Daar ontvangt de pelgrim nieuwe kracht

Toen kwamen zij te Elim, en daar waren twaalf waterfonteinen en zeventig palmbomen; en zij legerden zich aldaar aan de wateren.  

(Exodus 15:27)

 

Elim was een zeer aangename plaats. Twaalf waterfonteinen en zeventig palmbomen werden er gevonden. Midden in de woestijn gaf de Heere Zijn volk rust. Daar was het koele, verfrissende water, dat de dorst leste. Daar at men de smakelijke voedzame dadels.

Sommige verklaarders zien hier een duidelijke heenwijzing naar Christus. Ten eerste is Hij de Plaats waar de moede pelgrim mag uitrusten. Wat wordt Hij begeerlijk en onmisbaar voor de zondaar die ontdekt wordt aan de bittere wateren van de zonde, ongerechtigheid en Godsgemis. Ten tweede schenkt Christus, net zoals de palmboom zijn ver­kwikkende vruchten geeft, de vruchten van Zijn kruisverdienste. Als die geproefd worden, roept de bruid uit: “Ik heb grote lust in Zijn Schaduw en zit eronder en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet”. Ten derde, gelijk de palmboom Zijn bladeren niet afwerpt, zo is er ook bij Christus altijd bedekking te vinden. Bij Hem zijn zondaren altijd welkom. Zijn Deur, Zijn Hart is nooit gesloten. Ten vierde kunnen we wijzen op de gestalte van de palmboom. Roept de bruid niet, ziende op Zijn gestalte, in aanbidding uit: “Gij zijt de Schoonste onder de kinderen der mensen”. Ten vijfde, om niet meer te noemen, zoals de palmboom na het kappen van zijn takken in schoner vorm opgroeit, zo heeft ook Christus na Zijn bitter lijden en sterven, meerder heerlijkheid ontvangen. Hij ontving een Naam boven alle naam. Wat was het een aangename tijd voor Israël, toen het mocht drinken van het frisse water en onder de palmbomen bescher­ming tegen de brandende zon vond. Welk een plaats is Elim! Dáár waar de Heere is, daar is het goed! In Elim zit het hebreeuwse woordje El d.i. God verborgen. God was daar! Hij zorgde voor 12 waterfonteinen en 70 palmbomen. Voor elke stam was er een bron, een fontein en voor elk van de 70 oud­sten, de vertegenwoordigers van het volk, die met Mozes lei­ding gaven aan het volk, was er een palmboom.

Het is een troostboodschap voor alle geestelijke pelgrims. Op de reis naar het hemels Kanaän ontbreken de Mara’s, maar óók de Elims niet. De Elims zijn door Christus verdiend.

Hij was voor de Zijnen in Mara. O, hoor Hem klagen: “Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe”. Hij ondervond Mara toen Hij in de diepste verlatenheid uitriep: ’Mijn God, Mijn God waarom hebt Gij Mij verlaten?’

Daarom kan er een Elim zijn! Daar drinken dorstigen van het water des levens en wordt hun ziel verkwikt. Daar worden de harpen van de wilg gehaald en nieuwe liederen gezongen. Liede­ren van aanbidding en verwondering. Daar ont­vangt de pelgrim nieuwe kracht. Het geloof wordt er gesterkt, de hoop verleven­digd, de liefde weer aangewakkerd.

Kent u /jij deze Elims? Thuis onder het lezen en onderzoe­ken van het Woord of onder de prediking, als er zielenvragen worden opgelost. Als op de kansel wordt verkondigd wat in de binnenkamer geschiedt. Als de Heere Zijn Woord opent in het moegestreden zondaarshart en de zoetheid en kracht ervan ervaren wordt. Dan zingt het hart:

Een dag is in Uw huis mij meer

Dan duizend daar ik U ontbeer;

Wat kan het dan goed zijn in het huis des Heeren of aan Zijn Tafel, als het oog op de Gastheer is gericht. Welk een Elim als bij de doopsbediening het geloof mag zien op Christus’ bloed dat van alle zonde reinigt. E­lims, dat zijn de plaatsen waar de Heere de schuldverslagene apart neemt en Hem toefluistert: ’Zie, hier ben Ik’. ‘Vreest niet, staat vast en ziet het Heil des Heeren’. Nee, dan zijn er geen vijanden te bekennen en is er geen woestijn te zien. Dan wordt ervaren:

Daar zal ons ’t goede van Uw woning

Verzaden, reis op reis.

Maar Israël kon niet in Elim blijven. Ze moes­ten verder. Elim is immers Kanaän niet. En tussen Elim en het land der rust ligt weer de woes­tijn. Maar Elim is wel profetie hoe het in Kanaän zal zijn. Daar zal de Israëliet zitten onder zijn wijnstok en vijgeboom. Dat wijst op bestendige rust.

Maar op reis naar het hemels Kanaän schenkt de Heere Elims aan Zijn kinderen, opdat ze onderweg niet zouden bezwijken. Maar ook, opdat het heimwee opgewekt zou worden naar de volkomen­heid.

“God des levens, ach wanneer

Zal ik naad’ren voor Uw ogen,

In Uw huis Uw Naam verho­gen”.

