Geen blijvende stad

Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.” (Hebr. 13 : 14)

Als er nu eens één van Gods knechten bij ons kwam om ons te vragen, hoe het er met ons voorstond met het oog op de eeuwigheid en ons vroeg: “Is het wel met u?”, wat zouden we dan antwoorden? Zeker, als we dan “nee” moesten zeggen, zouden we toch nog kunnen denken: Ik leef nog en ik ben nog gezond. Wat ik nog niet ben, kan ik nog worden en wat ik nog niet heb, dat kan ik nog krijgen. Maar laat ons eens voorstellen dat we bij deze vraag op ons ziekbed lagen, door de doktoren opgegeven en geen hoop meer hebbend op genezing. Als ons dan de vraag uit onze tekst gesteld werd en we moesten dan zeggen: Nee, ach nee! Ik moet met een onvernieuwd hart en zonder Borg naar die eeuwigheid, waar ik in mijn gezonde dagen zo weinig over gedacht en zo weinig voor gevreesd heb! Ach! wat zou dat een aandoenlijke en vreselijke zaak zijn. Want dat wil zeggen dat wij onbereid een heilige en rechtvaardige God moeten ontmoeten.

Wij hebben hier geen blijvende stad! Ziedaar een woord dat van toepassing is op elk onzer, jong en oud. De koning zowel als de arme bedelaar, de rijken en de geringen, de wijze en de dwaas, de vrome en de man die God niet vreest. Van allen is het waar dat wij hier geen blijvende stad hebben, maar eenmaal moeten gaan sterven en nederdalen in de aarde. Al is onze binnenste gedachte dat onze huizen zullen zijn tot in eeuwigheid en onze woningen van geslacht tot geslacht en al noemen we de landen naar onze namen. De mens nochtans die in waarde is, blijft niet. O, dat wij die waarheid dat wij hier geen blijvende stad hebben, eens recht ter harte leerden nemen en dat wij veel met Mozes leerden bidden: “Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.” En mochten wij maar leren doen al wat onze hand vindt om te doen, want er is geen wetenschap, wijsheid noch bezinning in het graf, zoals we kunnen lezen in Pred. 9:10. Wij blijven toch niet lang meer hier, maar gaan eerlang naar ons eeuwig huis. Daarom, indien wij enigszins onze ziel liefhebben, zo laat ons onszelf haasten en spoeden om onzes levens wil. Laat ons in Christus zoeken verlossing uit het graf, vrijdom van de hel en het genaderecht op de hemelse kroon. Nu staat er nog een nodigende Jezus voor ons, nu is de poort van de vrijstad nog open. Nu nog, maar morgen kan het te laat zijn, dan kan de deur voor eeuwig op het nachtslot zijn.

Daarom kom, laat ons die andere stad zoeken, de toekomende, eer wij te laat komen. Met de toekomende stad bedoelt de apostel de eeuwige woonplaats voor al het volk van God. Al de inwoners van die stad zullen komen uit het oosten, westen, zuiden en noorden. Zij zijn gekochten met het dierbare bloed van het Lam. Eertijds behoorde haar grootste getal tot het onedele, arme en verachte soort van volk. Maar daar zijnde, zijn ze allen koningen en priesters Gode en ze dienen Hem met eeuwige vreugde. Ze zijn bekleed met lange, witte klederen en dragen palmtakken in hun handen. Eertijds waren zij zondig en ellendig, maar dan blinken zij van reine heiligheid, geheel volmaakt. Het gezang in die stad zal daar eeuwig zijn: Halleluja, ere zij God Drieënig, ere zij het Lam Dat geslacht is en ons Gode gekocht heeft met Zijn bloed, uit alle geslachten, talen, volken en naties. In die stad zal ook onder al die stadgenoten nimmer enige twist of geschil zijn, maar zuivere en volmaakte liefde, eensgezindheid en vrede tot in alle eeuwigheid. Daar zal het eeuwige verzoeningsplan worden doorzien en bewonderd. Nimmer zal enige zonde daar weer scheiding maken tussen God en Zijn lieve uitverkoren volk. In die stad zal ook nimmer enige pijl van de vijand vliegen, want de gouden muren van dat Jeruzalem zijn voor de vijand veel te hoog. Alle vijanden van Jezus zullen daar eeuwig buiten moeten blijven en al Zijn vrienden zullen daar binnen zijn en eeuwig blijven. O! het zal zo goed en zalig in die stad zijn. En ik hoop dat u en ik daarin eenmaal inwoners zullen worden!

