Mara

“Doch zij konden het water van Mara niet drinken; want het was bitter.“ (Exodus 15 : 23m)

 

Israël is in de woestijn en er is geen water voor hen. Iedereen raakt afgemat. De kinderen huilen van dorst. Geen water is er voor het vee. Hun kleine voorraad is spoedig op. Overal waar ze om zich heen kijken, is dorheid en doodsheid. Nergens een spoor van water. En dit gebeurt vlak nadat ze aan de Schelfzee het lied van de bevrijding hebben gezongen. Deze wisselingen zijn er nog zo vaak in het leven van Gods kinderen; het zure ligt zo vaak dicht bij het zoete. In de woestijn van het leven kun je er dan zo makkelijk toe komen om het evenwicht te verliezen en de moedeloosheid en twijfel grijpen om zich heen.

 

Er is geen water. Een grote beproeving. Maar de Heere brengt ze in een nog zwaardere beproeving. Na drie dagen komen ze bij een kleine oase. En door het struikgewas heen in de diepte glinstert een streepje water. Wat een opluchting. De mensen rennen naar het water. Maar dan de teleurstelling: het water is giftig, bitter en ondrinkbaar. Hun teleurstelling vertolken ze in de naam die ze de oase geven: Mara, dat is bitterheid. Dit moet vreselijk voor hen geweest zijn. Dorst lijden is erg. En dan na drie dagen water vinden, dat ondrinkbaar is, is nog erger. De uitgestelde hoop krenkt het hart. Zo wordt Israël bij Mara bepaald bij de bittere gevolgen van de zondeval. Ze konden het water bij Mara niet drinken, want het was bitter.

 

In deze woorden weerspiegelt zich de werkelijkheid van het leven. Je denkt, na alles voor je kinderen gedaan te hebben wat in je vermogen lag, te kunnen genieten, maar de kinderen wandelen niet in de vreze des Heeren. Bitterheid en teleurstelling. Je hebt samen hard gewerkt om straks samen rustig te kunnen genieten van een oude dag en één van de twee wordt ernstig ziek… Het water van de verwachtingen die je had, zag je glinsteren, maar het blijkt bitter water te zijn. Je verwacht na je opleiding een fijne carrière te maken en er slaan depressieve gevoelens toe, die je beletten te functioneren. Het water blijkt bitter te zijn. Je zet al je verwachting op een man of een vrouw met wie je het leven wilt delen en het loopt uit op een grote mislukking. Weer blijkt het water niet te drinken te zijn; het is bitter. U kunt het wellicht zelf aanvullen vanuit uw eigen leven.

 

Er zijn wat Mara’s in het leven. Maar dat hoeft ons niet te ontmoedigen, want de Heere Zelf leidt naar Mara. Ook kruis en tegenspoed komen voor die Hem vrezen uit Zijn Vaderlijke hand voort. De Heere heeft een bedoeling met al deze Mara’s. Want bij Mara komt er uit wat er in ons hart leeft. Niet wat er in de mond leeft, maar wat er in het hart leeft. Wat Israël gezongen had bij de Schelfzee, moest nu praktijk worden. Het volk staat tegen God op en dat is het aller-bitterste: opstand tegen God. Bij Mara leert Israël niet alleen zichzelf kennen, maar vooral ook Wie de Heere is voor een slecht mens. Bij Mara komt uit dat de Heere barmhartig is en groot van goedertierenheid. En dan doet de Heere het nooit om waardigheid en verdienste van ons, maar om Zichzelf, om Christus’ wil, Die nooit tegen God opstond. De Heere Jezus is door het aller-bitterste Mara gegaan op Golgotha, waar de Heere Jezus de lijdensbeker, die de Vader Hem toeschikte niet weigerde en tot de laatste druppel leegdronk.

 

En dan maakt de Heere bitter water zoet. Wat een opluchting voor het volk. Ze waren gered en konden drinken. De Heere wil Zich bemoeien met opstandige mensen die mokken en mopperen. Hij is de Heelmeester, Die het hardste hart verbreekt maar ook geneest. En het is waar, ik wil niet naar Mara en u ook niet. We hebben liever een andere weg. Toch werkt de Heere daar naartoe en acht Hij de gang naar Mara nodig. Bij Mara wordt geleerd wat genade is en Wie de Heere in de Heere Jezus is voor schuldige mensen. En dan kom je er achter: wat zou het leven zijn als Jezus er niet was. Dan is bij Hem bitter water toch zoet. Ik zal Zijn lof zelfs zingen in de nacht, daar ik Hem verwacht.

 

 J.S. van der Net

De poorten der hel

“En de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.” (Mattheüs 16:18b)

Op de vraag van de Heere Jezus aan Zijn discipelen: ‘Wie zeggen de mensen dat Ik, de Zoon des mensen, ben?’, belijdt Petrus: ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.’ Hierop antwoordt de Heere: ‘Op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.’ Letterlijk staat er: ‘Ik zal Mij een gemeente bouwen.’ In heel haar bouw, van het diepe fundament af tot aan de laatste afwerking zal de Naam van Christus schitteren. Heel het leven van de Kerk zal met Hem vervuld zijn. Er is een levende geloofsrelatie tussen Hem als haar Hoeksteen en de levende stenen. Zij vormen een gemeenschap, die in Hem haar grond heeft. Hij blijft die tempel dragen door Zijn kracht en vervullen met Zijn Geest. Het fundament van de gemeente van Christus is hecht, ook houden de muren stand. Daar kan geen macht tegenop. Zelfs alle machten van de hel niet. En die zijn er veel en ze zijn sterk. Satan is niet almachtig, maar wel machtig. Denk aan het leven van Job. Satan is de overste van deze wereld en van de duivelen. Hij heeft 6000 jaar praktijkervaring. Hij neemt toe in list en geweld en weet dat hij een korte tijd heeft.

