood een ergernis en voor de Griek een dwaasheid, maar voor hen die geloven een kracht van God tot zaligheid. Maar wij leven ook onder het Kruisevangelie dat zegt dat er door Hem genade is voor de grootste der zondaren; dat Hij niet gekomen is om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering. Dat we acht mochten leren geven op zo’n grote zaligheid, opdat we het bloed van Christus niet onrein zouden achten en het Woord van Zijn genade niet zou zijn een reuke des doods ten dode, maar een reuke des levens ten leven. Wij weten de dag van onze dood niet. Die kan zo onverwacht komen. Dat we ons mochten leren haasten en spoeden om ons levenswil.

Christus voorzegt in deze woorden Zijn dood, maar ook dat Hij niet in de dood zou blijven. Hij zou opstaan, ja wat meer is, Hij heeft de plaats der eer ingenomen aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen. En dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode, dat leeft Hij eeuwig.

Al is het dat Zijn volk zo vaak met vrees tegen de dood opziet, het zal toch voor hen zo meevallen. Hij is voorgegaan, Hij heeft de prikkel van de dood weggenomen en daarom zal de dood voor hen een doorgang zijn tot het eeuwige leven.

Houdt dan moed, godvruchte schaar, Hij is getrouw, de Bron van alle goed. Hij zal uw vernederd lichaam veranderen, opdat het gelijkvormig zal worden aan Zijn heerlijk lichaam. Hem, de Enige en Drie-enige God, zij dan ook de eer, de wijsheid, de kracht en de dankzegging tot in der eeuwigheid. Amen.

 

Ds. Chr. van der Poel

Nieuwjaar

 “Welgelukzalig is hij, die de God Jakobs tot Zijn hulp heeft, wiens verwachting op de HEERE, zijn God is.” (Psalm 146:5)

 

