Loof de Heere

Loof de Heere, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden.” (Psalm 103:2)

Noemen we het Hooglied van Salomo ‘het lied der liederen’, dan mogen we deze psalm van David wel ‘de lofzang der lofzangen’ noemen. Er is geen psalm van David waarin de lof des Heeren zo hoog klimt als in dit lied. David bezingt hier de hoogten van het genadeleven, waarbij hij begint en eindigt met ‘Loof de Heere!’

Wat is dan de oorzaak van Gods lof in Davids leven? De Heere heeft weldaden in zijn leven verheerlijkt, die hij heeft ontvangen in de verborgen omgang met God. Ze zijn gevloeid uit Gods genadeverbond. Hiervan zegt hij in Psalm 25: ‘De verborgenheid des Heeren is voor degenen die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken.’ Het is die vreze Gods in Davids leven, die hem brengt tot het verheerlijken van Hem. ‘Loof de Heere, mijn ziel!’

We beluisteren in deze lofzang als het ware een zelfgesprek. David spreekt hier tot zijn eigen ziel. De Heere heeft hem welgedaan, hem opgericht uit een grote ziekte. Er dreigde zelfs doodsgevaar. Maar de banden zijn gebroken. Zijn hart juicht van verwondering en vreugde. Nu zijn de ongerechtigheden vergeven en zijn leven is verlost van het verderf! Hij is gekroond met goedertierenheid en barmhartigheid. Zijn dat geen genadeweldaden?
David zegt tot zijn ziel: ‘Loof de Heere!’ Wat is er dan gebeurd in zijn leven? Hij mag weer beantwoorden aan het doel van God in Zijn schepping: God loven! Gods weldaden in het leven zijn het waard om nooit te vergeten. Daarom wekt David zichzelf hier op om de Heere in alles en voor alles te erkennen en te danken.
Wat hebben we zo’n opwekking en aansporing nodig in het leven! Wat zijn we meestal druk met de dingen om ons heen of met andere mensen, zodat we onszelf vergeten en verwaarlozen. Er is geen grotere ondankbaarheid dan te vergeten wat we aan God schuldig zijn. Overlaadt Hij ons niet van dag tot dag met Zijn gunstbewijzen?
Van nature zijn we van die ellendige zelfbedoelers. Egoïstisch is ons bestaan in dit voorbijvliegende leven, waarin de Heere ons steeds opnieuw omringt met Zijn weldaden. Zeker, met de lippen wordt er nog wel gedankt. Maar waarlijk danken, innig danken, Godverheerlijkend danken, dat vinden we niet in ons natuurlijk bestaan. We zijn niet beter dan het volk van Israël: ‘Zij zongen Zijn lof, doch zij vergaten haast Zijn werken.’ Is dat in ons leven geen ernstige zonde en een groot tekort waardoor God wordt onteerd? O, zie in deze tekst een kind van God zijn ziel opwekken om met een lofoffer uit zijn hart tot God te naderen. Dat is vrucht en bediening van Gods Geest, Die alleen dat offer maar ontsteken kan in het hart.
Het is opmerkelijk dat David zijn ziel aanspreekt, het levenscentrum van al zijn geestelijke vermogens. Hierin spreekt hij tevens voor het aangezicht van God, want het is als het ware een bestraffing van zijn eigen traagheid, aldus Calvijn. En – zo vervolgt deze – hij maakt er ons opmerkzaam op dat het niet aan God ligt wanneer wij geen ruime stof hebben om Hem te loven, maar dat het onze eigen ondankbaarheid is die ons in de weg staat.
Dat we ons toch met David over zouden geven, door Gods Geest gewillig gemaakt tot de overdenking die gericht is op Gods lof. ‘Loof de Heere, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heilige Naam.’ En opnieuw: ‘Loof de Heere, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden.’
Kinderen van God, is er geen reden voor? Kunt u al de zegeningen en weldaden tellen, waarmee de Heere u omringt? Want het is toch waar dat er niemand méér bevoorrecht is dan een kind van God. Gods kinderen in het bijzonder mogen proeven en smaken dat de Heere goed is. Als de Heere daarvoor je ogen opent, kun je niet anders dan God loven.

‘Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.’
Dit te mogen beleven, is toch een weldaad? De Heere schenkt Zijn kinderen onverdiende genadeweldaden, die telkens weer verzoenen, verzorgen en vernieuwen. En des te meer weldaden we krijgen, des te kleiner we worden. Gods lof wordt geboren vanuit het stof. Jakob zei: ‘Ik ben geringer dan al deze weldadigheden en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt.’ Kennen we deze gestalte? Dat wegzinken in verwondering, aanbidding en dankzegging?

Of is dit alles ons onbekend en vreemd? Wat zijn we dan nog ongelukkig en arm! Smeek de Heere, nu het nog kan: ‘Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond Uw trouwe hulp; stier mij in rechte sporen.’

 

Ds. J.J. Tanis

Het verlangen van David om voor de Heere een huis te bouwen

“Ga heen, doe al wat in uw hart is, want de HEERE is met u.” (2 Samuël 7:3)