Wulfert Floor

De sterke Verlosser

“Maar hun Verlosser is sterk, HEERE der heirscharen is Zijn Naam.” (Jeremia 50:34a)

 

In deze advents weken worden we opnieuw bijzonder bepaald bij de komst van Christus op aarde en de dingen die daaraan voorafgegaan zijn. O, hoeveel beloften en voorzeggingen van Zijn komst zijn er in het Oude Testament. Vaak zijn het teksten die soms letterlijk van toepassing waren op de verlossing van Israël uit de hand van hun vijanden, maar die wat de geestelijke inhoud betreft alle toepasselijk zijn op de heerlijke verlossing die door Christus teweeggebracht zou worden. We kunnen hierbij denken aan Jesaja 7: ‘Daarom zal de Heere Zelf ulieden een teken geven: Zie een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren en Zijn Naam IMMANUËL heten. Boter en honing zal Hij eten, totdat Hij weet te verwerpen het kwade en te verkiezen het goede. Zekerlijk, eer dit knechtje weet te verwerpen het kwade en te verkiezen het goede, zal dat land waarover gij verdrietig zijt, verlaten zijn van zijn twee koningen.’

Dit geldt ook voor de tekst die boven deze meditatie staat, Jeremia 50:34: ‘Maar hun Verlosser is sterk, HEERE der heirscharen is Zijn Naam.’ De Heere had beloofd, bij monde van Jesaja en Jeremia, dat deze Verlosser tot Sion zou komen. Hij zou sterk zijn, en HEERE der heirscharen is Zijn Naam. Die Verlosser zou niemand minder zijn dan de waarachtige Zoon van God. God Zelf, de Zebaoth – de Onoverwinnelijke. Dat zou dus de Naam van die Verlosser zijn – de Onoverwinnelijke. In die Naam wordt ons de Persoon van de Zaligmaker getekend. O zeker Hij zou komen als een hulpeloos kind, Hij zou in doeken gewonden en neergelegd worden in de kribbe. Het natuurlijke oog ziet dan ook niets van Zijn Goddelijk alvermogen in Hem. Echter, het oog van het geloof dat Gods volk ontvangt, ziet meer. Zij zien door het licht van de Heilige Geest in dat hulpeloze Kind de HEERE der heirscharen, de gekomen Verlosser. Hij is juist zó’n Verlosser Die noodzakelijk was voor Gods Kerk. Engelen noch mensen waren in staat ook maar één zondaar te verlossen van het verderf waarin we verzonken liggen door onze bondsbreuk in Adam. We zijn gevangenen van de satan, we liggen gebonden in de macht van de hel; de wet houdt ons gevangen onder haar ontzaglijke vloek en Gods recht kan ons niet loslaten dan alleen door volkomen voldoening. Jeremia zegt in het voorafgaande vers: ‘De kinderen Israëls en de kinderen van Juda zijn tezamen verdrukt geweest; en allen die hen gevangen hadden, hebben hen vastgehouden; zij hebben hen geweigerd los te laten.’ Ja, zo is het met de natuurlijke mens. Maar de Verlosser van Gods uitverkorenen is sterk. Sterker dan alle schepselen samen, sterker dan een heirleger engelen, ja, sterker dan de duivel en de gehele hellemacht. Hij zou komen om de strijd te strijden voor een machteloos en krachteloos volk. Zo leren al Gods kinderen zichzelf immers kennen door het ontdekkende licht van de Heilige Geest. Alle pogingen om onszelf te verlossen en te redden lijden schipbreuk. We hebben geen penning om onze schuld te voldoen, ja, we kunnen niet anders dan die dagelijks meerder maken. De vloek van de wet houdt ons gevangen en de banden van satan drukken ons. De dood verschrikt ons en we roepen het uit: ‘’k Zucht, daar kolk en afgrond loeit, Daar ’t gedruis der waat’ren groeit, Daar Uw golven, daar Uw baren, Mijn benauwde ziel vervaren.’ Wij zijn verdrukt, zoals de kinderen Israëls en de kinderen van Juda, waarvan gesproken wordt in het vorige vers. Maar voor dat volk heeft God hulp besteld bij een Held. Toen er niemand was die hielp, heeft Hij de Zoon Zijner liefde gegeven. Hij is gekomen in de volheid des tijds en heeft in de plaats van Zijn volk voor hen de strijd gestreden en de overwinning behaald. Hij heeft de verlossing teweeggebracht waarvan Zacharias in zijn lofzang zingt: ‘Want Hij heeft bezocht en verlossing teweeggebracht Zijn volk’, een verlossing van al onze vijanden. O, schuldverslagen volk, dat zich zo hulpeloos en machteloos gevangen voelt: zie dan toch op Hem. In uzelf is het verloren en eeuwig kwijt, maar Hij kán en wil redden en verlossen. Mocht zo eens naar Zijn komst worden uitgezien. Naar een Verlosser, Die sterk is en geweldig van vermogen. Welnu:

Hoopt op den Heer’, gij vromen;

Is Israël in nood,

Er zal verlossing komen;

Zijn goedheid is zeer groot;

Hij maakt, op hun gebeden,

Gans Israël eens vrij

van ongerechtigheden;

Zo doe Hij ook aan mij!

Psalm 130:4                                                                                                                  

Ds. A.F. Honkoop

De laatste bazuin

‘… met de laatste bazuin; want de bazuin zal klinken…’  (1 Korinthe 15:52m)

 

Als u in Israël geweest bent, hebt u vast wel eens geprobeerd om op de sjofar te blazen. De ramshoorn! Dat is best moeilijk en daar moet je geducht voor oefenen. De sjofar is een hoorn die in de joodse eredienst werd en wordt gebruikt. Normaal gesproken is het een ramshoorn, maar hoorns van andere dieren, zoals geiten, kunnen ook wel als sjofar gebruikt worden. De hoorns van runderen zijn verboden.

Maar bij voorkeur die van een ram, omdat de sjofar herinnert aan de ram die werd geofferd door Abraham in plaats van zijn zoon Izak. De traditie zegt dat de linker hoorn van deze ram is gebruikt voor het sjofar-blazen op de berg Sinaï, toen de Wet door God aan Mozes werd gegeven. De traditie zegt ook dat er op de rechterhoorn van deze ram geblazen zal worden als de Messias komt.

Op het joodse Nieuwjaar (Rosj Hasjana) wordt in de synagoge wel honderd keer op de sjofar geblazen. De laatste bazuin, de ramshoorn, wordt geblazen als de Heere Jezus wederkomt, als de doden opgewekt worden en de mensen die nog in leven zijn getransformeerd worden in de staat van onvergankelijkheid.

Straks – wie weet hoe spoedig – zal de laatste bazuin ‘bazuinen’ (letterlijk) klinken. De bazuin van het einde, de voleinding. De láátste – er zijn dus ook eerdere bazuinen. Denk aan de zeven engelen met de zeven bazuinen in Openbaring. De eerste 6 engelen kondigen het gericht aan.

In Openb.11:15 lezen we: ‘De zevende engel heeft gebazuind en er geschiedden grote stemmen in de hemel zeggende: de koninkrijken der wereld zijn geworden van onze Heere en van Zijn Christus en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid.’ Dat gebeurt bij de laatste bazuin: het koningschap van Christus komt over de gehele aarde.