Nu we weer een nieuw jaar ingaan zal in menig hart de vraag leven: ‘Wat zal het jaar 2016 ons brengen?’ Eigenlijk zouden we wel vooruit willen zien, om te weten wat er in dit nieuwe jaar gebeuren zal, maar dat kan niet, en dat is maar goed ook. Veel vragen kunnen er intussen in ons hart zijn: ‘Zullen we gespaard blijven? Zullen we ons werk kunnen doen? Zullen we voor bijzondere ziekten bewaard blijven? Zullen er geen grote rampen komen?’  Het is geen wonder dat deze vragen bij ons opkomen, en toch … het antwoord blijft uit. Een onbekende toekomst ligt voor ons. Niemand weet, wat de dag van morgen hem brengen zal. Zeker, het kan iets goeds zijn, en de zegeningen van God zijn nog zo groot en veel. Maar het kan ook iets kwaads zijn; dat ligt ook in de hand van de Heere. Mozes heeft eenmaal gezegd: ‘Het uitnemendste van dit leven is moeite en verdriet’. En daarom zullen we, ondanks het vele goede, toch ook in het nieuwe jaar ons aandeel in het levensleed kunnen verwachten. Er liggen misschien kruisen voor ons klaar, die we niet zullen kunnen ontwijken, wanneer Gods hand ons ervoor plaatst. En daar komt nog iets bij. Het jaar dat we ingaan is nieuw, maar we nemen er ons oude hart, dat tot alle kwaad geneigd is en waarvan het gedichtsel boos is van de jonkheid af aan, in mee. Onze doodsvijanden (zijn het dat voor ons?) zonde, wereld, satan en eigen vlees, zullen alles doen wat mogelijk is om ons in het verderf te brengen. Onze voet zal strikken ontmoeten, die behendig gelegd zijn. Onze boze hartstochten zullen ons niet met rust laten, maar ons vlees zal meer dan eens in ons woelen, zodat we uit moeten roepen: ‘Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods?’  Wanneer we dit alles overdenken, wat is het dan een grote zegen om in alle nood van het leven werkelijk de Heere nodig te hebben, en voor de toekomst het oog te slaan op Hem, van Wie de dichter zegt dat Hij de God van Jakob is. ‘Welgelukzalig is hij, die de God Jakobs tot Zijn hulp heeft, wiens verwachting op de HEERE, zijn God is’. Welgelukzaligen, dat zijn zij, die hun zonden verzoend weten in het bloed van Christus, en die nu de God van Jakob tot hun Hulp hebben.  De mens van de wereld, in en buiten de kerk, heeft daar geen oog voor. In zijn oog is iemand welgelukzalig die zich alles veroorloven kan wat zijn hart begeert. En toch geeft dit geen geluk, en nog veel minder zaligheid. Roem en kennis, eer en geld, zijn wel dingen van waarde, maar ze laten het hart onbevredigd en brengen het ware geluk niet aan. Met handenvol goud is geen rantsoen te betalen voor de zonde. Ja, we kunnen met alle schatten van de aarde ons leven nog met geen minuut verlengen.  En daarom … welgelukzalig is alleen die mens, die de God van Jakob tot zijn hulp heeft, wiens verwachting op de HEERE, zijn God is. Die God, van Wie we zo dikwijls zingen: ‘Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naad’ren van de dood, volkomen uitkomst geven’. Al is de toekomst dan nóg zo donker, Hij kan uitkomst geven. In het volgende vers van deze psalm wordt immers van de Heere gezegd: ‘Die de hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat in dezelve is’.  Wanneer we Jakobs God tot onze Hulp hebben, dan hebben we geen zwakke, maar een machtige, nee een almachtige Helper. Hemel en aarde zijn door Hem geschapen, en Hij bestuurt en leidt al wat erin is naar Zijn welbehagen. En daarom: gelukkig als we naar Hem mogen vluchten met al onze noden voor tijd en eeuwigheid. Naar Hem, om ook al onze zonden voor Hem neer te leggen en te smeken: ‘Verzoen de zware schuld, die ons met schrik vervult, bewijs ons eens genade’. Hij kan helpen, want alles in de hemel en op de aarde is aan Zijn macht onderworpen. Hij kan u vóór alles en tégen alles bewaren, al naar het Hem goeddunkt. En de Heere wil ook helpen en uitkomst geven. Daar wijst de dichter op als hij van zijn God zegt: ‘Die trouwe houdt in der eeuwigheid’.  O, wij moeten dikwijls klagen over onze ontrouw. Maar hoog boven deze ontrouwe wereld troont de God der waarheid, Die trouwe houdt in der eeuwigheid. We kunnen ons op Zijn Woord altijd en overal verlaten. Dan kan de nood in het nieuwe jaar niet zó hoog gaan, of Hij bevestigt Zijn Woord: ‘God, Die helpt in nood, is in Sion groot’.  Zeker, ook in het nieuwe jaar zullen we door onze zonden, ons Zijn gunst weer onwaardig maken. Maar wanneer we als arme zondaren op de knieën worden gebracht, dan zullen we het ondervinden dat de Heere ons wil helpen, dat Hij trouw houdt in der eeuwigheid. En Hij zal ook helpen en uitkomst geven, wanneer we Hem in waarheid nodig hebben.  De dichter geeft in deze psalm als het ware een lijst van ellendigen die door Hem geholpen worden. Hij doet de verdrukten recht. Hij geeft de hongerigen brood. Hij maakt de gevangenen los. Hij opent de ogen der blinden. Hij richt de gebogenen op. Hij heeft de rechtvaardigen lief. Hij bewaart de vreemdelingen. Hij houdt de wees en de weduwe staande. Hij … vul hier uw eigen diepe nood in. En laten allen die hun naam hier lezen, het bij Hem zoeken, Die helpen kan, wil en zal! Hij zal u, ondanks uw algehele onwaardigheid, niet begeven en niet verlaten. ‘Welgelukzalig is hij, die de God Jakobs tot Zijn hulp heeft, wiens verwachting op de HEERE, zijn God is’.
Willen we echter tot dat welgelukzalige volk behoren, dan zullen we alle verwachting van onszelf moeten verliezen. Ja, dan zullen we ons léven moeten verliezen, om het in Gods hand te geven. Hoe wordt dat in praktijk gebracht? Door als een hulpeloze in onszelf naar de Heere te vluchten met de belijdenis: ‘Heere, hier ben ik; ik kan van mijzelf niets goeds; ik ben een arm, ellendig en ongelukkig zondaar; maar Heere, ontferm U over mij, en schenk mij Uw genade’. Daartoe is nodig dat wij bij de Heere op school komen. Dat we wederom geboren worden, en de Heilige Geest tot een Leidsman in ons hart hebben. Dan zijn we werkelijk welgelukzalig!  Neen, dat wil niet zeggen dat het alles vreugde zal zijn. Want het staat vast: al schenkt de Heere ons in het nieuwe jaar de volle maat van Zijn zegeningen, moeite en verdriet blijven ook niet uit. Maar toch, welgelukzalig het volk, dat de HEERE vreest! Hij zal in dit moeilijk leven, Zijn volk en erfdeel niet begeven. Al schreit dan mijn oog, al bloedt mijn hart, al klaagt mijn mond, toch zal ik U prijzen, O HEERE, mijn Hulp en mijn Verwachting.