We luisteren hier naar het antwoord dat de profeet Nathan aan David heeft gegeven. David bezit nu zelf een paleis. Ook heeft hij rust gekregen van de vijanden rondom. Als de koning zo in zijn paleis zit, dan komt in zijn hart de gedachte op om voor de Heere een tempel te bouwen in Jeruzalem.
De Ark des Heeren bevindt zich nog steeds in de tent die David voor de Ark heeft opgezet. Zelf woont hij in een paleis en de troon van God, de Ark, staat in een eenvoudige tent. David in een huis van cederhout en de Ark tussen de gordijnen. Als David dit zo overdenkt komt het verlangen in zijn hart om een tempel voor de Heere te bouwen. Hij laat de profeet Nathan bij zich komen en bespreekt met hem zijn voornemen. De profeet Nathan zal aandachtig geluisterd hebben en tenslotte geeft hij zijn zegen aan Davids plan: ‘Ga heen, doe al wat in uw hart is, want de HEERE is met u.’ We zullen moeten bedenken dat Nathan zijn goedkeuring geeft, terwijl hij nog geen openbaring van God heeft ontvangen. Dat zal in de komende nacht wel gebeuren. Maar voor dit moment stemt de profeet met het verlangen van de koning in.
Het is een mooie trek in het geestelijk karakter van David dat hij voor de Heere een huis wil bouwen. Davids verlangen is een kenmerk van genade. Hij wilde graag iets voor de Heere doen! De Heere had immers zo veel, alles, voor hem gedaan.
Als God in Zijn voorzienigheid veel voor ons heeft gedaan, dan moet dit ons doen bedenken wat wij voor Hem en Zijn eer kunnen doen. Als het goed gaat in ons werk of in onze studie, als we geholpen worden in tijden van ziekte en zorg, als we … Ja, dan behoren we te zeggen: ‘Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?’ Dit verlangen zal niet slechts oppervlakkig zijn wanneer we verstaan wat we eigenlijk verdiend hebben. Gods zegeningen, gezien in het licht van onze schuld en zonde, worden allemaal groot. Dit zal een verlangen verwekken om voor de Heere te leven, Hem te dienen en in Zijn wegen te wandelen.
David maakte goed gebruik van de rust. Hij hoefde nu niet aan het front te strijden, maar krijgt de tijd om rustig in zijn paleis te zitten. En in plaats van de tijd voor zichzelf te nemen, verlangt hij de tijd die hij nu krijgt te gebruiken tot Gods eer.
Hoe is dat bij ons? Tijd van rust hebben we allemaal regelmatig nodig. De boog kan niet altijd gespannen staan. Maar hoe gebruiken we die tijd? David had zijn gemak kunnen nemen. Maar zijn verlangen is anders. De zaak van de Heere weegt op zijn hart. Zijn leven is gericht op God en Zijn dienst. Volg het voorbeeld van David. Als er periodes in ons leven zijn, waarin de dagelijkse verplichtingen minder tijd vragen, gebruik dan de beschikbaar gekomen tijd voor de Heere en voor de ziel van anderen en uzelf. Bidt om de geest van David na te volgen.
David spreekt over zijn verlangen met Nathan. Wat is het een zegen als er tijd en gelegenheid is om met anderen over de diepe zaken van ons hart te spreken. Nathan kreeg als het ware een blik in het hart van David. Hij zegt immers tegen David: ‘Doe al wat in uw hart is.’ Iemand in je hart laten kijken is nog niet zo eenvoudig. Er kunnen allerlei verhinderingen zijn. Dikwijls worden we door mensenvrees tegengehouden. Ook bedenken we dat de luisterhouding heel belangrijk is. Nathan begreep en voelde aan dat het uit Davids hart kwam. Tussen Nathan en David is er van hart tot hart gesproken. Wat is het een zegen als dit ook in de gemeente, bijvoorbeeld op huisbezoeken, ervaren wordt. Vroeger werd het wel gezegd: ‘huisbezoek is hartenbezoek.’ Nathan gaf zijn goedkeuring aan Davids verlangen. Hij sprak hier niet direct in de naam van God, maar uit zichzelf. Hij sprak hier als een godvrezend man, die aanvoelt dat Davids verlangen oprecht is en niet in strijd met de geopenbaarde wil van God. Het is toch de roeping van God om te doen wat strekt tot Zijn eer en de bevordering van Zijn dienst.
Maar Gods verborgen wil was anders. Dat komt Nathan in deze nacht aan de weet. God maakt hem bekend dat Hij niet wil dat David een tempel bouwt. Een ander zal het huis des Heeren bouwen. Nathan heeft zich vergist. God moest een correctie aanbrengen.
Er is een Profeet die nooit correctie nodig heeft. Het is het kroonrecht van Christus altijd de wil van Zijn Vader te doen. Hij heeft in de verborgen raad en wil van God gestaan. Hij kent de wil van Zijn Vader op het aller volmaaktst. Daarom is Hij de allerhoogste Profeet en Leraar. Zoek daarom met al de zaken van uw hart en leven een plaats van gebed aan Zijn voeten: ‘Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?’

 

Ds. W. Harinck

Het nieuwe kleed

‘Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.’ (1 Kor. 15:53)

 

De bruid van Christus wordt helemaal in het nieuw gestoken. Jezus heeft daar alles voor gedaan. Hij kwam uit de hemel om één vlees te worden met zijn bruid. Hij leefde in volmaakte gehoorzaamheid aan de wetten van het Koninkrijk. Hij gaf zijn lichaam en ziel tot een offer voor de zonde. Hij leed de eeuwige straf in Zijn verlatenheid aan het kruis. Jezus betaalde de bruidsschat. De trouwdag is Zíjn dag!

Maar… zonder bruid is Hij geen Bruidegom! De bruid ziet uit naar Hem en verwacht Hem. De bruid kijkt in de spiegel of ze er netjes uitziet. Zit mijn haar goed en straalt er ook echte vreugde af van mijn wangen? Als ik vroeger een week of drie in Papua was voor een upgrading van de predikanten en ik vloog weer over Europa dan haalde ik mijn stoppelige baard eraf en ik kamde mijn haar. Mijn vrouw trok haar mooiste jurk aan en we hadden allebei al in gedachten hoe het zou zijn als de treintaxi stopte voor ons huis en de voordeur ging open.

U begrijpt het beeld. Kijkt u ook wel eens in de spiegel en ziet u de noodzaak van een nieuwe japon? Bij de opstanding uit de dood of de metamorfose als we nog in leven zijn bij Zijn komst past het nieuwe kleed van de onvergankelijkheid en de onsterfelijkheid. Dat komt nog. En we weten nog niet half hoe heerlijk dat zal zijn. Johannes schrijft: ‘Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.’ (1 Joh. 3:2)

God doet dat met al Zijn kinderen als de eeuwige bruiloft aanbreekt. Ze worden helemaal in het nieuw gestoken van het verheerlijkte en door de Heilige Geest gestempelde en geregeerde ‘geestelij­ke’ lichaam, waardoor we van harte bereid en in staat zijn om God voor eeuwig te loven en te prijzen. Is dat ook onze verwachting? Die is een graadmeter voor het geloof. Wat zijn veel christenen lauw en wereldge­lijkvormig. Of nog steeds meer bezig met hun bruidsjapon dan met de Bruidegom.

Maar gelukkig, ze zijn er: mensen die midden in de verdrukking van hun sterfelijk bestaan, soms omgeven door ziekte en afbraak, uitzien naar de komst van de Zaligmaker, Die hun heil zal volmaken. Hoe dat zal gebeuren? Daar begrijpen we niets van, maar God is zoveel groter dan wij. Hij belooft dat onvergankelij­ke leven.

En we hebben de garantie in de opstanding van de Heere Jezus Christus, Die aan de overzijde van de dood is opgewekt, om nooit meer te sterven. Het zal een scheppingsdaad van God zijn. God spreekt… en het zal gebeuren.

De doden worden onverderfelijk opgewekt en die nog in leven zijn zullen veranderd worden. Hoe? Dat staat in vers 53. Het woordje ‘aandoen’ is een nieuw woord dat Paulus hier gebruikt. Dat verwijst naar de mens, die zijn kleren aandoet. Die kleren maken de man. Zo zal dat ook op de jongste dag zijn. Daar zullen wij ook iets ‘aandoen’, namelijk het kleed van de onvergankelijkheid en de onsterfelijkheid, en zo worden we echt mens in de volle zin van het woord.

Het is wel merkwaardig, dat de apostel voor één-en-dezelfde zaak zoveel en zo verschillende woorden weet te gebruiken. Hij schrijft dat wij opgewekt worden, dat wil dus zeggen, dat wij wakker gemaakt worden uit de slaap van de dood. Hij spreekt er ook van, dat wij zullen opstaan, en dat betekent dat wij terneer lagen in het stof van de dood en dat wij weer overeind komen.

Een derde woord is het woord ‘veranderd worden’. Wij zullen op de jongste dag een transformatie ondergaan. Verder gebruikt de apostel de term ‘verheerlijkt worden’ en ‘gelijkvormig worden aan Christus’. In vers 53 voegt Paulus aan deze reeks nog het woord ‘aandoen’ toe.

De apostel heeft een overvloed van woorden bij de hand. Waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over. De opstanding van de doden is voor Paulus niet een onzekere en vage grootheid, waar hij maar het liefst zo sober mogelijk over spreekt. Nee, het is voor hem een overweldigende realiteit. Hij krijgt er niet genoeg van om erover te spreken. En hij heeft een enorme voorraad woorden bij de hand, waarover hij kan beschikken.

Zit er een zucht in de zegswijze van Paulus: dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen? Je gaan omkleden is iets waar je geen zin in hebt. Je ziet er tegenop. Maar… in bepaalde omstandigheden moet het nu eenmaal. Zo is het ook met die grote, goddelijke toekomst van de mens en de wereld. Daar glijden we niet zo maar in. Daar gaan we niet geleidelijk in over. We moeten ons omkleden. De onvergankelijkheid is iets, wat aangedaan moet worden.