In Matth. 24:31 staat dat Christus zijn engelen uitzendt met een bazuin van groot geluid om de uitverkorenen te vergaderen uit alle windstreken. En in 1 Thess. 4:16 lezen we dat de Heere Zelf met een geroep, met de stem van de aartsengel en met de ‘bazuin van God’ zal neerdalen van de hemel. Dat is de laatste bazuin.

De bazuin is in Bijbel het instrument, dat de majestueuze verschijning van God aankondigt. Denk aan Joël: ‘Blaast de bazuin, want de dag des Heeren komt, hij is nabij’ (Joël 2:1). Denk aan Zefanja: ‘De grote dag des Heeren is nabij… een dag der bazuin en des geklanks’ (Zefanja 1:16).

De oudtestamentische bazuin is de sjofar (ramshoorn). Die speelde een grote rol in Israël. Die werd ten minste voor drie belangrijke doeleinden gebruikt. Volgens de wet van Mozes moesten de priesters de bazuin in de eerste plaats blazen om het volk bijeen te roepen in een vergadering, ook als oproep voor de strijd (Nehemia 4).

In de tweede plaats werd de bazuin geblazen om het sein te geven voor het opbreken van het legerkamp en verder te trekken naar het beloofde land.

En in derde plaats werd de bazuin geblazen om de grote feesten in Israël aan te kondigen. Er is een treffende overeenkomst met onze tekst. Bij het klinken van de laatste bazuin gaan deze drie genoemde zaken volledig in vervulling.

Het volk werd bijeen geroepen voor een belangrijke gebeurtenis. De laatste bazuin is de bazuin, die voor het laatst Gods verschij­ning aankondigt als Hij voorgoed onder de mensen komt wonen. Die bazuin luidt de nieuwe bedeling in en geeft het sein voor de opstanding der doden en de verandering van de nog in leven zijnde gelovigen met het oog op hun eeuwige intocht in het Koninkrijk van God.

De gemeente uit Jood en heiden wordt verzameld voor de troon van God. Niemand zal achter blijven. Waar ze ook begraven zijn of verbrand of opgegeten door de wilde dieren. Aartsvaders en koningen, profeten en apostelen, martelaars en naamlozen. De laatste bazuin roept ze bijeen en het zal een schare zijn, die niemand tellen kan uit alle natie, geslacht, taal en volk.

De klank van de bazuin was ook een teken dat het volk het legerkamp moest opbreken en verder trekken. De laatste bazuin geeft het signaal om voorgoed op te breken. De oude tenten worden achter gelaten en de definitieve woning wordt betrokken. Alle vreemdelingschap zal vergeten worden en Gods kinderen komen eeuwig thuis in het Kanaän van de rust.

De bazuin kondigde ook de grote feesten aan. De laatste bazuin geeft het sein dat het grote feest zal beginnen. De bruiloft van het Lam breekt aan. Het feest van de vreugde en de verwondering. Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd zijn (Jes. 35:10).

Gestoken in het nieuw, overkleed met onvergankelijkheid, zullen de bruilofts­gasten Hem liefhebben en de eer en heerlijkheid toebrengen. Ziet u de lijn? Gods pelgrims verzamelen zich, ze breken voorgoed op om Kanaän binnen te gaan en ze vieren de eeuwige bruiloft. Krijgt u er al zin in?

Paulus’ woorden klinken hier als een lied van verlangen, als een lofprijzing op Gods heerlijke toekomst. Het juicht in zijn ziel: De bazuin zal klinken! Wereldwijd hoorbaar. Als een klaroenstoot onder de adem van de aartsen­gel. Met een draagkracht en geluidsbereik dat grenze­loos is.

Als een organist het bazuinregister of de trompetten opentrekt, dan merkt u dat alleen in de kerk. Maar wat is de ruimte van de kerk vergele­ken bij de hele wereld. Als straks de aartsengel de bazuin zal blazen, dan zal de hele ruimte van leven en dood er van doordrongen zijn.

De doden in de graven zullen de stem van de Zoon van God horen. Tot in kelders en uithoeken, atoomvrije bunkers, alle windstreken, van pool tot pool. Tot aan de zee en in de zee. Tot op de bodem, want ook de zee zal haar doden geven.