Dat wil zeggen: ‘Heere, wanneer zal ik U echt alleen bedoelen? U alleen de eer geven? Wanneer zal ik er zelf definitief tussenuit zijn? Wanneer zal de zonde geen scheiding meer maken tussen U en mijn hart? O de Heere geve naast de mara’s, ook de elims, opdat met een zeker dich­ter kan worden ingestemd:

“Kom reisgenoten,’t oog omhoog en ’t hart naar boven.        

Hier beneden is het niet.

‘Ware leven, lieven, loven is toch daar men Jezus ziet”.

 

Ds. B. van der Heiden

Genoeg

“Mijn genade is u genoeg.” (2 Korinthe 12:9a)

Paulus’ leven was een leven door het geloof. Dat is altijd een leven waarin verloochening van eigen waardigheid, kracht en wijsheid wordt beoefend. Deze verloochening van wat van onszelf is, heeft allereerst betrekking op de zaligheid, op het ingaan in het hemelse Kanaän. Maar ook op allerlei omstandigheden in het persoonlijke en het ambtelijke leven. Het is een moeilijke les, een zware les, die vlees en bloed ons niet leren, maar waarin de Heere de Zijnen oefent.

Die les heeft ook Paulus geleerd. Hij spreekt daar openhartig van in dit hoofdstuk. Hij had eens een rijke openbaring van de Heere ontvangen. Door de Heilige Geest mocht hij een blik slaan in de hemel. Zelf noemt hij het een opgetrokken zijn in het paradijs. Daar waar Christus in de heerlijkheid Zijns Vaders is opgenomen en vanwaar Hij Zijn Koninkrijk doet komen en alles bestuurt. En nu loopt Paulus het gevaar te denken meer te zijn dan andere mensen. Zo dreigen mensen zich te verheffen op bijzondere gaven en zegeningen.
Maar nu gebeurt er iets in Paulus’ leven. Daardoor wordt hij eraan herinnerd dat hij een gewoon mens is. Hij ontvangt iets of ondergaat iets dat hem bijzonder hindert bij zijn werk. Wij weten niet wat dat geweest is en het doet er ook niet toe. Het is een grote beproeving: een engel des satans die hem met vuisten slaat. Zo’n beproeving kan zeer bitter zijn. Het wordt voor Paulus ook een scherpe doorn in het vlees. Dat is een onbegrepen weg. En wat kan satan dan wroeten. Wat kan hij het vlees aanzetten, waardoor de waaroms naar boven komen. Juist wie verstaat en gelooft dat de Heere alles bestuurt, kan zo’n strijd hebben met de weg die de Heere houdt.

En toch is er in die strijd maar één weg: het gebed. In alles ermee bij de Heere terechtkomen. Zo vraagt Paulus of de Heere hem ervan wil verlossen. Tot driemaal toe smeekt hij erom. En op dit gebed geeft de Heere antwoord. Het is een antwoord dat Paulus kracht geeft om te dragen wat de Heere hem oplegt. Want Hij regeert in alle dingen, ook in wat Hij toelaat en doet overkomen.
De Heere zegt tot hem: Mijn genade is u genoeg. En de Heilige Geest grift het in zijn ziel en geeft hem geloof om dit te aanvaarden. Letterlijk staat er: Genoeg voor u is Mijn genade. Het woord “genoeg” staat voorop. Daar komt het ook op aan. De mens van toen en van nu heeft niets meer en niets minder nodig dan Gods genade. Paulus had die al ontvangen. De Heere laat hem dat weer zien en geloven. Steeds dieper mag hij de rijkdom ervan verstaan.
Want die genade is onuitputtelijk rijk. Ze spreidt zich over Paulus heen als een veilige tent. Zijn hele leven en zijn toekomst zijn eronder geplaatst. De Heere acht Zijn genade genoeg voor Paulus en voor allen die Hij met Paulus voor Zijn rekening neemt. Zou Hij niet weten wat goed is in alle nood en zorg? Hij leert de Zijnen er genoeg aan te hebben, als ’t geloofsoog op Hem is gericht. Dan willen we niet wijzer zijn dan de Heere en buigen ze in onderworpenheid aan Zijn wil. Dan zwijgt Aäron stil, dan heeft Asaf aan Zijn God genoeg.
Deze genade is genoeg om door kruis en druk heen te helpen, ja ook door droefheid en gemis. Die blijven wel bestaan, maar beheersen Gods kind niet meer. Er staat niet bij welke genade hier bedoeld is. Dat behoeft ook niet. Het is het geheel van de zegeningen die de Heere om Christus’ wil schenkt. Daar behoort alles toe wat voor het leven en sterven nodig is. Ook wat nodig is als ons leven beknot is of afgebroken schijnt te worden. Van deze genade geldt hetzelfde als van de godzaligheid: die is tot alle dingen nut. Zij heeft de belofte voor het tegenwoordige en het toekomende leven. Het is een grote winst met vergenoeging.

Paulus heeft er genoeg aan om verder te kunnen. U, die de Heere leerde kennen, kunt ermee verder, om uw roeping en taak te volbrengen, ook in nood en moeite. Zo leert de Heere geheel van Hem afhankelijk te zijn. Dat is vaak geen gemakkelijke, maar wel een profijtelijke weg. Daarbij kan de Heere soms het ene wegnemen om te leren van de Ene, van Zijn genade te leven.