We beërven het koninkrijk van God niet zoals we nu zijn. We moeten veranderd worden. We moeten nieuwe kleren aandoen. Daar kunnen we tegen opzien. Zó, dat we erover zuchten. Dat is een merkwaardige gedachte: dat we zuchtend opzien tegen de verlossing, de goddelijke verheerlijking, de eeuwige vreugde. Is dàt soms het eigenlijke in alle angst van de mens? Angst voor de toekomst, voor de dood, voor het lijden?

Is het angst voor de nieuwe kleren? Is dat niet vreemd? Blijven we liever in onze oude plunje rondlopen? Blijven we liever die we zijn? Dat afleggen van onze vergankelijkheid noemt de apostel ook in 2 Kor.5:2-4. Wij willen niet ontkleed worden: ons huidige lichamelijk bestaan afleggen. Terwijl dat zo kwetsbaar en met de dood omringd is. Wie wil er nu graag sterven? Het kan je angstig maken. Behalve als de liefde trekt en je over alles heen ziet op het overkleed worden met een verheerlijkt lichaam.

Het is goed en nuttig dat we dit duidelijk inzien. Niet dat we dan meteen naar deze verwisseling van kleding uitzien. Maar we beseffen dan dat het echt niet anders kan. Op zichzelf is dat voor ons onvoorstelbaar. We hebben er enige voorstelling van door Christus en Zijn opstanding. Dat is eigenlijk ons enige houvast in deze dingen. Maar het geloof in dit eeuwige leven, dat in Christus is verschenen, moet nog omgezet worden in lichamelijke werkelijkheid. Dat gebeurt pas op de jongste dag.

Paulus zegt ook met zekere nadruk: dit vergankelijke (dat wij hier en nu zijn) moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. Het gaat om mij, om u om onze unieke persoonlijkheid en niet om de mens in het algemeen. Kleren maken wel de man, maar als je een etalagepop met nieuwe kleren omhangt, is dat toch nog geen mens.

Wijzelf zijn het, die onvergankelijk en onsterfelijk worden gemaakt. Wat wij in ons leven tussen onze geboorte en onze dood hebben en zijn, wat we doen en ondergaan, wordt niet allemaal weggeworpen. Nee, dit vergankelijke doet onvergankelijkheid aan, dit sterfelijke onsterfelijkheid. Wijzelf, als tijdelijke mensen, wij zijn het, die voor eeuwig worden verlost. Onze uniekheid en individualiteit zal niet verdwijnen.

Ziet u om welke geweldige dingen het gaat? Misschien is dit wel het eigenlijke mysterie in de werkelijkheid van de opstanding. De Bijbelse toekomstverwachting roept ons daarom op tot een radicale aanvaarding van onszelf, van het heden en van ons tijdelijk leven. Wat wij nu hebben en zijn, dát wordt verlost door Christus. Verlost van alle gevolgen van de zondeval, maar ons unieke mens-zijn blijft.

Gods kinderen gaan een heerlijke toekomst tegemoet. Wie hier in dit leven als een verloren zondaar aan Zijn voeten heeft gebogen en zijn schuld heeft beleden en vergeving ontvangen, die zal bij de komst van Christus opstaan in een nieuw verheerlijkt lichaam. En daar zullen we ons nog verwonderen dat Jezus stierf om onze zonden en werd opgewekt tot onze rechtvaardiging. Gode daarvoor de eer.

Ds C. G. Vreugdenhil

Het werk van de Geest van Pinksteren

“Want door Hem hebben wij beide de toegang door één Geest tot de Vader.” (Efeze 2:18)

In deze woorden verklaart de apostel het werk van de Geest van Pinksteren, voortvloeiend uit een Drie-enig God. Het is het werk van de Vader, Die gedachten des vredes gehad heeft over Zijn volk. Het behaagde Hem een schuldig volk tot Zich te doen naderen door het bloed des verbonds dat betere dingen spreekt dan Abel. Van die wondere vrijmacht zingt de dichter: ‘Welzalig, dien Gij hebt verkoren, Dien G’ uit al ’t aards gedruis, Doet naad’ren, en Uw heilstem horen, Ja, wonen in Uw huis’.  Het is voorts de Zoon als Middelaar, Die door Zijn gezegende verdiensten Zijn kinderen de toegang geopend heeft tot het binnenste heiligdom door Zijn dierbaar bloed. Door Zijn aangebrachte gerechtigheid maakt Hij hen aangenaam en heerlijk in de ogen van de Vader. Alleen op grond van Zijn alles reinigende bloed is Zijn gedurige voorbede voor hen een eisend bidden en een biddend eisen. Door Zijn volbrachte Middelaarswerk stelt Hij hen eenmaal de Vader voor als een reine maagd, zonder vlek en rimpel.  Doch nu is het bijzonder God de Heilige Geest, geschonken in het hart van Zijn volk, Die hen met Christus verenigt door het geloof en dóór Hem met de Vader. Dat is de wondere bediening en betekenis van de uitstorting van de Geest van Pinksteren. Op de dag van Zijn hemelvaart is Christus door de Vader verhoogd aan de rechterhand van de troon der Majesteit in de hemelen. Daar is Hij de voorspraak bij de Vader en door Zijn Geest woont Hij nu in de harten van Zijn kinderen op aarde. Hij vervult Zijn belofte: ‘Ik zal u geen wezen laten’.   Door één Geest. Hier geldt geen besnijdenis of voorhuid, geen dienstknecht of vrije. Hier is de scheiding weggevallen tussen Jood en heiden en wordt het door Goddelijke genade: één Heere, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, Die daar is boven allen en door allen en in u allen. En zó is de komst van de Heilige Geest op het Pinksterfeest de kroon geweest op het grote werk der verlossing door Jezus Christus. ‘Want door Hem hebben wij beide de toegang door één Geest tot de Vader’. Het is het grote en onuitsprekelijke voorrecht dat de Vader geschonken heeft aan Zijn Kerk.  Om van dit alles nu in dit leven de vertroostende kracht te ervaren, leert de Heere gedurig weer het smeken om de gezegende werking van de Heilige Geest. David bad reeds: ‘En neem Uw Heilige Geest niet van mij’. Zonder die Geest van Pinksteren blijft het hart zo biddeloos, zorgeloos, behoefteloos. Dan heerst de koude winter in de ziel die eens zo hartelijk kon zingen: ‘God heb ik lief’.   Waar de Heere de bediening van Zijn Geest geeft, daar schenkt Hij ook in het hart van Zijn volk een gebed dóór de Geest óm de Geest: ‘Ontwaak, Noordenwind, en kom, gij Zuidenwind, doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten’.  Het worden de smeekgebeden om de beoefening van de genade en om de dierbare werking van de Heilige Geest. Want onder de bedauwing van die Geest wordt het dode en biddeloze hart weer levendig gesteld en gaan hart en mond weer uitroepen: ‘Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God’.   Die Geest van Pinksteren is het, Die het hart, dat dood is door de zonden en misdaden, wederbaart en levend maakt en door het geloof met Christus verenigt. Uit dat onsterfelijke levensbeginsel vloeien door de kracht van die Geest alle geestelijke werkzaamheden die leiden tot Christus en dóór Hem tot de Vader. Het is het zaligmakend werk van de Heilige Geest het harde hart te verbreken en de ziel te verbrijzelen onder het smartelijk geroep van een schuldig mens voor God: ‘Wee mijner, dat ik zo gezondigd heb’.   Maar het is ook het lievelingswerk van de Heilige Geest als de grote Eliëzer en Bruidswerver van Christus, voor het treurende en wenende zielsoog Christus te ontdekken en bekend te maken in Zijn gewilligheid en Zijn volkomenheid. En altijd weer leidt de Heere Zijn volk door Woord en Geest in alle waarheid. Zelfs in de duistere nachten van strijd en bange twijfel, als satan benauwt en de schuld drukt, dan is de Geest van Pinksteren de beloofde Trooster, Die de beloften Gods gaat vervullen en toepassen. Hij opent de mond van Gods kinderen en leert hen de eerste klanken te stamelen van het ‘Abba; lieve Vader’.   En bij alle droefenis en smartelijk gemis opent Hij het oog voor de beloofde erfenis en doet Hij in heimwee verlangend zingen: ‘Gij maakt eerlang mij ’t levenspad bekend, Waarvan, in druk, ’t vooruitzicht mij verheugde; Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend, Schenkt mij in ’t kort verzadiging van vreugde; De lieflijkheden van ’t zalig hemelleven, Zal eeuwiglijk Uw rechterhand mij geven’.