Naarmate het eind van het wereldbestaan in zicht komt, neemt de uitgieting van de zonde toe: al schaamtelozer en heviger. En daarmee het geweld dat satan uitoefent. Gods Woord zegt ons: ‘Indien die dagen niet verkort werden om der uitverkorenen wil, geen vlees zou behouden worden.’ Hij heeft het altijd gemunt op Christus en Zijn gemeente. Daarom moet de ware godsdienst het ontgelden. Daar bouwt satan zijn poorten tegen. Uit al die poorten worden aanvallen beraamd en gedaan. Poorten waren in het oosten de vergaderplaatsen van de oudsten. Daar werd over oorlog of vrede beslist. Daaruit komen nu de beraadslagingen tegen de ware leer en tegen het leven naar het Woord. Op het gebouw van Christus’ gemeente in aanbouw worden de aanvallen gedaan.

Kijk maar hoe satan woedt in de macht van het ongeloof. De vervolging van christenen neemt hand over hand toe. Ook in ons land neemt de intolerantie toe. Dat is te zien bij de pogingen om de vrijheid van het onderwijs te beperken. Het afbreken van christelijke waarden en normen is aan de orde van de dag. Satan heeft moderne middelen ter beschikking. Al hebben die ook hun nuttig gebruik, in de hand van satan wordt het kwaad gemakkelijk gemaakt zijn invloed uit te oefenen. Ook moet het Woord anders verstaan worden. Het moet uitgelegd naar de normen en gewoonten van onze tijd. Het gevoel van de mens gaat de leer vervangen. Dat brengt een christendom zonder Christus. De leer van de Reformatie, die gegrond is op Gods Woord, zal altijd te maken hebben met de afkeer van de vrome en goddeloze wereld. Dat brengt vervolgingen met zich mee, hetzij openlijk of verborgen.

Wat zal er dan van de gemeente worden? Dit zal er van worden: hoeveel geweld de hel ook gebruikt, overweldigen zal zij haar niet. Daarvoor is het fundament te hecht en zijn de muren te sterk. Want het fundament is Christus Zelf en haar muren zijn Zijn heil. Maar wat vallen zal, is rechtzinnigheid zonder Christus. Hetzij Farizeeën, hetzij Sadduceeën, zij zullen ophouden. De Kerk des Heeren heeft niets dan haar Christus, Die ook haar Hoofd is. Ze is op Hem gebouwd. Daardoor kan ze al haar vijanden trotseren. Wat de vijand ook bedenkt en beraadslaagt, het zal hem niet gelukken haar van de aardbodem te doen verdwijnen. Al moeten we niet gering denken over zijn macht en kracht om te verleiden en te verstrooien. De gevaren blijven groot. Maar al blijft er bijna niets over, de Heere zorgt ervoor zoals in de dagen van Achab, dat er 7000 overblijven die de knie niet gebogen hebben voor Baäl. Hij, Die deze woorden gesproken heeft, is bekleed met macht en heerlijkheid.

Maar hoe zal het met u en met mij zijn? Wij zijn zwak van moed en klein van krachten. Het blijft nodig te bidden: ‘Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.’ Dat wil zeggen: ‘Bewaar en vermeerder Uw Kerk, verstoor de werken der duisternis.’ Zijn we gebouwd op het vaste fundament? De ware belijder zegt: ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.’ Zelfonderzoek blijft nodig. ‘Waakt en bidt, opdat ge niet in verzoeking komt. Volhardt in het gebed.’

 

Ds. H. Paul

Schuilen bij God

‘Bij U schuil ik’ (Psalm 143:9)

 

Tijdens de tweede wereldoorlog moesten veel mensen, vooral in de grote steden, vanwege de bombardementen in schuilkelders een veilig heenkomen zoeken. Als de sirenes begonnen te loeien dan wist jong en oud: „Naar de schuilkelders. Straks vallen de bommen”.

David, de dichter van deze psalm, moest ook vele keren een veilig heenkomen zoeken in één of andere schuilplaats. Denk maar aan de tijd dat hij vluchten moest voor koning Saul. Wat werd David nagejaagd: “Gelijk een veldhoen op de bergen”.
Een bekende schuilplaats voor David en zijn mannen was de spelonk van Adullam. Daar vergaderde alle man, die benauwd was, en alle man, die een schuldeiser had, en alle man, wiens ziel bitterlijk bedroefd was.

Misschien heeft David aan Adullam en aan al die ellendigen en berooiden moeten denken bij de woorden van deze psalm. Tegelijkertijd ziet David hoger, want hier is niet de spelonk Adullam maar de Heere Zelf zijn schuilplaats: “Bij U schuil ik”. Hij mag weten dat de Heere zijn schuilplaats is. Te midden van grote nood en ellende roept hij uit: “Red mij, HEERE! van mijn vijanden; bij U schuil ik”.
Met al zijn vrees, terwijl de vijanden hem op de hielen zitten, neemt hij de toevlucht tot God en mag hij zich verbergen in de schuilplaats van de Allerhoogste. Zoals een schuw kuikentje onder de vleugels van de moederhen schuilt, zo mag David bij de Heere schuilen.

Kunnen wij dit David nazeggen? Is de Heere onze schuilplaats? Of hebben wij nog geen schuilplaats nodig gekregen? Schuilen betekent immers dat we het gevaar zien, ervoor vrezen en daarom ergens beschutting en veiligheid zoeken.

Velen hebben geen schuilplaats bij God nodig. Ze redden zichzelf. Ze zien het gevaar blijkbaar niet. Ze zondigen zonder de gevolgen te vrezen. Ze spelen met hun leven terwijl ze blind zijn voor de schade die ze zichzelf toebrengen.

Zulke mensen zijn wij van nature! Totaal onbekend met het gevaar voor eeuwig verloren te zullen gaan vanwege de zonde. Blind voor de schade die wij onze kostbare ziel aandoen. Net als van de Laodicenzen moet van ons worden gezegd: “gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm en blind en naakt”.

De blindheid van de gevallen mens is groot. We zien het gevaar niet van het zonder God, zonder Christus en zonder hoop in de wereld zijn. We zondigen alsof God niet over de zonde toornt, alsof er geen eeuwigheid en rechtvaardige straf op ons wacht.
De gevaarlijkste slangen zijn het onzichtbaarste. Daar liggen de grootste gevaren, waar wij ze niet zien! Ernstig en dringend worden wij gewaarschuwd in het Woord om zonder God en buiten Christus niet verder te leven. Maar wie geeft er acht op? Wie zoeken een schuilplaats bij de Heere? Dat zijn allen die wakker geroepen zijn door de kracht van de Heilige Geest. De blinddoek is afgerukt. O, wat een ontwaken. We zien onze zondaarsnood. We gevoelen onze diepe ellende. Net als David beginnen we te roepen: “Red mij, Heere!”.