Bij de Heere is nog een volheid van genade. Kreeg u die al nodig? U wordt niet uitgesloten van de nodiging ertoe, tenzij u zichzelf uitsluit. Er is vergevende en ondersteunende genade, ja alles wat u ontbreekt. Doet uw mond wijd open, zegt de Heere, en Ik zal hem vervullen.

Ds. H. Paul

Leven in de Dode Zee

‘en zij zullen gezond worden, en het zal leven, alles, waar henen deze beek zal komen’. (Ezechiël 47:9b)

 

Door middel van een visioen wil de Heere Zijn knecht Ezechiël duidelijk maken dat Hij het is, Die Zijn Kerk bouwt en in stand houdt.

De profeet ziet een tempel die aan het heiligdom in Jeruzalem doet denken. Van onder de drempel van dit heiligdom vloeit een stroom van levend water, waardoor het werk van de Heilige Geest gesymboliseerd wordt.

Ezechiël zag dit water vloeien vanonder de drempel, maar de eigenlijke bron ervan kon hij niét zien. De levenwekkende Geest komt uit de hémel, maar de brón is onzichtbaar. Die bron is het liefdehart van God. Uit Zijn eeuwige barmhartigheid en liefde tot verloren zondaren, vloeit de stroom van goddelijke genade en verzoening, en dat op grond van het volbrachte werk van Christus. De arbeid van Zijn ziel was nodig om het water van Gods Geest te laten vloeien tot doemwaardige zondaren, opdat het welbehagen van God door Zijn hand gelukkig zou voortgaan.

Wat is het noodzakelijk dat dit levendmakende water ook neerdaalt op de dorre akker van óns hart, opdat wij uit onze dorheid en doodsheid zullen ontwaken. Want anders zal er geen léven zijn, maar slechts een eeuwige dóód. Wanneer de Heere echter die Geest op dode zondaren doet neerdalen, dan moét de dood uit het hart wijken; dan moét het leven komen, en zien we wonderen van genade gebeuren.

Dat mocht Ezechiël zien. De stroom uit het heiligdom verbreedt en verdiept zich steeds meer, zodat de profeet er tenslotte niet meer in kan staan. Het wijst hem en ons op de voortgang van het Koninkrijk van God in de wereld, en in het persoonlijk leven van de gelovige.

Levenwekkend vloeit die stroom al verder voort, om tenslotte uit te komen in de Dode Zee, en zelfs dáár het leven te brengen.

De Dode Zee is ontstaan na het oordeel van de Heere over Sodom en Gomorra. Niets kon er in leven. De vissen die er in zwommen vanuit de Jordaan, vonden er de dood.

Maar nu hoort Ezéchiël dat zelfs dáár, in de Dode Zee, het leven komt. Zó groot is de kracht van dit levendmakende water, dat de vissen blijven leven, en overal langs de Dode Zee vissers zullen staan, die een grote menigte van vissen, grote en kleine, zullen vangen.

Wat een heerlijke prediking van Gods genade is dit. Immers, ons hart is van nature aan een Dode Zee gelijk. Wij zijn zó diep gevallen, dat we dood zijn in zonden en misdaden. Er groeit geen enkele vrucht in ons leven tot eer van God. En het vreselijke is, dat we daar van nature geen erg in hebben. Evenwel: de levendmakende wateren vloeien naar de Dode Zee!

Wat is dat ook een bemoedigende prediking voor allen wier ziel schreeuwt naar de waterstromen; die geen weg meer zien tot het leven; die rondóm zich en ín zich de dood vinden. Hoor: de HEERE doet wonderen, en Hij maakt van een Dode Zee weer een lusthof van God.

Wat een bemoedigende prediking, ook met het oog op de arbeid in het Koninkrijk van God.

Ezechiël ziet vissers staan van En-gedi tot aan En-eglaim toe; daar zullen plaatsen zijn tot uitspreiding der netten (vs. 10). Dat schijnt een hopeloos en uitermate dwaas werk te zijn! Wie gaat er nu vissen aan de Dode Zee? Dan weet je bij voorbaat dat je niets vangt.

Maar door de dwaasheid van de prediking wil de Heere dóde zondaren doen horen de stem van de Zoon van God, en die ze gehoord hebben zullen leven.

Paulus ging het Evangelie verkondigen aan de dode zee van Klein-Azië en Europa. En Lydia, de stokbewaarder, en vele anderen, werden gevangen in het net van Gods genade.

En nóg worden de netten uitgespreid. In de prediking! Wat is dat een voorrecht! Maar ook in allerlei ander werk in de gemeente. Bent u, ben jij, al gevangen in het net van Gods genade?

Is deze stroom van levenwekkend water op de dorre akker van uw (jouw) hart neergedaald?

Smeek de Heere aanhoudend om het levendmakende water van Zijn Heilige Geest.

Als dat neerdaalt op de dorre akker van ons hart, dan zullen de vruchten daarvan in ons leven openbaar komen.

We kunnen over onszelf alleen maar klagen, en met de apostel zullen als Gods kinderen het leren: “ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods?”

O, dit moet ons uitdrijven tot Hem, Die gezegd heeft: “uw vrucht wordt uit Mij gevonden”, om het in die weg dan óók te leren: “ik dank God door Jezus Christus, onzen Heere”.

Die levende band met Christus is zo nodig, om alleen uit Hém te leren leven!