Ds. J.M. Kleppe

Gode zij dank

‘Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus.’ (1 Kor. 15:57)

 

Wel vaker onderbreekt Paulus zijn betoog door een uitroep van lofprijzing en dankzegging. Dat geeft iets levendigs aan zijn spreken en schrijven. Hij is daar zelf met huid en haar bij betrokken. Hij bedenkt opeens waar een kind van God zoal aan ontkomen is.

Hij heeft het over de dood en de zonde en de wet. Daar is toch geen mens tegen opgewassen. Daar zijn we allemaal reddeloos aan prijs gegeven. Het enige dat voor ons overblijft is de totale verlorenheid.

Daarom breekt hij uit in die heerlijke dankzegging en lofprijzing. ‘Maar Gode zij dank die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus!’ Christus heeft die overwinning behaald door Zijn kruis en opstanding. Die volledige overwinning zal Hij geven op de jongste dag. Maar er staat dat Hij ons de overwinning geeft.

De overwinning over de dood (de geestelijke dood), de overwinning over de zonde (de kracht van de zonde is gebroken) en de overwinning op de aanklacht van de wet (alle overtreders zijn vervloekt). Daarover geeft Hij de overwinning, hier en nu! Wij zijn aan het strijden tegen onze lauwheid en dodigheid en tegen de zonde. Met wortel en tak wil je de zonde uitroeien in je leven. We buigen onder Gods rechtvaardig oordeel.

En we denken steeds de nederlaag te lijden, maar… in die strijd geeft Christus de overwinning! Wij zijn tegen die machten en krachten niet opgewassen, maar Christus geeft de overwinning. In de grondtaal staat: gevende de overwinning. Steeds weer, in al onze struikelingen. Steeds weer moeten we zien op Hem! Voortdurend geeft Hij de overwinning. Herkent u dat?

Weet u hoe zo’n uitroep als die van Paulus geboren wordt? Dat is geen kwestie van een permanente triomfantelijke stemming. Nee, zo’n uitroep van dankzegging en lofprijzing wordt geboren in de aanvechting. Als al de machten van het verderf op je afkomen. Daar zie je toch niets anders dan de totale verlorenheid van je eigen bestaan.

En juist daar is de overwinning van Christus. Er hoeft geen bijdrage bij van ons, wel moeten we ten bloede toe strijden tegen de zonde. En zo bidt ons doopformulier: ‘Wil ons door Uw Heilige Geest altijd regeren opdat we vroom tegen de zonde, de duivel en zijn hele rijk strijden en overwinnen mogen.’

In vers 56 gebruikt Paulus een nieuw beeld: De prikkel van de dood is de zonde, de kracht van de zonde is de wet. De dood is het gevolg van de zonde. En de wet wijst ons de zonde aan. Het doodvonnis is terecht.

Weet u waar dat woordje ‘prikkel’ op slaat? De prikkel van de dood is de zonde. De dood wordt hier voorgesteld als een gevaarlijk beest met een dodelijke angel.

Bijvoorbeeld een schorpioen, die met zijn angel (prikkel) een doodsteek toebrengt. In die angel zit vergif. Als je daardoor gestoken wordt, komt dat gif in je bloedbaan en moet je sterven.

Zo zijn wij allemaal gestoken door de angel van de dood, namelijk de zonde. En dat heeft ons allemaal bedorven. Het gif van de zonde zit als het ware in ons bloed. En daarom zijn we onderworpen aan de dood. De steek met die angel van de dood hebben we opgelopen in het paradijs. Zo zegt Paulus: de angel van de dood is de zonde. Door de zonde is de dood in de wereld gekomen en houdt de dood zijn macht over ons.

Heeft dat u nooit aangegrepen en op de knieën gebracht? Wij dragen de kiemen van de dood in ons bloed. We zijn allemaal gestoken met die giftige angel van de dood. Een wespensteek is al erg. Daar kun je nog iets aan doen met anti-prik. Maar tegen de schorpioen van de dood kun je niets doen. U zegt: O God, ik moet sterven…. En ik kan niet sterven. U leeft met die gedachte toch niet rustig verder? Paulus, hoe kun je spreken over de overwinning?

Is er dan een oplossing voor de dood? Ja, als je die angel van de dood zou kunnen uittrekken, dan zou hij ongevaarlijk worden. Daar wijst Paulus op. De dodelijke schorpioen heeft zijn angel verloren. Hoe kon dat gebeuren? Hij heeft de Heere Jezus gestoken en is toen voorgoed zijn angel kwijt geraakt voor allen die bij Hem horen.

De dood stak Jezus. De zonde van de wereld is Hem toegerekend. De wet heeft Hem veroordeeld. Hij stierf aan het kruis. Maar Hij is ook opgestaan. Daarin heeft Hij die sterke vijanden overwonnen.

Paulus komt met goed nieuws. Gode zij dank. Paulus komt met Christus. Hij bundelt alle namen samen om de onuitputtelijke rijkdom en grootheid van de Zaligmaker (Jezus) tot uitdrukking te brengen: Onze Heere Jezus Christus. Hij heeft niet alleen de dood overwonnen, maar ook de oorzaak van de dood, namelijk de zonde. Hij is Heere over de dood en over al Zijn volgelingen. Onze Heere Jezus Christus! Wie dat zegt in het geloof is Zijn eigendom. Dan ben je geborgen bij Hem. Gode zij dank.

Lezer(es) voelt u zich daarin meegenomen? Kent u die strijd tegen de zonde en de belijdenis: ik heb de dood verdiend? In onszelf zijn we verliezers, maar in Hem – verbonden met de band van het levende geloof – meer dan overwinnaars. Als u angstig wordt voor die schrikaanjagende schorpioen van de dood, zie dan op Jezus.

Vergeet toch niet dat de dood zijn giftige angel kwijt is. Jezus geeft de overwinning. Nu in de omgang door het geloof met de levende Heere en ten volle op de jongste dag. Als dan zal het woord geschieden: de dood is verslonden tot overwinning. Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft!