Overweldigend zal het zijn. Angstaanjagend zal dat bazuingeschal zijn voor allen, die hier niet geluisterd hebben naar de bazuin van het Evangelie. In één keer zal het gedaan zijn met alle grootspraak van de mens. Die zal verstommen. De stem van wereldleiders en machthebbers, van koningen en presidenten. Maar… in onze tekst heeft Paulus hen op het oog, die de stem van de Goede Herder kennen.

Als de wereld bij het klinken van de bazuin van angst ineen krimpt, zullen al Gods kinderen vreugde bedrijven. Ze zullen verrast zijn, ook wat het ogenblik betreft, want dat weet niemand. Maar als u de Heere liefheeft, hoeft u niet te schrikken.

Integendeel. Dan mag je als Christus komt, opspringen van vreugde bij het bazuingeschal. Verwacht u Hem? Kent u de maranatha-roep? Heere kom toch spoedig. Laat het niet te lang meer duren.

Wel, Hij komt. Spoedig is Hij daar. We tellen af. De bruid zal toch verlangen naar de komst van de Bruidegom. De eeuwige bruiloft komt. En alle bazuinen van de engelen zullen niet zo overweldigend zijn als de aanblik van Christus Zelf.

Niets is ter wereld vergelijkbaar bij Zijn heerlijkheid en fonkelende schoonheid. Hij gaat al het schoon van de mensen en heel de schepping ver te boven. En we zullen Hem niet alleen zien gelijk Hij is, maar – en daar valt hier het accent op – we zullen ook zijn gelijk Hij is.

 

Ds. C. G. Vreugdenhil

Dankdag

“Zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen” (Job 2:10b)

Wij leven weer in de tijd van de dankdagen. Alle reden is er om de Heere nog te erkennen voor het goede, dat Hij gaf.

Rijk heeft Hij Zijn hand geopend in het natuurlijke leven. Het brood ontbrak niet in onze huizen en ook het water was gewis, ja veel méér dan dat; overvloed hebben wij nog. Waar duizenden een verschrikkelijke dood sterven, hulpeloos zwervend op nietige scheepjes, of voortgejaagd door het oorlogsgeweld, bespaarde de Heere ons dit alles nog. Hoe lang nog? Ons hart kan beven als wij zien op ons arme volk, dat van geen zonde meer weet en dat lacht om Gods inzettingen. Arm Nederland, hoelang zal God ons nog gedogen?
“Wij hebben het goede van God ontvangen!” Dit zijn de woorden van Job, eenmaal in de allerdiepste smart uitgesproken op de ashoop. Het is ons onmogelijk, ons in te denken wat het betekent, alles wat men bezit, op één dag te verliezen, ál zijn kinderen op één dag te moeten begraven en daarnaast door een vreselijke ziekte te worden geteisterd. Ons voorstellingsvermogen schiet daartoe ten enenmale tekort.

Er kunnen soms slagen vallen in het leven van onze naaste, waar wij met onze gedachten niet in kunnen komen. En wie, die door zulke rampspoeden getroffen werd, heeft nog nooit die duivelse vijandschap van Job’s vrouw ontmoet in zijn eigen hart? ‘Zegen God, en sterf’, zo roept zij haar man toe. Zij wil zeggen: vloek u maar eens voor het laatst goed uit tegen God en maak dan aan uw leven maar een eind.
Deze vrouw ‘ziet het niet meer zitten’, om eens een term van onze tijd te gebruiken. Maar tegen deze taal keert zich Gods kind hier verontwaardigd.
O, straks zal hij in zijn bittere smart zijn geboortedag gaan vervloeken. Dan wordt zijn geloof als bedolven in de golven van zijn aanvechtingen. Maar nu mag het nog zijn in zijn hart: ‘Zo ik dit zeggen staven zou, gewis, dan waar’ ik niet getrouw aan ’t waard geslacht van Uwe kind’ren’.
Zouden wij, zo voegt hij zijn opstandige vrouw toe, het goede van God ontvangen en het kwade niet ontvangen? Het zijn twee dingen, die Job hier uitspreekt. In de eerste plaats dat het goede van God ontvangen wordt.