Wanneer wij zelf niéts geworden zijn en Christus ons álles is; wanneer Hij ons is geworden tot wijsheid, gerechtigheid, heiligheid en volkomen verlossing, dan zal er iets van Ezechiëls profetie gezién worden in ons leven. Dan vinden we hét Leven.

Ds. J. Driessen

Een rijke bemoediging

‘Ik ben de Opstanding en het Leven’

(Johannes 11:25)

 

Jezus’ zelfgetuigenis behoort tot de bijzonderheden van het Johannesevangelie. In zeven ‘Ik-ben’-uitspraken, onderstreept Christus Zijn Zoonschap en Messiasschap. In het Grieks hebben deze uitspraken nog meer zeggingskracht omdat het woordje ‘ik’ wordt herhaald. ‘Ik, Ik ben de Opstanding en het Leven’.

De Joden in de dagen van Jezus omwandeling op aarde hebben goed begrepen dat deze manier van spreken ver gaat. Ze hebben deze uitspraken van Jezus verstaan vanuit het Oude-Testament en een verband gelegd met de Zelfbenaming van God. Wanneer Mozes naar de Israëlieten wordt gezonden en hij de Heere vraagt, wat hij zal moeten antwoorden wanneer de Israëlieten zullen zeggen: ‘hoe is Zijn Naam?’ antwoordt de HEERE: ‘Alzo zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: IK ZAL ZIJN heeft mij tot ulieden gezonden’ (Ex. 3:14).

In de zogenaamde ‘Ik-ben’-uitspraken presenteert Jezus Zichzelf als Gods Zoon. Hij heeft deel aan het goddelijk Wezen. Hij is Gods Gezalfde, de Christus.

Daarom riepen juist deze uitspraken zoveel verzet op bij de overpriesters en de Farizeeën.

Tegenover het ‘Ik-ben’ van Jezus stond hun ongeloof. Terwijl Hij Zich openbaarde als de Opstanding en het Leven handhaven zij hun verzet. En wij? Leerden wij buigen aan Zijn voeten? Eren wij Hem in Zijn verhoging als de Opstanding en het Leven?

Bij het graf van Lazarus spreekt Jezus deze bekende woorden: ‘Ik ben de Opstanding en het Leven’. Vooral met Pasen worden deze woorden vaak aangehaald. Maar wat betekent deze uitspraak? Het mag ons niet ontgaan dat Jezus dit van Zichzelf zegt. Te midden van verdriet en rouw, ja in de confrontatie met dood en graf, spreekt Christus van opstanding en leven.

Hij maakt opstanding en leven persoonlijk. Hij zegt: ‘Ik ben’! Hij Zelf is Opstanding en Leven! Dit is Pasen. Jezus is dood geweest maar weer levend geworden. Hij leeft tot in alle eeuwigheid. Zijn geschiedenis is in de dood niet geëindigd. Zijn weg hield in het graf niet op. Zijn weg en Zijn werk zijn opstanding en leven. De dood kon Hem niet houden. Als de Opstanding en het Leven zal Hij de dagen verlengen en het welbehagen des Heeren zal door Zijn hand gelukkig voortgaan. Hij is opgestaan. Ten derden dage, met Pasen, triomfeerde Hij over dood en graf. Hij heeft de poorten van de dood open gebroken. Hij overwon degene die het geweld des doods had, namelijk de duivel. Nooit zal de dood over Hem heersen want Jezus Christus heeft het eeuwige leven! Hij kan zeggen: ‘Ik ben de Opstanding en het Leven’.

Wat betekent: ‘Opstanding’? Wat betekent: ‘Leven’? Hoe actueel zijn deze vragen. Het leven van mensen en beesten wordt immers aan alle kanten bedreigt. Euthanasie, abortus, uitroeien van beesten…het raakt de fundamenten van het leven. Schrikbarend komt in al deze ontwikkelingen uit dat de gevallen mens niet meer weet van het leven is. Maar zie wat God doet. Tegenover val plaatst Christus opstanding. Tegenover dood het leven.

De zonde heeft de val en de dood teweeg gebracht. In Adam zijn wij allen gevallen en de dood en de verdoemenis zelf onderworpen. Diep is het verderf waarin wij gevallen zijn. Nooit kan de mens in eigen kracht uit de diepe afgrond van de zonde en de dood opklimmen. Maar zie wat God nu heeft gedaan. Hij heeft Zijn Zoon gezonden. Christus daalde af in de diepten van onze verlorenheid. Om de zondeval en de dood te niet te doen, kwam Christus in de wereld. Hij raapt zondaren op uit de diepte van de val en brengt zondaren terug tot het leven. Ziet u de heerlijkheid van Christus? De gepastheid van Hem te midden van de verschrikkingen van zonde en dood?

Hij Die de Opstanding en het Leven is maakt dode zondaren levend. Doet opstaan uit de geestelijke dood. Gunt leven aan zielen. Met dat werk gaat Christus door. Nog trekt Hij zondaren uit de duisternis. Ook heden is Hij onverminderd de Opstanding en het Leven. Wat is dat tot bemoedigen van hen die het leven in eigen hand niet meer kun houden. Die belijden moeten midden in de dood te liggen. Wat ligt er in dit ‘Ik ben’ een rijke troost voor de Kerk. Want Gods levendgemaakte volk kan zo bestreden door het leven gaan. De overblijvende zwakheid, de onvruchtbaarheid van ons bestaan, de ongelovigheid van ons hart, de verdorvenheid van ons vlees, de verzoekingen van de wereld, de moeiten van het leven, de macht van de wereld…er is zoveel wat de schouders naar beneden drukt. Sla het oog op Hem. Jezus leeft. Vrees niet. Hij heeft de schuld verzoend, de dood gedood, de vijanden overwonnen, want Hij is de Opstanding en het Leven!