 

Ds. C.G. Vreugdenhil

Een nieuw begin

“als de zon opging;” (Markus 16:2 (slot))

Het paasfeest dat wij onlangs hebben gevierd, predikt ons dat Jezus leeft. Stelt u eens voor dat u een dode Jezus gepreekt zou worden, dan is er geen hoop en verwachting. Het is dan hopeloos verloren.
Maar Pasen preekt ons dat Jezus leeft. De dood moest Hem loslaten, omdat Hij op Goede Vrijdag alles heeft volbracht. Pasen roept ons toe dat het laatste woord niet aan de dood is, maar aan het leven dat Hij nu verworven heeft. En de Koning van Pasen zegt tot Zijn gemeente: ‘lk leef en gij zult leven!’ Dat leven dat Hij verworven heeft, deelt Hij uit. Dat past Hij toe aan al de Zijnen. Daarom leeft niet alleen Christus, maar zullen ook zij leven en maakt hij een nieuw begin. Dat zien wij op de paasmorgen. We lezen in Markus dat de vrouwen tot het graf kwamen ‘als de zon opging.’ Ze zijn ’s morgens vroeg opgestaan en in de schemering naar het graf gegaan. Toen ze bij het graf kwamen, ging de zon op. Daar ligt een boodschap in. Er staat immers niets voor niets in de Bijbel. In de eerste plaats blijkt hier dat deze vrouwen vol van Christus waren, al was het zoals ze dachten een dode Zaligmaker. Ze waren zo vol van Hem, dat ze het in bed niet konden uithouden. Ze zijn vroeg opgestaan en in de schemering naar het graf gegaan. Zo vol waren ze van Jezus. Toen ze bij het graf kwamen, ging de zon net op. Waar bent u met Pasen vol van geweest? Een paar vrije dagen? Even wat anders? De gezelligheid van het gezin? Of was u vol van Jezus? Deze vrouwen waren vol van Hem en daarom waren ze zo vroeg op de been.
Maar er is meer. Als de zon opgaat, is dat het begin van een nieuwe dag. Dat is een nieuw begin. Dat lezen we vaker in de Bijbel. Denk maar aan Jacob die met God worstelde in Pniël. Jacob kreeg een nieuwe naam: Israël. Die nieuwe naam predikte dat de Heere met Jacob, hoe hij het ook verzondigd had, een nieuw begin wilde maken. Dan lezen we zo opmerkelijk in Genesis 32:31: ‘En de zon rees hem op, als hij door Pniël gegaan was; en hij was hinkende aan zijn heup.’ Dat staat er om duidelijk te maken dat de Heere een nieuw begin met Jacob wilde maken. Daarom kreeg hij een nieuwe naam en staat er zo uitdrukkelijk: ‘En de zon rees op!’ Gaat u nu begrijpen waarom Markus met zoveel nadruk zegt dat de zon opging toen de vrouwen bij het graf kwamen? Het predikt een nieuwe dag en een nieuw begin. Zo is het ook met Pasen geweest. Pasen betekent dat God een nieuw begin maakt. Allereerst denken we dan aan Christus. Tot nu toe was Christus een vernederde Borg, een Man van smarten, overdekt met bloed en wonden. Wanneer we Christus volgen in Zijn lijden en sterven, dan zien we Hem al dieper wegzinken in de vernedering, tot in de diepten van de Godverlatenheid. Tot in de diepten van de dood. Daar ligt Hij dan in het graf, maar dan wordt het Pasen. Dan maakt God een nieuw begin. Nu wordt Christus verhoogd. Pasen is het nieuwe begin in Zijn verhoging, nu is Hij als de Koning van Pasen geen Man van smarten meer, maar de Verhoogde. Nu zal Hij al hoger opklimmen. De Hemelvaart zal volgen, het zitten aan de rechterhand en straks Zijn wederkomst ten oordeel. De zon ging op! Pasen preekt: God maakt een nieuw begin.

Als we weer denken aan Jacob in Pniël: Jacob, en toch Israël! Wat heeft Pniël betekend in Jacobs leven? Dat God een nieuw begin maakte en al zijn schuld heeft uitgewist. Dat het weer goed kwam tussen God en Jacob. Dat is ook de betekenis van het paasfeest: de schuld is betaald. Het is in Christus eeuwig goed tussen God en al de Zijnen. Dan zegt Paulus: ‘Hij is opgewekt tot onze rechtvaardigmaking!’ Pasen preekt ons: ‘De schuld Uws volks hebt G uit Uw boek gedaan, ook ziet Gij geen van hunne zonden aan!’ Want als er iets had ontbroken aan de betaling van de schuld door Christus, dan was Hij niet opgestaan. Wat een onuitsprekelijk wonder. Een nieuw begin: als uw schuld wordt uitgedelgd. ‘Ik zie geen zonde in Mijn Jacob en geen overtreding in Mijn Israël.’
Dat is Pasen, dat God om Christus’ wil een nieuw begin wil maken. Dan is daar ook het nieuwe begin van de wedergeboorte, waardoor geestelijk dode zondaren geestelijk levend worden gemaakt. Dat is de vrucht van Pasen. Is dat bij u al gebeurd? Want dat kunt u weten aan de levensvruchten die er dan zijn, zoals een hartelijke droefheid naar God, dat strijden tegen de zonde, maar ook dat hongeren en dorsten naar Christus. Dat zijn de vruchten van het leven. Omdat het Pasen geworden is, omdat Jezus de dood heeft overwonnen, kunt u nog zalig worden. We liggen allemaal in de dood, maar het opgaan van de zon met Pasen preekt dat God een nieuw begin maakt en een nieuwe dag doet rijzen. Daarom kan de Heere ook met u en jou een nieuw begin maken. Het nieuwe begin van de vergeving der zonden.

Hij is opgewekt tot onze rechtvaardigmaking. De zon rees op in Pniël en Jacobs ziel is gered geweest. U stond als een doodschuldige voor God. U moest uw hoofd buigen en u had niets meer in te brengen. Het was rechtvaardig als God Zijn doodsvonnis aan uw leven voltrekken zou. Toen het wonder als het klonk in uw ziel: Ik zal nooit meer op u toornen, ik zal nooit meer op u schelden. Ik heb al uw zonden achter Mijn rug geworpen. Dat is het nieuwe begin van Pasen. Dan ligt er niets meer tussen God en uw ziel.

 

Ds. J.S. van der Net

Een indringende vraag

“Jezus dan zeide tot de twaalven: Wilt gijlieden ook niet weggaan?” (Johannes 6:67)

 

In de synagoge van Kapernaüm heeft de Heiland het Evangelie verkondigd: “Ik ben het Brood des levens” (Joh. 6:48).

De schare, de discipelen en de twaalven hebben geluisterd. Tenslotte besluit de Heere Zijn preek. De schare gaat naar huis. De vele volgelingen van de Heere gaan ook weg. Het wordt leeg en stil in de synagoge. Slechts dertien personen blijven achter. Het zijn de Heere en de twaalf discipelen. “Deze rede is hard.”

Het Woord wordt verworpen. Deze profeet valt tegen. Zijn dienst wordt verlaten. Velen wandelden niet meer met Hem. Verwerping van Zijn Woord en verlating van Zijn dienst is het slot. Ontzaglijke werkelijkheid. “En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos” (Joh. 3:10).
Plotseling spreekt de Heere Zijn twaalf discipelen aan. Vraagt Hij of ze blijven? Haalt Hij de scherpe kantjes van Zijn boodschap af? Spreekt Hij hen met bemoedigende woorden toe? Krijgen de discipelen een compliment voor hun standvastigheid? Nee! Integendeel! “Wilt gijlieden ook niet weggaan?” Op dit kritieke moment plaatst de Heere Zijn twaalf discipelen voor de keus: Weggaan of blijven; volharden of vertragen; belijden of zwijgen; de dood of het leven.