Wat een gevaar… geen schuilplaats te hebben voor het hart. Open te liggen voor de dodelijke vloek van de overtreden wet, geen bedekking te hebben tegen Gods rechtvaardige toorn over de zonde. Geen beschutting te hebben voor je kostbare ziel. Dit neemt alle rust en vrede weg uit ons hart. Hier wordt de noodzaak voor een schuilplaats dringend.
Er is een eeuwige schuilplaats. Niet in de werken van de Wet. Niet in onze tranen en goede werken. Bij God is de schuilplaats. In de Heere Jezus Christus zijn zondaren veilig, eeuwig veilig. Van Hem zegt de profeet Jesaja: “En die Man zal zijn als een verberging tegen de wind, een schuilplaats tegen de vloed”. Zijn Offer, Zijn gerechtigheid is de schuilplaats. Achter Zijn bloed is de grootste zondaar veilig.

Vlucht tot Hem! Wie we ook zijn, er is een welkom bij Christus voor de grootste van de zondaren.
Maar hoe kom ik die schuilplaats binnen? Dat is een goede vraag. U hoeft niet te komen met een prijs in uw hand. U hoeft ook niet te vrezen dat er geen ruimte over zal zijn of dat de schuilplaats vol zal zijn. Het enige wat nodig is om de schuilplaats binnen te gaan, is te bukken, want de toegang is ruim maar laag. Zo gaan zondaren in, ze worden behouden door vrees, om Christus wil. Omdat er voor Hem op Golgotha geen schuilplaats meer overbleef, is er de schuilplaats bij God.

 

Ds.W. Harinck

Geef de Heere de hand

‘Geef de HEERE de hand, en kom tot Zijn heiligdom’ (2 Kronieken 30:8m)

 

Een handdruk is niet zomaar een formaliteit, het betekent echt iets. Een bruid en bruidegom geven elkaar de rechterhand als ze hun ‘ja-woord’ geven. Waarom eigenlijk? Ze kunnen toch ook gewoon ‘ja’ tegen elkaar zeggen? Inderdaad, maar die handdruk is ten diepste een bekrachtiging van het ‘ja-woord’. Die handdruk onderstreept zichtbaar wat er gezegd wordt.  Het betekent: het is oprecht gemeend. Zo zeggen we wel eens tegen elkaar om wat we zeggen te onderstrepen: de hand erop.

Is het sacrament niet een onderstreping van wat God al zegt in Zijn Woord? Hij zegt dat Hij de zonde vergeeft om het bloed van Christus. En dat onderstreept Hij in het Heilig Avondmaal. We mogen onze bezoedelde hand leggen in de doorboorde hand van Christus en Zijn ‘ja-woord’ horen: de verzekering van Zijn gewilligheid en zondaarsliefde: ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven.’ Hij geeft er de hand op: ‘Wie tot Mij komt zal ik niet uitwerpen.’

Wij geven elkaar – behalve in coronatijd – nogal eens de hand. Bij een welkom of een afscheid. Het geeft iets aan van eenheid, het contact en de gemeenschap. Wonderlijk dat koning Hizkia ook spreekt over de hand geven. En dan wel heel bijzonder want hij zegt in onze tekst: ‘Geef de HEERE de hand.’ Dat zeg je zomaar niet. Gaat de koning hier niet te ver? Toch is het de kern van zijn boodschap in hoofdstuk 30. ‘Geef de Heere de hand en kom tot Zijn heiligdom.’ Waarom zegt hij dat? De geschiedenis van koning Hizkia van Juda is een prachtig voorbeeld van gelovig handelen. Als hij 25 jaar is, ontvangt hij het koningschap en hij gaat onmiddellijk een totaal andere koers dan zijn vader Achaz. ‘Hij deed wat recht was in de ogen van de Heere.’ Deze jonge koning zet zich als een reformator met kracht in voor de dienst van God. Misschien heeft hij van zijn moeder Abia over de Heere gehoord. Wat is dat toch belangrijk: een godvrezende moeder, een godvrezende vader.

Hizkia bekeert zich tot de God van Abraham, Izak en Jacob. Maar hij verlangt er ook naar dat zijn volk de Heere weer zal dienen. Dat herken je toch wel? Als je zelf de Heere mag kennen, ontstaat er een diepe begeerte in je hart om daarover met anderen te spreken, met je kinderen, met gemeenteleden, met mensen in je omgeving. Dan bepaalt dat ook je gebedsleven en handelen.

Kijk maar naar Hizkia. De tempeldienst wordt in ere hersteld. Midden tussen alle afval en afgodendienst staat daar een jonge koning die door de Heilige Geest geleid wordt. Hij ruimt alle afgodsaltaren op, die zijn vader Achaz in Jeruzalem had laten bouwen (vs 14). Hij roept de priesters en Levieten samen, belijdt schuld voor de Heere en roept op tot een terugkeer naar God in de verzen 8 en 9. Gods hand steekt dus achter alle oordelen. Intens nodigt Hizkia tot die bekering uit: ‘Gij kinderen van Israël, bekeer u tot de Heere, de God van Abraham, Izak en Israël. …want de HEERE, uw God, is genadig en barmhartig’.

Wat blijkt hier de onvoorstelbare trouw van God. ‘Als u zich bekeert tot de Heere, zal Hij het aangezicht niet afwenden.’  Wees niet zo hardnekkig als uw vaderen (die om hun zonden zijn weggevoerd naar Assyrië). En als dan Jeruzalem gereinigd is van alle afgoderij wil Hizkia met het volk van Juda en Israël het Pascha vieren.