 

Ds. W. Harinck

Eén minuut voor twaalf

Het koningsspel is nog niet uitgespeeld. Ruw worden twee gevangenen uit hun cellen gehaald. Ze moeten dienen als adjudanten. Voor de Koning der Joden. Want een koning heeft recht op adjudanten. “Kom, vandaag is het Koningsdag. En jullie mogen de Koning vergezellen”. De soldaten schaterlachen. Alleen de gedachte al, hoe vermakelijk…! Met gebogen hoofden, hun kruispalen dragende, gaan ze de weg naar de executieplaats. “En toen zij kwamen op de plaats, genaamd Hoofdschedelplaats, kruisigden zij Hem aldaar, en de kwaaddoeners, den een ter rechter-, en den ander ter linkerzijde” (Lukas 23:3). Drie kruispalen op een rots… De duivel lacht ook als hij kijkt naar de twee kwaaddoeners. Nog even, en ze zullen voor altijd bij hem zijn. Maar… hij heeft misgerekend. Hier wordt de ‘helse moordenaar’ in een moordenaar beschaamd… Want al het is een minuut voor twaalf: het is nog niet te laat. En een van deze moordenaars wordt als een vuurbrand uit het vuur gerukt. Nee, aanvankelijk is daar werkelijk niets van te zien. Beide moordenaars doen mee met het bespotten van de Koning. Mattheus schrijft: “En hetzelfde verweten Hem ook de moordenaars, die met Hem gekruisigd waren”.

Maar er komt een grote verandering – het wonder van de wedergeboorte – bij één van de kruispalen. Hoe? Zoals de Heere het altijd doet. Namelijk door Zijn Woord, toegepast door Zijn Geest. De woorden van Christus (de kruiswoorden) worden in het hart van de moordenaar gebracht. En dat hart wordt geopend. Dan gaat de hand op de mond. Het wordt stil aan dat ene kruis. Ja toch… hij gaat weer spreken. Maar wat een verschil met zojuist. Hij komt tot een schuldbelijdenis en spreekt zijn collega-moordenaar aan: “vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt”. Hij heeft gezien de ‘grootheid van zijn kwaad’. Hij ziet dat in dat hij en z’n makker bijna zijn aangekomen in de eeuwige rampzaligheid. Hoor maar: “En wij toch rechtvaardiglijk; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan”. De Heere wacht op een belijdenis uit onze mond. Een belijden van schuld en van strafwaardigheid. Voor zulken valt het zo mee als ze om genade gaan bidden, gaan bedelen. Want nu richt de moordenaar zich tot de Koning, de Zone Gods. Hij noemt Hem ‘Heere’. Dat is wat! De gekruisigde aan te spreken als de Kurios. Daarvoor heb je geloofsogen nodig. Want helemaal niets wees er (meer) op dat hier Gods Zoon hangt. “Een Man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht”. Ook niet door de moordenaars. Maar nu door deze ene wel. Hoe dat kan? Gods werk! De Heere gaf hem geloofsogen. En toen verwachtte hij het alleen nog maar van deze gekruisigde Kurios. Hoor hem nu bedelen: “Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn”. Wat een gebed! Hij vraagt niet om een goede plaats in het Koninkrijk Gods. Hij vraagt niet om van het kruis verlost te worden. Hij vraagt slechts om een gedachte. Als U straks in Uw heerlijkheid bent, en ik in mijn verlorenheid, zou u dan aan mij willen “denken”? Dat is alles. En dat was al meer dan hij verdiend had… De één bidt om een kruimel brood, de ander om één wenk, weer een ander om één woord en deze om één gedachte. Wonderlijk, tegen zulken zegt de Meester: “groot is uw geloof”. Zulke bedelaars hebben een groot geloof. Want ze verwachten niet veel, maar alles van Jezus. Voor zulke onwaardige bedelaars (en dat blijven ze!) valt het mee, nu en straks. De moordenaar zou het hebben moeten aanvaarden als Jezus zou hebben gezegd: “man, zeker nu nog snel willen binnenglippen na een verzondigd leven. Maar zo gaat dat niet!”. Maar dat zegt het Lam Gods niet. Nee hoor maar. “En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn”. Hier wordt voor de moordenaar waar: “God heeft gedacht aan Zijn genade!”. Als God in Christus denkt aan een mens, dan is dat een ontfermend gedenken. Dan is dat een vergevend gedenken…

HEER, door goedheid aangedreven,
Zijt Gij mild in ’t schuldvergeven.
Wie U aanroept in den nood,
Vindt Uw gunst oneindig groot.