Het Evangelie is een boodschap met twee kanten.
Christus wijst op weggaan of blijven. Hij brengt de boodschap van dood of leven. Hij heeft gewezen op de brede en de smalle weg. De prediking van het Evangelie is een boodschap, die scheiding aanbrengt. Het is tot oordeel of tot voordeel. Het zal onze schuld vermeerderen of wegnemen. Het is van tweeën één. Duidelijk stelt de Heere de twee zijden van Zijn boodschap in het licht. Er is tussen de brede en de smalle weg geen andere weg. Er is haat tegen God of er is liefde tot God in het hart uitgestort. Er is een benodigen van de Zaligmaker of een kunnen leven zonder Hem. De derde weg bestaat niet. Dat is een leugen. “Wilt gijlieden ook niet weggaan?” Christus wijst op weggaan of blijven. Naomi stelde Ruth voor de keus: Moab of Kanaän; de wereld of God. “Keert weder, mijn dochters” (Ruth 1:11-12). Elia heeft Israël voor de keus geplaatst: Baäl of God, weggaan of blijven. Weggaan betekent de dood. Het is de vloek. Het is de verharding. Het is de ondergang. “Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking; Maranatha!” (1 Kor.16:22).
Blijven is het leven: “Die dit Brood eet zal in der eeuwigheid leven” (Joh. 6:58). Klemt dat weleens in ons leven? Raakt de ernst van de boodschap ons?
Velen ergeren zich aan het Evangelie. Velen gaan tenslotte weg. In Adam heeft een mens tegen God gekozen. Hij kiest voor zichzelf. Hij kiest de weg naar de dood. Gewillig en bewust gaat een mens van nature verloren. Hij wil God niet dienen. Hij kan God niet dienen. God dwingt een mens niet tot zonde. De gevallen mens kiest vrijwillig voor de zonde, de duivel en de wereld. Om eigen schuld gaat een mens verloren. Bovendien verwerpt een mens het Evangelie. Het is de Joden een ergernis, de Grieken een dwaasheid. Heil in een Persoon, die Zichzelf vernedert? Redding in een Heiland, die geboren is in een stal? Verlossing door een Verlosser, die Zich laat kruisigen? Onmogelijk, zeggen de wijzen en verstandigen van deze wereld. Op de Areopagus hebben ze ermee gespot. In de synagoge hebben ze zich eraan geërgerd. De mens gaat voor het Evangelie op de loop. Hij is weggelopen bij God. Hij blijft weglopen. Nooit zal een Adamskind, uit zichzelf, terugkeren naar God. Hij gaat liever verloren, dan uit genade behouden te worden. Het Paradijs is verloren. De vloek van de wet doet hem niet beven. Het Evangelie trekt hem niet. Hoe diep is toch de verlorenheid van het mensdom. “Wij hebben u op de fluit gespeeld, en gij hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen, en gij hebt niet geweend” (Matth. 11:17).
Zo gaat elk mensenkind zijn weg. Zo gaat hij weg. Weg bij God. Weg bij de dienst van God. Weg bij het Evangelie van God. Greep de schrik des Heeren u al aan?

Sommigen komen tot de goede belijdenis. Petrus mag namens de andere discipelen de keuze van zijn leven openbaren. Het is de keuze voor God en voor Zijn dienst.

Het is de keuze voor het Evangelie van het Kruis. Het is de keuze van de kracht Gods tot zaligheid, een iegelijk die gelooft. Deze keuze is een wonder. Het is een wonder van Gods opzoekende zondaarsliefde. Het is de keuze die God, in Christus, Zelf heeft gewerkt. Het is Gods eigen werk. Het is het werk van de drie-ënige God. Het gaat terug op het verkiezend welbehagen van de Vader. Dat is de diepe bron. Het is verworven door het lijden en sterven van Christus. Het wordt toegepast door de Heilige Geest.

Ontroerend ogenblik als de zondaar deze keuze mag openbaren. Wat een blijdschap voor de kerk des Heeren. Er is een nieuweling in Sion geboren. Wat een heerlijkheid voor Christus. Het is het loon op Zijn gezegende arbeid. Wat een onbegrijpelijke verwondering voor zo’n ziel. “Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten,… want waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk, en uw God is mijn God” (Ruth 1:16).

Hoe rijk en groot mag Petrus dan getuigen van de zaligheid in Jezus. Tot Wien zullen wij heengaan? Jezus is de enige Zaligmaker! Gij hebt de woorden van het eeuwige leven. Jezus is de volkomen Zaligmaker. Genade is in Zijn lippen uitgestort.
Wat is de keuze van uw hart? Waar ligt uw verlangen? Wat is uw uitzien?

“Want die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van den HEERE. Maar die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen, die Mij haten, hebben den dood lief” (Spr. 8:35-36).

 

Ds. W. Visscher

“Onze zielen gespijzigd…..”:

De dankzegging van het Avondmaalsformulier begint met te wijzen op de weldaden van de Heere: “Geliefden in de Heere, dewijl de Heere nu aan Zijn tafel onze zielen gespijzigd heeft, zo laat ons al tezamen Zijn naam met dankzegging prijzen”. De grond van de dankzegging ligt in de weldaden van God. Het formulier zegt dat de Heere onze zielen met brood en wijn gespijzigd heeft. Houdt de opsteller van het formulier dan geen rekening met mensen die niet in oprecht geloof gekomen zijn? Die zijn er toch ook? Zelfs aan de tafel waar de Heere Jezus aan zat met Zijn discipelen, zat in het eerste deel Judas erbij. Er kunnen mensen komen die zichtbaar de tekenen wel ontvangen, maar die ze niet ontvangen in geloof, maar in ongeloof. Dan zal het ons niet ten zegen zijn. Integendeel, dan zal het oordeel van de verharding over ons komen. Dat is duidelijk, dat leert de Schrift: Die eet en drinkt zichzelf een oordeel. Natuurlijk weten de vaderen dat.

Maar de dankzegging is evenzeer een zaak van het geloof als het gebruik van het sacrament dat was. Ze gaan met de ware tafelgenoten een dankzegging houden in het geloof: Dewijl de Heere nu aan Zijn tafel onze zielen gespijzigd heeft…. Hoort u de krachtige taal die de vaderen daarin gebruiken? Dus niet: misschien hebt u wat gekregen; het moet nog maar bekeken worden of u wat gekregen hebt. Nee! Elke arme zondaar die in het geloof belijdt dat zijn verwachting alleen de Heere Christus is, zal geen lege of bedriegelijke tekenen ontvangen. Daar zullen dat teken en zegel hun uitwerking niet missen. Christus is immers de inhoud van die tekenen. Het brood en de wijn wijzen naar het offer van Christus heen. In art. 33 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis staat: “want Jezus Christus is hun waarheid, zonder Wie zij niet met al zijn zouden”. Christus is hun waarheid. Dat is hun verwachting, daarop leunen zij. Dat is het fundament van hun ziel. Daarom zullen die tekenen voor hen ook niet ledig blijven. Zonder Hem zouden zij ijdel, leeg zijn. Daarom zeggen onze vaderen: Dewijl de Heere nu aan Zijn tafel onze zielen gespijzigd heeft… Nu zullen wij voor het gevoel de ene keer meer ontvangen aan het Avondmaal dan de andere keer. Maar onze vaderen waren er sterk van overtuigd dat God door deze tekenen verzegelt en waarmaakt. Wie de belijdenis wil laten spreken, leze art. 35 van de Nederlandse geloofsbelijdenis: “Zo werkt Hij (=Christus) dan in ons, al wat Hij door deze heilige tekenen ons voor ogen stelt; hoewel de wijze ons verstand te boven gaat, en ons onbegrijpelijk is, gelijk de werking van de Heilige Geest verborgen en onbegrijpelijk is”.