Midden in de uitnodigingsbrief, die Hizkia rondstuurt, staan die wonderlijke woorden: ‘Geef de Heere de hand.’ In onze cultuur is een handdruk heel normaal, maar in het Oosten groet men elkaar niet met een handdruk. Daar groeten ze elkaar door een omhelzing of een buiging. Hizkia bedoelt hier dus in ieder geval niet een groet. In Israël is de handdruk een teken van onderwerping. Als Salomo de troon van zijn vader heeft bestegen, komen alle vorsten, zelfs ook de andere zonen van David, en dan staat er: ‘…en zij gaven de hand, dat zij onder de koning Salomo zouden zijn.’ Dat betekende dat ze bereid waren om Salomo te gehoorzamen. Dat bedoelt Hizkia ook als hij zijn uitnodiging voor het Paasfeest laat uitgaan.  Die handdruk betekent: onderwerp u aan de Heere, geef u gewonnen aan Hem.

‘Geef de Heere de hand.’ Een geweldige uitnodiging voor het Paasfeest. Een voorafschaduwing van het Heilig Avondmaal, waar de nodiging van Christus klinkt: ‘Komt want alle dingen zijn gereed.’ In Hem is Gods hand uitgestoken naar zondaren, oprecht en zonder reserve. Jezus’ uitnodiging is als een uitgestoken hand. En die hand vraagt om overgave en gehoorzaamheid aan Zijn liefdesbevel: ‘Doe dat tot Mijn gedachtenis.’ Geef Mij uw hart. Hem behoor ik toe. Die uitgestoken hand van de Heere schept een relatie.

Maar… kan dat wel, God de hand geven? Als je de koning niet eens zomaar een hand mag geven, mag dat dan wel bij God? Ja, maar als de koning als eerste zijn hand naar je toesteekt, dan mag het wel. Zo is het nu bij de Heere. In Christus steekt Hij Zijn hand naar ons uit. Hij nodigt. Zouden wij dan die uitgestoken hand afslaan? Hizkia wil op deze manier benadrukken hoezeer de Heere naar Zijn volk wil omzien, al hebben ze zich nog zo van Hem afgekeerd. Net als bij de vader van de verloren zoon: hij ziet naar hem uit en komt hem tegemoet.

Zo nodigt Hizkia uit voor de viering van het Pascha. Wel zes keer wordt in ons teksthoofd gesproken over het Paasfeest. Tot wie komt die uitnodiging in onze tekst? Het gehele volk van Israël en Juda. Ook het tienstammenrijk. Blijkbaar heeft koning Hosea van het Noordelijke rijk dit niet tegengewerkt. Want ze komen, al laten veel noorderlingen verstek gaan. Van Juda komen er heel veel naar Jeruzalem.

‘Geef de Heere de hand en kom tot Zijn heiligdom.’ De tempel in Jeruzalem, waar de dienst van de verzoening was, waar de offers gebracht werden. Waar al die paaslammeren geslacht werden. Een sprekend voorbeeld dat in Christus zijn vervulling heeft gevonden. ‘Zie het Lam Gods, dat de zonde der wegneemt.’ In Christus is Gods hand in genade tot ons uitgestoken. Er is redding voor ieder die met zijn verloren leven, met zijn schuld en zonde tot Hem vlucht.

Geef de Heere de hand en kom tot Zijn heiligdom. Naar de tempel! Ze moesten samen komen tot eer van God. Konden ze dan niet gewoon thuis geloven? Kon het niet zonder de viering van het Pascha? Kan het niet zonder de viering van het Heilig Avondmaal? Nee, het is een inzetting van de Heere. En daar moet je gehoorzaam aan zijn. Het is tot Zijn gedachtenis en tot onze troost. We belijden daarmee onze armoede (we liggen midden in de dood) en we gaan tot Hem om hulp. Dat hebben we nodig. Met minder kunnen we niet toe. Hem de hand geven betekent: gehoorzame onderwerping, ingaan op Zijn liefdesbevel.

‘Geef de Heere de hand.’ Hoe doe je dat? Je kunt alleen een hand geven als je niets meer in handen hebt. Je mag met lege handen komen. Je hoeft niets mee te brengen, behalve je schuld en zonden.

De grote eensgezindheid bij koning en onderdaan is echt een grote genade van God. We lezen dat in vers 12: ‘Ook was de hand van God in Juda, hun enerlei hart gevende, dat zij het gebod van de koning en van de vorsten deden, naar het woord des HEEREN’.  Hij trok, Hij leidde, Hij werkte. Zo is het toch altijd? Als je terugkijkt en bedenkt waarom je naar Zijn tafel kwam, zeg je: Dat was Gods hand. Hij heeft me aan Zijn tafel gebracht.

 

Ds. C.G. Vreugdenhil

Gebed der gemeente

Petrus dan werd in de gevangenis bewaard; maar van de gemeente werd een gedurig gebed tot God voor hem gedaan.” Handelingen 12:5

Waar de Heere Zijn Kerk bouwt, plaatst de satan zijn kapel. Altijd zal de vorst der duisternis trachten Gods werk teniet te doen. De Heere werkte krachtig door na de uitstorting van de Heilige Geest op de pinksterdag. Lezen we van drieduizend op de pinksterdag, in Handelingen 4 wordt gezegd dat het getal der mannen die geloofden omtrent vijfduizend was. Wanneer we dan bedenken dat er ook vrouwen en kinderen onder de verslagenen zijn geweest, dan kunnen we wel zeggen dat het een tijd geweest is van bijzondere groei.

Dit wil de satan verhinderen en hij bedient zich onder Gods toelating van Herodes Agrippa. Deze slaat de handen aan sommigen van de gemeente des Heeren en doodt Jacobus, de broeder van Johannes. Dat was naar de zin van de Joden die vijanden waren van de Persoon en het werk van Christus. Als Herodes merkt dat de dood van Jacobus de Joden welgevallig is, laat hij ook Petrus vangen en in de gevangenis opsluiten. Ongetwijfeld met de bedoeling hem na het paasfeest ter dood te brengen. Eigen eer en mensengunst drong deze goddeloze Herodes hiertoe. Wat zal de jonge Kerk bevreesd geweest zijn! Zal hetgeen de Heere gebouwd heeft nu door de satan weer worden afgebroken? Vervolging brak uit. Stefanus was gestenigd, Jacobus onthoofd en zou… zou nu Petrus hen moeten ontvallen?