Hier toont Christus reeds de kracht en de vrucht van Zijn dood. Hij toont dat Hij recht had om uit kracht van deze zoendood, zondaren tot de eeuwige heerlijkheid te leiden. Hij toont Zich de Heere van het Paradijs, Die alleen de sleutel van de hemel heeft. Hij, de gekruiste Jezus, is de weg naar de hemel. Zo is de ladder des hemels die door Adam was verbroken weer hersteld door Christus aan het kruis. Deze moordenaar zal van het kruis opklimmen in het paradijs, in de derde hemel, en dat is met Jezus. En Jezus? Die blijft Dezelfde. “Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid” (Hebr. 13:8). Ook voor mensen die de schaduwen van de dood op zich zien afkomen. Tegen wie artsen moeten zeggen: ‘helaas we kunnen niets meer voor u doen’. Weet dat er een Arts is De zegt dat Hij gekomen is voor zondaren, voor zieken, voor ongeneeslijk zieken. En wat heeft Hij voor hen? Wie zich met de tollenaar uit de gelijkenis – biddend ‘wees mij zondaar genadig’ – tot Hem wendt, zal het ervaren: “wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen”. En dan maar meezingen:

Die God is ons een God van heil;
Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil,
Ons ’t eeuwig, zalig leven;
Hij kan, èn wil, èn zal in nood,
Zelfs bij het naad’ren van den dood,
Volkomen uitkomst geven.

 Ds. W.A. Zondag

De lijdende Knecht des Heeren

Jesaja, ook wel de evangelist van het Oude Testament genoemd, mag meer dan zeven honderd jaar voor de geboorte van de Zaligmaker een ‘tekening’ maken van de Knecht des Heeren. Een Knecht… Zo wordt Hij genoemd. Zo getrouw als een knecht zal Hij zijn werk op aarde doen. Hij is het van Wie de Vader zegt: “Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft” (Jesaja 41:1). Bij de doop van Christus horen we de ‘echo’ van deze woorden: “Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb”. In het slotgedeelte van hoofdstuk 52, dat eigenlijk al hoort bij Jesaja 53, gaat Jesaja spreken over de weg die de lijdende Knecht moet gaan. En over het doel van dit lijden. Het zijn de verzen 13 tot en met 15. We lezen in vers 13: “Zie, Mijn Knecht zal verstandiglijk handelen; Hij zal verhoogd en verheven, ja, zeer hoog worden”. Wat een bemoedigend begin! In het bijzonder was dit bemoedigend voor Christus (die ook waarachtig mens was) als Hij in het Oude Testament over Zichzelf, over Zijn opdracht leest. Hij mag hier lezen en verstaan dat Hij ‘verstandiglijk’ zal handelen. En dat Hij ‘verhoogd en verheven, ja zeer hoog zal worden’. Met dit ‘verstandiglijk handelen’ wordt bedoeld dat Hij bekwaam zal zijn en dat Hij daarom ‘voorspoedig’ zal zijn. Hij zal Zijn ambten – profeet, priester en koning – op een bekwame wijze uitoefenen. De Heilige Geest zal Hem toerusten. Want op Hem zal “de Geest des HEEREN rusten: de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreze des HEEREN” (Jesaja 11). Zo zal Hij straks verheven, ja zeer verheven, uitermate verhoogd worden. Hij zal opvaren naar het Vaderhuis en zitten aan de rechterhand van Zijn Vader. Hoe bemoedigend voor het Lam Gods als Hem dit aan begin van Zijn lijdensweg wordt voorgehouden. En het heeft Hem voortdurend voor ogen gestaan. Te midden van de diepste angsten vond Hij in het Woord troost en steun. Zo moeten ook Gods kinderen het kruis dragen. “Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van den troon Gods” (Hebr. 12:2). Om zo, zoals de oversten Leidsman, te staan in de christelijke hoop en lijdzaam te zijn in de verdrukkingen.

Het verheven worden van Christus heeft ook nog een andere betekenis. De opgestane en opgevaren Levensvorst zou eerst een Man van Smarten worden. Hij moest verhoogd worden aan het kruis. Zoals Mozes de koperen slang heeft verhoogd. Ook hiervan lezen we reeds in Jesaja (vers 14) : “Gelijk als velen zich over U ontzet hebben, alzo verdorven was Zijn gelaat, meer dan van iemand, en Zijn gedaante, meer dan van andere mensenkinderen”. Opgeheven aan de schandpaal op Golgotha. Door lijden tot heerlijkheid…