‘Zalig hij, die in dit leven,

Jakobs God ter hulpe heeft;

Hij, die door den nood gedreven,

Zich tot Hem om troost begeeft;

Die zijn hoop, in ’t hach ‘lijkst lot,

Vestigt op den HEER’, zijn God’.

 

Ds. J. Driessen

Alle dingen nieuw

“En Die op de troon zat, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw.” (Openbaring 21:5)

Een nieuw jaar is begonnen. Wij gaan het in, maar wat het ons brengen zal weten we niet. De tijdsomstandigheden zijn niet rooskleurig. De wereld waarin wij leven, kraakt aan alle kanten. Het is een somber toekomstbeeld, dat ons voor ogen staat. We zullen ons erg vergissen, als we dat ontkennen.

Er is echter ook het Woord. Daarin lezen we van God, Die op de troon zit. Dat is op zich voor de kerk des Heeren een grote troost bij de ingang van het nieuwe jaar. Daar het oog op te mogen vestigen door het geloof, doet moedig verder gaan.  De Heere regeert!

We zouden soms kunnen denken dat de boze machten maar kunnen doen wat zij willen. Maar Die op de troon zit, Die heeft het laatste Woord. Het is de genadetroon van God vanwaar Hij door de Heere Jezus alle dingen regeert. De scepter van het wereldbestuur ligt in de doorboorde handen van Sions eeuwige Koning. Daar ligt de scepter goed, daar ligt hij veilig en vast. En hoewel het soms lijkt alsof alles verkeerd gaat en satan overwint, de grote Koning leidt alle dingen naar Zijn grote einddoel: de komst van Zijn Rijk.

Zalig is hij of zij, die voor de genadescepter van Koning Jezus leerde buigen. Zalig ook degene, die van de schuld van het oude jaar bij Hem in ootmoed belijdenis mocht doen. Die zal zeker de gouden scepter van de Koning zich zien toegereikt in het Woord van Zijn genade. En de genade van de Heere Christus is vergeving en leven, eeuwig leven. Het volk van God heeft toekomst!  In de wereld hebben zij wel verdrukking, maar Christus heeft de wereld overwonnen. De Koning heeft het laatste Woord. Hij is de Alpha en de Omega. Hij is de Eerste en de Laatste. Die op de troon zat zei: ‘Ziet, Ik maak alle dingen nieuw.’ Alle aandacht eist het Woord op. Ziet, let erop, geef daar alle aandacht aan, zo wil de tekst zeggen. De Heere wil dat Zijn volk dit ene in het oog houdt: Ik, de Heere, maak alle dingen nieuw.

Niet alleen een nieuw jaar, dat met de seizoenen voorbij zal gaan, geeft God. Nee, het gaat om veel meer. De hemelen die er nu zijn en de aarde die er nu is, zullen voorbijgaan. Nieuwe hemelen zullen er komen en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont.

De mensen die daarop wonen zullen, zullen vernieuwd zijn. Zij zullen een nieuw hart hebben. Van het oude boze hart zal niets meer over zijn. Er zullen daar geen liefdeloze mensen meer zijn. Er zullen zeker geen goddeloze mensen meer zijn. De dood zal er niet zijn en geen rouw of gekrijt. Er zal geen verdriet zijn. God zal alle tranen van hun aangezicht afwissen. Dat zal Hij met eigen hand doen. Het heimwee van de liefde zal dan gestild zijn. Er zal daar wel blijdschap zijn. Eeuwige hemelse vreugde zal er zijn. Zij (behoren wij daar ook bij?) zullen in Uw Naam zich al de dag verblijden. Uw goedheid straalt hen toe. Daar volkomen vreugde te genieten, doordat zij Christus zullen zien, van aangezicht tot aangezicht. En zij zullen aan Hem gelijk zijn.

Dan zijn alle dingen nieuw gemaakt.

 

Ds. D. Rietdijk