Het doet wat, het sterkt uw ziel. Alleen : hoe? Het kan dat u dat achteraf nog meer ervaart dan tijdens de avondmaalsviering zelf. Daarna gaan ze over tot de eigenlijke dankzegging. Dat is een gedeelte uit Psalm 103, de verzen 1 tot en met 4, en vanaf vers 8 tot en met 13. Daarin gaat het steeds over de weldaden van de Heere: over vergeving, genezing, verlossing en over het kronen met barmhartigheid en goedertierenheid. Het tweede gedeelte is genomen, na een inleidende tekst, uit Rom. 8: 32 en uit Rom. 5: 8 – 10. De eerste zin is uit Rom. 8: 32: Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? En in Rom. 5: 8 – 10 gaat het erover wat de Vader schonk, wat de Vader gedaan heeft en hoe Hij Zijn liefde geopenbaard heeft. Want Christus is gestorven en heeft ons met God verzoend toen wij nog vijanden waren.

De dankzegging gaat naar een hoogtepunt, een climax. Aan de ene kant laten ze zien wie wij zijn: vijanden van God. Toen wij nog vijanden waren. Toen heeft God Zijn Zoon gegeven. Toen heeft Zijn Zoon Zichzelf geofferd tot in de dood des kruises. Christus is voor ons gestorven toen wij nog vijanden waren. Wij hebben de genade van God niet opgewekt. Wij hebben er niets aan toegebracht. En kunnen er ook niets aan toebrengen: toen wij nog vijanden waren, is Christus gestorven en zijn wij met God verzoend. Vijanden van God, daarmee zijn wij getekend tot in het diepst van ons hart. Dat zijn we geworden en gebleven. Dat blijft zo, totdat God Zijn liefde in ons hart uitstort. Het wonder is: God ziet naar mensen, naar vijanden om in Christus. En Christus geeft Zich voor vijanden. Dan komt de climax: indien dan Christus voor ons gestorven is toen wij nog vijanden waren, toen wij met God verzoend werden door de dood van Zijn Zoon, veel meer zullen wij behouden worden door Zijn leven.

Hier horen we eerst wat de dood van Christus overtreft. Veel meer, staat er, zullen we behouden worden door Zijn leven. Het gaat om twee dingen: verzoend en behouden. Als vijanden verzoend met God. En behouden worden door Zijn leven. Wat bedoelt de apostel daarmee? Christus is gestorven om aan het recht van Zijn Vader te voldoen. Maar nu leeft Hij in de hemel. En dat leven is evenzeer ten goede van Zijn Kerk als Zijn dood. Ja, zegt Paulus, veel meer nog. Want denk eens in dat Christus in de dood gebleven was? Niemand had dan ooit behouden kunnen worden. Wie had er dan voor hen gebeden? Wie zou hen hebben beschermd en bewaard? Wie had hen geregeerd met Zijn Woord en Geest? Immers niemand. Ze zouden nog omkomen. Christus’ dood is tot verzoening en Zijn leven is tot behoudenis. Hij leeft en daardoor zal Zijn Kerk leven. Hij zal hen behoeden en bewaren en straks tot Zich nemen in heerlijkheid: Ik leef, en gij zult leven. Die levende Jezus zorgt dat Zijn Kerk thuiskomt.

 

wijlen ds. D. Rietdijk

Jezus’ opgaan naar Jeruzalem

“Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal de overpriesters en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen.

En zij zullen Hem de heidenen overleveren, om Hem te bespotten en te geselen, en te kruisigen; en ten derde dage zal Hij weder opstaan.”

(Mattheüs 20:18,19)

Opgaan naar Jeruzalem heeft voor de Jood een bijzondere betekenis. Het betekent niet zomaar “naar de stad gaan”. Nee, er ligt een diepe geestelijke betekenis in. De uitdrukking “opgaan naar Jeruzalem” moet geplaatst worden in het licht van het gaan naar het huis des Heeren om daar voor Gods aangezicht te verschijnen. Juist rond de grote feesten als Pasen en Pinksteren had het gaan naar Jeruzalem een bijzondere betekenis. Het bezoeken van de oude koningsstad stond dan geheel in het licht van het bevel om de Naam van de Heere te gedenken en voor Zijn aangezicht zich te verootmoedigen en de offers te brengen.
Het gaan naar Jeruzalem was opgaan omdat Jeruzalem hoog was gelegen op de heuvels. In het bijzonder denken we daarbij aan de berg Sion waarop de tempel was gebouwd.

Voor de Heere Jezus was het een bijzonder opgaan. Hij gaat al de schaduwen vervullen. Het ene offer waar heel de oudtestamentische eredienst heen wees, gaat Hij brengen.

Ook valt ons hier op dat Hij Zichzelf de Zoon des mensen noemt. Het is de oudtestamentische titel voor de Messias (Daniël 7:13). Gods enig geboren Zoon gaat de weg van het offer. De Koning wordt knecht. De gang welke Hij hier maakt zal Hem het leven kosten. Hoor hoe nauwkeurig de trappen van Zijn lijden worden voorzegd. Ga het maar na in de tekst: “overgeleverd, ter dood veroordelen, bespotten, geselen, kruisigen, ten derde dage weder opstaan”.

Leerden wij Hem volgen in Zijn vernedering? Wat denken wij van Zijn opgaan naar Jeruzalem? Christus Zelf sprak van het geven van Zijn leven als een “rantsoen voor velen”. Daarom wordt Hij overgeleverd en gedood. Achter de overpriesters en de Schriftgeleerden die hier hun hand in hebben, zien wij de hand van de Vader. God Zelf geeft Zijn Zoon over in de dood des kruises. Zo is God de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende.

Niet alleen de Joden zullen hun aandeel hebben in de dood van Christus. Ook de heidenen zullen betrokken zijn bij Zijn ondergang en dood. We zullen moeten denken aan de Romeinen. In dat verband spreekt Christus ook van de kruisiging.
Wat zullen de discipelen geschokt geweest zijn bij het horen van deze dingen. Hun geliefde Meester zal in Jeruzalem door de geestelijke leiders van het volk overgeleverd en ter dood veroordeeld worden. De gehate Romeinen zullen Hem doden aan het kruis. Het kan niet anders of deze boodschap moet uiterst confronterend voor de discipelen geweest zijn.
De vraag is of ook wij door deze woorden geschokt worden. Of zijn we al zo gewend aan de boodschap van het lijdensevangelie dat het ons onberoerd laat?

Niet alleen spreekt Christus hier voor het eerst over Zijn dood als de kruisdood. Hij spreekt hier ook over Zijn opstanding: “En ten derden dage zal Hij weder opstaan”. De dood zal het laatste niet zijn! Op overlevering en dood zal opstanding volgen.
Laten we ons ook eens afvragen wat deze woorden voor Jezus Zelf geweest zijn. Het moet niet alleen voor de discipelen schokkend zijn geweest maar dat was het ook voor Jezus Zelf.