In schrille kleuren schildert de profeet de diepte van dit lijden. Hij ziet de mensen staan rond de Man van Smarten. Zij hebben zich ontzet. Ja velen hebben gegruwd toen ze Hem aanzagen, toen Pilatus Hem voorstelde aan de wachtende menigte. “Jezus dan kwam uit, dragende de doornenkroon en het purperen kleed. En Pilatus zeide tot hen: Zie, de Mens” (Joh. 19:5). Op Zijn aangezicht werden de tekenen van onuitsprekelijk diep lijden gezien. Zijn gelaat toonde niet alleen de sporen van het lichamelijke lijden, maar in het bijzonder van het zielenlijden. Hoe werd Hij geperst onder de toorn Gods. Zijn ziel was geheel bedroefd tot de dood toe. Hij kroop door de Hof ‘van elk vertreden, een worm geen man…’. Ziende op de drinkbeker die Hij moest drinken. Ruw hebben ze Hem gebonden en geschopt. Mensenvuisten hebben sloegen in Zijn gelaat. Zijn gestalte was die van een gebroken man. Ploegers hebben ‘op Zijn rug geploegd’. Een doornenkroon heeft het bloed uit Zijn slapen geperst. En dan de weg naar het kruis. Het wekte diep medelijden op bij de dochters van Jeruzalem. Gebroken, wankelend, onder het kruishout. “Een spot en smaad van mensen, Dien ’t boze volk, naar zijn baldadig wensen, beschimpen kan”. Met als ‘dieptepunt’ toen Zijn Vader zweeg. God van God verlaten. En toch (ook toen!): “Deze is Mijn geliefde Zoon in Dewelke Ik mijn welbehagen heb…”. Hier staat het menselijke verstand stil. Wie zal het verstaan? Ten diepste blijft het een geheim tussen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Wat is het nodig om persoonlijk deel te krijgen aan dit lijden. Voor mij! Dat de Zone Gods dit voor mij wilde doen. De Man van Smarten moest voor mij deze diepe weg gaan… Zijn gelaat verdorven … voor mijn zonden. Zijn gestalte gebroken… voor mijn zonden. Voor al mijn zonden! Hij voor mij daar ik anders de eeuwige dood had moeten sterven. Zijn dierbaar lichaam verbroken voor al mijn zonden. Dat zwaard van Gods gerechtigheid had mij, de zondaar, moeten treffen. Aan Gods gerechtigheid moet genoeg geschieden. Ik moet betalen… maar mijn offers schieten tekort! Dat is sterven aan eigen mogelijkheden om zalig te worden en het leven zoeken buiten mijzelf. En bedelen aan de troon van Gods genade: “gena o God, gena hoor hoe een boetling pleit”. Weet u waar een zondaar het meeste zicht op zijn zondaarsbestaan krijgt? Aan de voet van het kruis… Daar zien we wat het God de Vader heeft gekost of mij zalig te maken. Zo lezen we dat ook in het formulier voor het Heilig Avondmaal: “Aangezien de toorn Gods tegen de zonden zó groot is, dat Hij die (eer Hij ze ongestraft liet blijven) aan zijn lieven Zoon Jezus Christus met den bitteren en smadelijken dood des kruises gestraft heeft”. Kent en herkent u of jij dat? Als een arme zondaar je leven mogen verliezen… en het leven bij Hem, de Man van Smarten, het Lam Gods gezocht… en gevonden? Telkens weer opnieuw? En mocht zo Zijn bloed aan uw hart worden gesprengd zodat u het ging verstaan (Jesaja 52: 15)? Want dat is de vrucht. “Alzo zal Hij vele heidenen besprengen”. Besprengen met Zijn bloed. Dat dierbare bloed voor mij vergoten… Tot een volkomen verzoening… Van al mijn zonden… Tot eeuwige vrucht. “… En zij hebben hun lange klederen gewassen en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams” (Openb. 7: 14).

Ds. W.A. Zondag

Gods beloften in het persoonlijk leven

‘Want zovele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem ja, en zijn in Hem amen, Gode tot heerlijkheid door ons’. (2 Korinthe 1:20)

 

Christus alleen kan ons zalig maken. Paulus en al de andere dienaren van Christus hebben dit verkondigd. Hoe verschillend Gods dienaren ook zijn, zij verkondigen allen dezelfde Christus. Het was niet zo, dat Petrus een andere Jezus verkondigde als Paulus of Silvanus. Nee, temidden van alle verschil in karakter, aanleg en wijze van prediken was er onder de dienaren van Christus een heilige overeenstemming. Zij predikten allen Jezus Christus en Dien gekruisigd. Zij verkondigden dat alleen in de Gekruisigde, Die door God opgewekt was uit de doden, zaligheid te zoeken en te vinden is.

Op die eenheid van de boodschap wijst de apostel de Korinthiërs nogmaals in zijn tweede brief.

De Zoon van God, Jezus Christus, Die onder hen gepredikt was, was niet ja en nee, maar ja en amen. Dit kan ook niet anders, zegt de apostel. ‘Want zovele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem ja en zijn in Hem amen, Gode tot heerlijkheid door ons’. De beloften van God, die de Korinthiërs

in de prediking gehoord hadden, hadden allen hetzelfde fundament, namelijk Jezus Christus. Niet één apostel of prediker, die onder hen heeft gearbeid, beloofde zaligheid buiten Jezus.

In Christus zijn al de beloften verwezenlijkt en bevestigd. Jezus Zelf is de grote inhoud er van. De grote belofte van het Evangelie is immers, ‘dat een iegelijk die in de gekruisigde Christus gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe” (DL 2-5).

Alles wat God laat verkondigen en zondaren belooft, heeft zijn grond in Christus’ volbrachte middelaarswerk. Het was onmogelijk voor God om in overeenstemming met Zijn rechtvaardigheid enige belofte te doen aan een verdoemelijk zondaar dan alleen in Christus. Christus is het centrum van Gods beloften. Gods beloften zijn betrouwbaar en waar in Hem. Daarom moeten wij onze ogen op Christus slaan om deel te krijgen aan Gods beloften. Hij is de Deur tot alle beloften.