Het bracht de jonge gemeente in de nood en zij mocht grijpen naar het beste wapen in de strijd van de beproeving: het gebed. De tijd om te bidden voor het behoud van hun geliefde Petrus werd hen vergund. Hij werd immers in de gevangenis bewaard. Naarmate de dagen verstreken werd de nood groter. Een nood die opgebonden werd op het hart van de gemeente en uitdreef naar de troon van Gods genade: “maar van de gemeente werd een gedurig gebed tot God voor hem gedaan”.

Wordt het vandaag nog gevonden? Of leven we als gemeente als los zand naast elkaar zonder dat we ons om de nood van onze naaste bekommeren? Zeker, het is een teken van deze tijd. We leven allen ons eigen leventje, doen wat nodig is voor de kost en verder zoeken we zoveel mogelijk ons vertier in de wereld en in de zonden. Niets werelds is ons vreemd en we trachten deze wereld tot op het bot toe af te schrapen! Een mens, ook een godsdienstig mens, leeft in zijn ongerechtigheid voort. De Heere zegt van zulken: “En omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden”. Liefdeloosheid is een vruchtgevolg van onze val in Adam.

Daarom is het zo’n wonder dat er voor Petrus een gedurig gebed tot God voor hem gedaan werd. Dat is vrucht van genade! Genade is het als een mens de nood van zijn ziel gaat gevoelen en herstelling gaat zoeken met een God buiten Wiens gemeenschap hij zich heeft gezondigd. Genade is het als God gaat leren dat alleen Christus die breuk kan herstellen. Genade is het als Gods Geest alle gronden tot behoud uit handen gaat nemen en leert roepen: Is er enig middel, waardoor wij deze straf zouden kunnen ontgaan en wederom tot genade komen? Genade is het als een ziel de straf op de zonde door de liefde mag billijken en Gode niets ongerijmds kan en wil toeschrijven! Genade is het als Christus Zich openbaart als de enige Weg tot zaligheid. Zeker, het is waar: genade is een persoonlijke zaak.

Maar daar waar Gods genade wordt verheerlijkt, verbindt dit ook aan elkaar, in het bijzonder te midden van de nood! Petrus werd meegedragen, opgedragen in een gedurig gebed. En wat bleek het daar: een krachtig gebed van de rechtvaardige vermag veel. God zond een engel die Petrus uit de gevangenis verloste en hem redde uit de hand van de satansknecht. Petrus mocht voor hen behouden worden in de weg van het wonder. Een aangebonden leven aan de troon van Gods genade blijft niet zonder vrucht! Het werd waar: “Op uw noodgeschrei, deed Ik grote wond’ren”.

 

Ds. E. Bakker

Geloofstrouw en geloofsverwondering

“Uw ogen zullen zijn op dit veld, dat zij maaien zullen … als u dorst, zo ga tot de vaten … Toen viel zij op haar aangezicht, en boog zich ter aarde, en zeide tot hem: Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat gij mij kent, daar ik een vreemde ben?” (Ruth 2:9-10)

Wat is het eerste contact met Boaz meegevallen voor Ruth. Waarom zouden we toch bang zijn of nodeloos in achterdocht verkeren op weg naar Jezus? Zo schrikwekkend is Hij toch niet. Uw zonden en uw vervreemding, uw afkomst en uw rechteloosheid kunnen niet op tegen de vriendelijkheid en de liefde van de ‘meerdere Boaz’. Hij kwam ons zo nabij in ons vlees en bloed uit de maagd Maria. Wie aren raapt op de akker van Zijn Woord, zal ervaren hoe vol Zijn hart en mond is van innerlijke ontferming.

Blijf op Zijn akker en ga al bukkend achter de maaiers aan. Blijf trouw aan het veld van Boaz en houdt u aan de woorden van Boaz. Dat is geloofstrouw! Vasthouden aan Hem en de zoom van Zijn kleed aanraken zoals de bloedvloeiende vrouw. Volharden in het aren lezen op de akker van Boaz. “Uw ogen zullen zijn op dit veld.” Hier loopt u niet het minste gevaar. Wie de weg van het Woord niet gaat, loopt wel gevaar. Hij kent onze wispelturigheid en de ongestadigheid van ons hart. Hij weet alles af van onze weerspannigheid en eigenwijsheid. Wij zouden zomaar weer een andere weg inslaan en daarom maant Hij ons liefdevol tot trouw en volharding: “Ga niet om in een ander veld op te lezen; ook zult gij van hier niet weggaan…” (vers 8). Alleen op Boaz terrein valt u onder Zijn hoge bescherming: “… men zal u niet aanroeren”.

Die trouw in het gelovig bezig zijn met het Woord wordt beloond. Ruth mag in dat verschroeiende klimaat en onder dat vermoeiende werk haar dorst lessen. Wat houdt u nog tegen om u te laven aan het levende water van Christus’ verdiensten? Wat hindert u om te drinken uit deze overvloed en met vreugde water te scheppen uit de fonteinen van het heil (Jes. 12:3)? De meerdere Boaz nodigt u. Hij geeft toestemming, juist aan rechtelozen. Achter Zijn nodiging klopt het hart van Zijn liefde. Ga tot de onuitputtelijke vaten van Christus’ liefde en drink.

De woorden van Boaz en de vriendelijkheid, die daaruit blijkt, worden Ruth te machtig. Ze smelt weg van verwondering. Ze is verbaasd over de hartelijkheid van Boaz. Ze kan het niet op. Zoveel zegeningen voor een vreemde, voor een Moabitische! Ze werpt zich neer aan Boaz’ voeten en roept vol verwondering uit: “Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat gij mij kent, daar ik een vreemde ben?”

Wie weet wat het is om vreemdeling te zijn, begrijpt haar. Ruth zet zichzelf er helemaal buiten. Maar voor zulke mensen valt het mee in Israël. Dan is er verwondering. O, wat is Boaz goed en vriendelijk voor haar. Ze heeft nergens recht op en nu vindt ze genade.

Onder zoveel goedertierenheid van Christus houdt geen mens het langer vol. Daar breekt je hart. En dan komt de ware aard van het geloofsleven openbaar in de ‘hoogste stand’ van de genade, namelijk de verwondering! Waarom heb ik genade gevonden? Ik heb het niet verdiend. Waarom Heere? Toets uzelf daar eens aan.

Dat gaat gepaard met buigen: ze viel op haar aangezicht en boog zich ter aarde. Ze gaat door de knieën vanwege zoveel vriendelijkheid.