Hij wist wat er in Jeruzalem zou gaan gebeuren. Heel precies kende Hij de weg die Hij moest gaan. Deze voorkennis bracht al diep lijden met zich mee. En hoewel Hij het kruis al ziet staan, toch gaat Hij op naar Jeruzalem. Wat een overgave! Dat dodelijke uur wat Hem in Jeruzalem wacht, is Hem volmaakt bekend en toch wil Hij gaan. Wat een gewilligheid in het hart van de Borg. Hierbij moeten we denken aan de woorden van de profeet Jesaja: “Ik ben niet wederspanning, Ik wijk niet achterwaarts. Ik geef Mijn rug dengenen, die Mij slaan, en Mijn wangen degenen, die Mij het haar uitplukken; Mijn aangezicht verberg Ik niet voor smaadheden en speeksel”.

Wat wordt deze Borg en Middelaar dierbaar als wij gaan verstaan dat wij de toegang tot God niet kunnen maken. Dat wij vanwege onze zonden voor Zijn aangezicht niet verschijnen kunnen. Welke offers wij ook meebrengen, zelfs het beste offer van een gebroken hart en verslagen geest, niets kan voldoening geven aan Gods eisend recht.
Hoe rijk is voor dezulken het geloofsgezicht op Christus, Hem de lijdensweg in gewilligheid te zien maken. Zijn plaatsbekleding predikt verzoening van de zonde.

Uit de reactie van de discipelen blijkt wel dat ze deze dingen niet verstonden. Om het lijden van Christus recht te verstaan is het nodig te leren dat er vanwege de waarheid en rechtvaardigheid van God op geen andere manier voor de zonde kan worden betaald dan door de dood van de Zoon van God.
Voor zondaren die zijn vastgelopen voor het aangezicht van een heilig en rechtvaardig God klinkt hier het vertroostend Evangelie van de Zoon des Mensen Die overgeleverd wordt om onze zonden en opgewekt wordt tot onze rechtvaardigmaking.

Ds. W. Harinck

Een genadig onderscheid

‘Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op den Naam des HEEREN betrouwen.’ (Zefanja 3:12)

 

De profeet Zefanja, die leefde in de tijd van Jeremia, heeft een ernstige boodschap aan het volk moeten brengen. Hij heeft gesproken over de dag van Gods toorn. Vervolgens lezen we in hoofdstuk 2 dat hij heeft opgeroepen tot bekering!

Maar… in het midden van het volk dat van de Heere afwijkt, is er ook nog een ander volk. Dat is dat ellendige en arme volk waar de profeet in hoofdstuk 3 over schrijft: ‘Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk, die zullen op den Naam des Heeren betrouwen.’

Dat volk is ellendig, omdat het God kwijt is. Hebt u dat al mogen leren door het werk van de Heilige Geest? Als de Heere in het leven komt, leren we zien dat we uitlandig zijn. Dat we zonder God op de wereld zijn. Dan gaat ons geweten ons aanklagen en de wet veroordeelt ons! Misschien vraagt iemand: Kennen Gods kinderen dan enkel ellende en verdriet? Zeker niet. Ze genieten vreugde en zaligheid als ervaren wordt dat de Heere van hen afweet. Dan zingen ze: ‘En hebt ellendigen dat land, Bereid door Uwe sterke hand, O Israëls Ontfermer!’ Dan is er geen ellende, maar zaligheid.

En toch … toch worden zij genoemd een ellendig en arm volk. Weet u waarom? Na zo’n gezegende tijd waarin zij mogen zingen van verwondering, kan er weer een andere tijd komen. Die kan bijvoorbeeld komen als de Heere nader gaat ontdekken, als de schuld steeds meer gaat drukken, of als de vraag in het hart leeft: Is deze Zaligmaker op Wie ik heb mogen zien, nu ook mijn Zaligmaker? En zelfs als deze rijke geloofs-wetenschap ontvangen mag worden, blijft Gods volk in zichzelf ellendig en arm. Ook dan horen we Paulus klagen: ‘Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?’ Ze hebben geen volkomen geloof. Ze zijn en blijven arm aan godsvrucht, geloof, hoop en liefde. Hun bidden kunnen ze menigmaal geen bidden noemen. Hun danken stelt hen schuldig. Ze zijn arm aan gerechtigheid en heiligheid. Ze krijgen de Heere in alles nodig. Onze tekst zegt het: ‘Die zullen op den Naam des Heeren betrouwen.’

Het volk in Babel had heel wat verloren: Jeruzalem, de stad van de Heere, de tempel, het huis van de Heere, de priesters van de Heere en het altaar van de Heere. Maar o wonder van genade, ze hielden de Naam des Heeren over. De Naam des Heeren betekent Jehova Zelf. God houdt Zijn volk over en dat volk houdt God over. Dat volk zal op Zijn Naam betrouwen.

Het woord ‘betrouwen’ wijst op ‘toevlucht nemen, ergens tegenaan leunen’. De dichter van Psalm 36 zingt: ‘Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.’ Dat overblijfsel mag door genade tot de Naam des HEEREN hun toevlucht nemen. Ze begeren het van Hem te verwachten. Ze zijn afgebracht van het steunen op eigen wijsheid, geloof, hoop en liefde, of bekering. Maar zij smeken: ‘Verlaat niet wat Uw hand begon, o Levensbron, wil bijstand zenden.’ Ze komen bij God terecht. Zijn Naam wordt hun énige pleitgrond en het centrum van die Naam is Christus. Zo wordt Hij de Rots van hun betrouwen, Wiens werk alleen volkomen is. In en door Hem is er gemeenschap mogelijk tussen een heilig en rechtvaardig God en een schuldig volk. Wat is het groot als we bij Hem mogen schuilen, als we op Hem mogen betrouwen. Dan zullen we uitroepen: ‘Heere, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.’

In dat betrouwen ligt ook: ‘Het is goed dat men hope en stil zij op het heil des HEEREN.’ Op die Naam mag Gods kind leunen zoals de bruid uit het Hooglied, van wie staat: ‘Wie is zij die daar opklimt uit de woestijn, en lieflijk leunt op haar Liefste?’ Deze Liefste heeft haar liefgehad met een eeuwige liefde. Daarom trekt Hij Zijn bruid. Hij maakt haar ellendig en arm, opdat Hij voor haar alles zal worden. Van nature leunen we op eigen kracht en vermogen. En ook na ontvangen genade is er zoveel wat de rechte schuilplaats niet is. Daarom maakt en houdt de Heere dat overblijfsel ellendig en arm. Totdat… de eeuwige morgen aanbreekt. Dan zijn de uitlandigheid en de armoede voorbij. Dan mogen ze ingaan in het paleis van de Koning. Dan wordt vervuld: ‘Die hier bedrukt met tranen zaait, Zal juichen als hij vruchten maait.’ Dan zullen zij de vruchten genieten die Christus verworven en verdiend heeft. Verworven in een weg van bitter lijden en sterven. Hij moest teruggeven wat Hij niet geroofd had. Wij hebben Gods Naam door het slijk gesleurd, vertrapt en niet op de juiste waarde geacht. Maar God zorgt ervoor dat Zijn Naam zal klimmen uit het stof. Hij verheerlijkt Zijn Naam in diepgevallen zondaren. En omdat Hij die Naam in hun leven gaat openbaren en bekendmaken, komt er van hún kant een betrekking op die Naam, ja dan wordt door de genade van het geloof die heerlijke Naam hun leven en zaligheid. Die Naam staat dan in het middelpunt van hun leven! ‘Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen…’

 

Ds. B. van der Heiden