Gods kinderen kennen strijd met Gods beloften. Zij zeggen zo dikwijls: “Mag ik die belofte wel toe-eigenen? Is dit wel voor iemand als ik ben?’. Zij zeggen: ‘Was ik maar een echte verbrijzelde en hongerige zondaar, dan zou ik wel durven geloven dat Gods beloften voor mij zijn. Kon ik mijn hart reinigen en voor God leven, dan zou ik wel op de beloften van God durven hopen’. Maar omdat ze deze dingen niet volmaakt en krachtig in zich bevinden, durven zij de troost van Gods beloften niet aan te nemen.

Wat hebben we dan nodig om te weten, dat alle beloften ‘in Christus ja en amen zijn’. Laten we niet denken dat er ooit een tijd zal komen, dat we de beloften van God waardig zullen zijn. Dat is blindheid van de naamchristen. Deze mensen zeggen: ‘Natuurlijk zijn Gods beloften voor mij. Ik ben ernstig en gelovig. Ik heb Jezus lief en getuig van Hem. De beloften van de Bijbel zijn allemaal voor mij’. Maar de mens, die weet wie hij of zij is voor God, kan en durft zo niet te spreken. Nee, de bedreigingen uit de Bijbel zijn voor hen. Gods Woord bevat zo dikwijls een boodschap, die hen veroordeelt. Daarom schijnen de beloften van God niet voor hen te zijn. Zij kijken er begerig naar en achten hetgeen God belooft dierbaar te zijn, maar durven er niet aan te komen. Hoe troostrijk is voor zulken de boodschap, dat de beloften in Christus betrouwbaar en waar zijn.

Op Hem moet u het oog slaan. Als een arm, veroordeeld en vervloekt zondaar moet u tot Hem vluchten. Dit moet eerst en altijd weer gebeuren. En wat ondervinden we dan? Dat al die dierbare beloften van vergeving om niet, van vrede door het bloed des kruises, van aanneming tot kinderen in Christus Jezus ja en amen zijn.

Calvijn zegt dan ook: ‘Daarom moeten we de ogen op Christus slaan, zo dikwijls als wij de belofte lezen’. Christus is het centrum waar Gods beloften en ons geloof elkaar ontmoeten. Wat is dat een wondere ervaring; om te ondervinden dat in Christus voor ons de deur ontsloten wordt die toegang geeft tot al de beloften. Daarom mag de gelovige christen zeggen: ‘Alle beloften zijn van mij, want ik ben van Christus’.

Tot slot: wat betekenen Gods beloften voor u, voor jou. Wat voor waarde hebben ze? Alle getwist over de beloften zou spoedig aan een eind zijn, indien we ons afvroegen: ‘Waarom twist ik zo over de vraag voor wie de beloften zijn? Hebben de beloften voor mij wel waarde? Kan ik het daarin beloofde heil niet missen?’

De bekende dr. Alexander Comrie durfde op grond daarvan te schrijven: ‘Elk, in wiens hart een heersende hoogachting voor de belofte en de beloofde zaak is, die heeft recht in zichzelf de belofte tot te passen” (Eigenschappen, blz. 392).

De vraag is: bent u die man of vrouw, die jongen of dat meisje met een heersende hoogachting voor wat God in de belofte aan arme zondaren belooft?

 

Ds. C. Harinck

Jakobs sterfbed

“Op uw zaligheid wacht ik, HEERE!”

(Genesis 49:18)

 

We staan hier bij het sterfbed van Jakob. Hebt u wel eens bij het sterfbed gestaan van iemand, die u lief was? Wat is dat ingrijpend. Die laatste woorden. Die laatste blik. Die laatste adem. Direct daarna werd het eeuwigheid. Er is maar één ademhaling tussen tijd en eeuwigheid. En dan? Dan is de genadetijd voorbij. Voor altijd. Hoe zal het dan met mij zijn? Laten we die vraag niet naast ons neerleggen. Lees meer

De nachtwacht

En er waren herders in diezelfde landstreek, zich houdende in het veld, en hielden de nachtwacht over hun kudde. (Lukas 2:8)

 

Er waren herders in diezelfde landstreek. Welke streek? Het veld van Efratha, de omgeving van Bethlehem. Daar raapte Ruth vroeger haar aren op. Daar speelde David op zijn harp. De herders houden de nachtwacht. Dat moest wel vanwege roofdieren en rovers. Terwijl iedereen slaapt, houden zij een waakzaam oog over de schapen, die aan hun zorgen zijn toevertrouwd, bijeengedreven in een grote omheinde ruimte tussen de lage heuvels. Er stond nog voldoende voedsel op het veld, maar ’s nachts waren ze veiliger binnen. De ogen van de herders zijn open naar de duisternis. Herders in de velden van Efratha. Lees meer

De morgen zonder wolken

‘En Hij zal zijn gelijk het licht des morgens, wanneer de zon opgaat, des morgens zonder wolken, wanneer van den glans na den regen de grasscheutjes uit de aarde voortkomen.’ (2 Samuel 23:4)

 

Door de Geest van de profetie verlicht ziet David in de avond van zijn leven het morgenlicht aanbreken. Het donker van de nacht verdwijnt en maakt plaats voor de opgaande zon. Het licht verdrijft de duisternis. Het Licht zo groot, zo schoon, zal afdalen van ’s hemels troon om volk bij volk in de ogen te schijnen. Het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot Licht zien. De natuur herleeft, de vogels beginnen te zingen en de zon der Gerechtigheid gaat op in zijn heerlijke genezende kracht. Lees meer