Bent u ook zo’n arenlezer, die het leven niet meer in eigen hand kan houden om uw leven te verliezen aan Jezus? Geloofsverwondering ontstaat vanuit de weerkaatsing van Zijn liefde in ons hart en leven. Dan vallen we neer aan Zijn voeten en dan krijgt Hij alle eer. U kijkt in hartgrondige verbazing uit de diepte op tot Boaz en zegt: Heere, dat Gij mij toch kent! Dat U toch zo beminnelijk en liefhebbend met mij omgaat. Ik vind geen toorn maar genade in Uw ogen. Waarom? Omdat de meerdere Goël en Losser geboren wilde worden in Bethlehem en Zijn leven gaf aan het kruis.

Ds. C.G. Vreugdenhil

Het werk van de Geest van Pinksteren

”Want door Hem hebben wij beide de toegang door één Geest tot de Vader.”  (Efeze 2:18)

In deze woorden verklaart de apostel het werk van de Geest van Pinksteren, voortvloeiend uit een Drie-enig God. Het is het werk van de Vader, Die gedachten des vredes gehad heeft over Zijn volk. Het behaagde Hem een schuldig volk tot Zich te doen naderen door het bloed des verbonds dat betere dingen spreekt dan Abel. Van die wondere vrijmacht zingt de dichter: ‘Welzalig, dien Gij hebt verkoren, Dien G’ uit al ’t aards gedruis, Doet naad’ren, en Uw heilstem horen, Ja, wonen in Uw huis’.  Het is voorts de Zoon als Middelaar, Die door Zijn gezegende verdiensten Zijn kinderen de toegang geopend heeft tot het binnenste heiligdom door Zijn dierbaar bloed. Door Zijn aangebrachte gerechtigheid maakt Hij hen aangenaam en heerlijk in de ogen van de Vader. Alleen op grond van Zijn alles reinigende bloed is Zijn gedurige voorbede voor hen een eisend bidden en een biddend eisen. Door Zijn volbrachte Middelaarswerk stelt Hij hen eenmaal de Vader voor als een reine maagd, zonder vlek en rimpel.  Doch nu is het bijzonder God de Heilige Geest, geschonken in het hart van Zijn volk, Die hen met Christus verenigt door het geloof en dóór Hem met de Vader. Dat is de wondere bediening en betekenis van de uitstorting van de Geest van Pinksteren. Op de dag van Zijn hemelvaart is Christus door de Vader verhoogd aan de rechterhand van de troon der Majesteit in de hemelen. Daar is Hij de Voorspraak bij de Vader en door Zijn Geest woont Hij nu in de harten van Zijn kinderen op aarde. Hij vervult Zijn belofte: ‘Ik zal u geen wezen laten’. Door één Geest. Hier geldt geen besnijdenis of voorhuid, geen dienstknecht of vrije. Hier is de scheiding weggevallen tussen Jood en heiden en wordt het door Goddelijke genade: één Heere, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, Die daar is boven allen en door allen en in u allen. En zó is de komst van de Heilige Geest op het Pinksterfeest de kroon geweest op het grote werk der verlossing door Jezus Christus. ‘Want door Hem hebben wij beide de toegang door één Geest tot de Vader’. Het is het grote en onuitsprekelijke voorrecht dat de Vader geschonken heeft aan Zijn Kerk.  Om van dit alles nu in dit leven de vertroostende kracht te ervaren, leert de Heere gedurig weer het smeken om de gezegende werking van de Heilige Geest. David bad reeds: ‘En neem Uw Heilige Geest niet van mij’. Zonder die Geest van Pinksteren blijft het hart zo biddeloos, zorgeloos, behoefteloos. Dan heerst de koude winter in de ziel die eens zo hartelijk kon zingen: ‘God heb ik lief’.   Waar de Heere de bediening van Zijn Geest geeft, daar schenkt Hij ook in het hart van Zijn volk een gebed dóór de Geest óm de Geest: ‘Ontwaak, Noordenwind, en kom, gij Zuidenwind, doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate Zijn edele vruchten’.  Het worden de smeekgebeden om de beoefening van de genade en om de dierbare werking van de Heilige Geest. Want onder de bedauwing van die Geest wordt het dode en biddeloze hart weer levendig gesteld en gaan hart en mond weer uitroepen: ‘Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God’.   Die Geest van Pinksteren is het, Die het hart, dat dood is door de zonden en misdaden, wederbaart en levend maakt en door het geloof met Christus verenigt. Uit dat onsterfelijke levensbeginsel vloeien door de kracht van die Geest alle geestelijke werkzaamheden die leiden tot Christus en dóór Hem tot de Vader. Het is het zaligmakend werk van de Heilige Geest het harde hart te verbreken en de ziel te verbrijzelen onder het smartelijk geroep van een schuldig mens voor God: ‘Wee mijner, dat ik zo gezondigd heb’.   Maar het is ook het lievelingswerk van de Heilige Geest als de grote Eliëzer en Bruidswerver van Christus, voor het treurende en wenende zielsoog Christus te ontdekken en bekend te maken in Zijn gewilligheid en Zijn volkomenheid. En altijd weer leidt de Heere Zijn volk door Woord en Geest in alle waarheid. Zelfs in de duistere nachten van strijd en bange twijfel, als satan benauwt en de schuld drukt, dan is de Geest van Pinksteren de beloofde Trooster, Die de beloften Gods gaat vervullen en toepassen. Hij opent de mond van Gods kinderen en leert hen de eerste klanken te stamelen van het ‘Abba; lieve Vader’.   En bij alle droefenis en smartelijk gemis opent Hij het oog voor de beloofde erfenis en doet Hij in heimwee verlangend zingen: ‘Gij maakt eerlang mij ’t levenspad bekend, Waarvan, in druk, ’t vooruitzicht mij verheugde; Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend, Schenkt mij in ’t kort verzadiging van vreugde; De lieflijkheden van ’t zalig hemelleven, Zal eeuwiglijk Uw rechterhand mij geven’.

Ds. J.M. Kleppe

Een biddende gemeente

“Deze allen waren eendrachtig volhardende in het bidden en smeken” (Handelingen 1:14a)

 

Bij de discipelen bemerken we niets van een gedrukte stemming of een pijnlijk gemis na de hemelvaart van Jezus. Ze keren zonder Hem terug naar Jeruzalem. Ze doen dit met grote blijdschap (Lukas 24:52). Ze dragen geen as op hun hoofd en bedrijven geen rouw. Ze zijn bedroefd geweest om Christus’ vernedering. Nu Hij vol majesteit en eer van hen scheidde is er blijdschap en dankbaarheid in hun hart. Want Hij ging zegenend van hen. Hij zal nu boven, vanuit de troonzaal, hen ten goede, daar werkzaam zijn.

Elke dag. Het was Zijn eigen woord: “en ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot aan de voleinding der wereld”. Gods Kerk is nooit alleen, geen enkele dag. In de zwaarste beproevingen is er zijn ondersteunende hand. In dagen van zielsbenauwdheid en van strijd is Hij met hen. In die wetenschap gaan ze samen naar de opperzaal. De discipelen hebben wat tegoed. De Heere heeft ze beloofd de Heilige Geest te zullen geven. Door de gave van de Heilige Geest zullen ze aangedaan worden met kracht uit de hoogte. Dit verwachten wordt een bidden en smeken.

We kunnen veel klagen over geesteloosheid maar er wordt zo weinig (of heel niet?) om de Geest gebeden. En toch heeft de Heere het beloofd (Lukas 11:13): “…..hoeveel temeer zal de Hemelse Vader de Heilige Geest geven degenen, die Hem bidden”? Er is een pleitgrond in het onbedriegelijke Woord van de Heere. Dat Woord geeft hen vrijmoedigheid om de handen op te heffen naar de hemel en hun mond open te doen opdat de Heere Zich bewijze een Waarmaker van Zijn Woord te zijn.

Dat bidden draagt reeds de zekerheid van de verhoring in zich. Ze volharden. Eendrachtig. Ze zijn allen van hetzelfde gevoelen. Wat is dat een zegen. Als God Zijn belofte gaat vervullen is er een eendrachtige, volhardende, biddende gemeente. Het Woord van God en het gebed is de samenbindende kracht.

Al die verschillende mensen samen uitziende naar de komst van de Geest. Eénparig, éénstemmig bidden en smeken. Beschamend voorbeeld lezers? Komt u als gezin nog samen om te bidden? Komt u als gemeente nog samen om te bidden? Komt u als kinderen des Heeren nog samen om te bidden om de Heilige Geest? Waar twee of drie op aarde samenstemmen over één zaak die zij zouden begeren, dat zal hen geschieden van Mijn Vader Die in de hemelen is. Waar twee of drie in Mijn Naam vergaderd zijn, daar ben ik in het midden van hen.

Laat ons gebed zijn, persoonlijk, ambtelijk (op de kerkenraadsverga-dering) om de Heilige Geest.

Eéndrachtig, volhardend, smekend om de doorbreking van de Geest, opdat voor een doorn een dennenboom opga. Op de knieën ouders. Samen bidden jongens en meisjes. Volhardend, smekend om de Heilige Geest. Op dit punt schieten wij dikwijls tekort. Waar geen volhardend gebed is, is geen bloeiend geestelijk leven. Onze biddeloosheid, onze traagheid worde zonde voor God.

Alleen door de Geest wordt het dorre hart een springader des levens. “Ontwaak, noordenwind! en kom, Gij zuidenwind! doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten!”(Hoogl. 4: 16). “Drupt, gij hemelen! van boven af, en dat de wolken vloeien van gerechtigheid; en de aarde opene zich, en dat allerlei heil uitwasse, en gerechtigheid te zamen uitspruite; Ik, de HEERE, heb ze geschapen”(Jes 45:8). Het woeste veld vangt zelfs die droppen, zijn weide blijft niet droog, de heuvels steken blijde toppen met lachend groen omhoog.

 

Ds. H. Hofman sr.

Van de opstanding hangt alles af

“En indien er geen opstanding der doden is, zo is Christus ook niet opgewekt. En indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel en ijdel is ook uw geloof (…) Indien wij alleen in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen.” (1 Korinthe 15:13 t/m 19)

Men kan uit vers 12 en uit de loop van het betoog opmaken dat sommigen onder de Korinthiërs meenden dat de wederopstanding een onmogelijkheid was. Indien er geen opstanding der doden is, zo is Christus ook niet opgewekt (vers 13). En opnieuw: indien de doden niet opgewekt worden, indien zij niet kunnen worden opgewekt of opnieuw tot leven kunnen worden gebracht, zo is ook Christus niet opgewekt (vers 16).

Niettemin was het in de oude profetieën al voorzegd dat Hij verrijzen zou. Dat Hij inderdaad verrezen was, werd bewezen door het feit dat menigten daarvan ooggetuigen waren. Wilt u beweren, durft iemand onder u het te wagen om te zeggen “dat bestaat niet, dat kan niet” van wat God lang geleden al aangekondigd heeft en dat nu een ontwijfelbaar feit is? Hieruit zou voortvloeien dat de prediking en het geloof van het Evangelie vergeefs zouden zijn: Indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof (vers 14). Deze veronderstelling zou het voornaamste bewijs van het christendom teniet maken en daarom:

– de prediking ijdel maken: Wij apostelen zouden valse getuigen van God bevonden worden (vers 15). Wij doen alsof wij Gods getuigen van deze waarheid zijn en in Zijn kracht ter bevestiging daarvan wonderen doen. Maar wij zijn niet anders dan bedriegers, leugenaars voor God, indien wij in Zijn Naam en kracht voort zouden gaan met het verkondigen en verzekeren van een zaak die in feite vals is en onmogelijk waar kan zijn. Indien Christus niet is opgewekt, dan is het Evangelie maar scherts, is het waardeloos en leeg.
– het geloof in Christus ijdel maken, evenals de arbeid van de predikers: Indien Christus niet opgewekt is, zo is ook uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden (vers 17), nog altijd onder de schuld en het oordeel over de zonde, omdat alleen door Zijn dood en offerande voor de zonde vergeving te verkrijgen is. Wij hebben de verlossing door Zijn bloed, de vergeving van de zonden.
– Nog een andere ongerijmdheid vloeit voort uit de veronderstelling dat de wederopstanding een onmogelijkheid is: dat dan degenen die in Christus ontslapen zijn, verloren zijn. Indien er geen wederopstanding is, kunnen zij niet verrijzen en daarom zijn zij verloren. Zelfs zij die in en voor het christelijk geloof gestorven zijn.
– Eveneens zou daarvan het gevolg zijn dat de predikers en dienstknechten van Christus de ellendigste van alle mensen zijn, omdat zij alleen in dit leven op Hem hopen (vers 19). De toestand van hen die hun hoop op Christus hebben gevestigd, zou dan slechter zijn dan die van andere mensen. Allen die in Christus geloven, hebben hun hoop op Hem gesteld. Allen die in Hem geloven als hun Verlosser, hopen op verlossing en zaligheid door Hem. Maar als er geen wederopstanding of toekomstige vergelding is, dan moet hun hoop op Hem beperkt blijven tot dit leven. En indien al hun hoop op Christus binnen de begrenzing van dit leven blijft, dan verkeren zij in een veel ellendiger toestand dan de rest van de mensheid. In het bijzonder in de tijd en onder de omstandigheden waarin de apostelen schreven. Zij genoten toen immers geen steun en bescherming van de wereldlijke heersers, maar werden door iedereen gehaat en vervolgd. Het zou een grote dwaasheid zijn wanneer een christen de veronderstelling zou toestemmen dat er geen opstanding of toekomstige staat kan bestaan. Daardoor zou er geen hoop overblijven voor na dit leven. Dat zou zijn toestand in de wereld vaak tot de allerellendigste maken.

Inderdaad, de christen is door zijn geloof aan de wereld gekruisigd. Hij is erin onderwezen te leven in de hoop op een andere wereld. Vleselijke genoegens zijn voor hem in hoge mate smakeloos. Het zijn geestelijke en hemelse vreugden die hij begeert en waarnaar hij zuchtend verlangt. Hoe droevig is zijn toestand inderdaad, wanneer hij afgestorven moet zijn aan aardse genoegens en toch nooit enige hoop kan koesteren op betere.

 

Matthew Henry

Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit …

“Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit…” (Johannes 18:1a)

 

Wat in de lijdensgeschiedenis van Christus in het Evangelie van Johannes opvalt is, dat Johannes de Christus ook daarin tekent in Zijn glorie. Niet de verrader of de vijanden bepalen wat gebeuren zal, maar Hij Zelf. En Zelf houdt Hij Zich aan het lijdensprogram, zoals dat van eeuwigheid vastligt. Niets overkomt Hem wat Hij niet toelaat. Goddelijk, Heilig, Zelfbewust bestijgt Hij als het Lam Gods het altaar om Zichzelf te offeren tot rantsoen voor de zonde. Onder dit glorie-aspect belicht met name Johannes de Christus in Zijn lijden.

Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit. Welk een gang voor de Borg. Nu zal Hij Zijn uitgang volbrengen, waarover Mozes en Elia met Hem gesproken hebben op de berg der verheerlijking. Nu gaat Hij naar Gethsemané, straks naar Golgotha. Zo moet Hij de ingang openen tot God en Zijn Koninkrijk voor een volk dat zichzelf er buiten gezondigd heeft. Daarom moet Hij buitengesloten worden. Wat dit voor de Borg geweest is, kunnen wij nooit bevatten. Hoe smartelijk is voor de zondaar de inleving er buiten te staan. En dan hebben we er nog niets van beleefd wat het genieten van de volzalige gemeenschap met de Heere inhoudt en wij kunnen er iets van stamelen, maar geen duizendste part kunnen we ervan zeggen. Maar Christus kan zeggen: “Ik en de Vader zijn één”.

En Jezus ging uit, Hij zet de eerste en beslissende stap op het laatste deel van de weg die Hem voert tot de dood aan het kruis. Alles laat Hij achter Zich, de paaszaal, de Godsstad, het huis van Zijn Vader, Hij heeft de laatste godsdienstplechtigheid verricht. De Oudtestamentische bediening is nu ten einde. De Hogepriester naar Wie eeuwenlang is uitgezien, bereidt nu het offer dat verzoening aanbrengt. Dat offer zal Hij alleen brengen. Alleen zal Hij overblijven in het oordeel.

Welk een les, maar ook welk een troost is dit voor Gods kinderen. Hij is een volkomen Zaligmaker. Hij gaat uit en verlaat het ondankbaar en ongelovig Jeruzalem. Zijn uitgaan is een zekere voorbode van het naderend gericht. Het is als horen we vanuit de verte de profetenstem naklinken: Wee hen, als Ik van hen geweken zal zijn.

Welk een prediking! Ook voor de kerk van nu. Als de Heere van ons wijkt, wat blijft er dan van de gemeente nog over? Wat is de oorzaak dat de Heere heengaat? Ongeloof en wereld. Zie maar waar de vermenging met de wereld de kerk gebracht heeft en wat het van de kerk gemaakt heeft. Niet een pilaar en vastigheid der waarheid, maar een puinhoop. De vraag is niet of we een zogenaamde lichte of zware gemeente zijn. In Jeruzalem waren beide groepen aanwezig, maar als het Woord geen kracht meer doet, worden beiden door Christus verlaten.

Maar dat is ook een ernstige boodschap voor het persoonlijk leven. Wat al arbeid besteedde de Heere aan u. Op allerlei wijze, maar bijzonder door middel van de prediking van Zijn Woord. Hoe lang al? Voelt u die klop nog op de deur van uw hart? Of niet meer? Is Hij al uitgegaan? Iemand zal mogelijk zeggen: Zolang er leven is, is er toch hoop? Dat wordt vaak gezegd, maar zegt Gods Woord dat ook? Het is waar, niemand is te slecht en God bekeert soms nog mensen op hoge leeftijd, te elfder ure, soms zelfs op het sterfbed.

Maar Gods Woord leert ons dat we de Heere moeten zoeken, terwijl Hij te vinden is. Van de Joden zei de Zaligmaker dat zij eerst niet wilden en later niet meer konden geloven. Daarom klinkt het: Heden, terwijl gij Zijn stem hoort… O, dat kostbare heden. Dat keert nooit weerom.

 

Ds. R. Boogaard