Daar had Job’s vrouw net zomin erg in, als dat zij besefte, dat het kwade van God wordt ontvangen. Job had echter geleerd door Gods genade, dat het goede van God gegeven wordt.
Het goede! Wat is er in ons leven veel, dat met die woorden ‘het goede’ mag worden aangeduid. Gezondheid, voedsel en kleding; kortom, alles wat tot de onderhouding van dit tijdelijke leven behoort. Job had zeer veel van dat ‘goede’ in zijn leven ontvangen.
Evenwel niet zoals die rijke man, die ook zijn ‘goed’ in zijn leven had ontvangen, en Lazarus desgelijks het kwade; neen, Job mocht ook weten van dát ‘goede’, dat nimmermeer vergaat, waarvan velen zeggen: wie zal ons het goede doen zien?, maar dat voor hem bestond in het lichten van Gods aanschijn over hem. Het goede; hebben wij in het achterliggende seizoen dat goede niet rijkelijk ontvangen?
Beseffen wij ook, dat wij het van Gód ontvangen hebben en verwondert dat ons, of incasseren wij ons geregeld inkomen als een vanzelfsprekende zaak?
Verootmoedigde dat goede ons ook, gelijk Jacob zich veel geringer wist dan al Gods weldadigheid en dan al Zijn trouw? Job leert ons, dat ook het kwáde van God ontvangen wordt. Hier hebben we dezelfde klanken als in zondag 10: rijkdom én armoede, vruchtbare jaren, gezondheid én krankheid! Het kwade. Dat ‘kwade’ kan zich openbaren als armoede, ziekte, tegenheden, verborgen kruis, huwelijksleed.
Er zijn er onder ons wel, die in deze tijd van de dankdagen moeten zeggen, dat dit ‘kwade’ hun niet bespaard bleef in de achterliggende tijd. Ja, zelfs soms het verschrikkelijke kwaad van de dood. Wat wonden zijn bij sommigen ook nu weer geslagen. Zeg eens, die dat kwade ontvangen hebt: hebt u het van Gód mogen ontvangen? Dat wil zeggen: niet bij geval, maar van Zijn hand? Als kwaad, dat u toch om uw zonden zo wáárdig gemaakt had? Daar wist Jobs vrouw niets van.
Maar Job mocht hoger zien, óók het kwade wordt van God ontvangen. Hij mocht het in Gods hand neerleggen. Dan wordt het een wonder dat de Heere naast dat kwade, waar we het zoëven over hebben gehad, aan ons nog zoveel goeds geeft; ja, daar wordt het kwade, dat uit Gods hand komt, voor Gods volk nog wel eens goed; daar worden de bittere Marawaters, waaraan de Heere de Zijnen in dit tranendal leidt, nog wel eens zoet in de mond van Zijn kinderen. Dan mogen ze leven als Lazarus, de bedelaar. “God is mijn hulp” betekent zijn naam. Het mocht wat, spotte toen en nu de wereld. Geen cent heeft hij, geen gezondheid, misschien zelfs wel geen thuis. En toch … toch mocht hij met Jacob zeggen: “Ik heb alles” Hij klaagt niet over zijn ellende, hij brengt geen beschuldigingen in tegen de bange beschikkingen des Heeren, maar hij heeft geleerd, evenals Job, om God God te laten. Hij jammert niet over het ongelijke lot dat mensen, die van dezelfde lap gescheurd zijn, te beurt valt, maar hij aanvaardt zijn armoede, zijn schrikkelijke verlatenheid uit de hand van Hem, Die alles bestuurt naar Zijn welbehagen en onbegrepen wijsheid.
Hij praalt evenmin met zijn Godsvrucht, hij toont haar alleen door stil te lijden, kalm te verdragen, eerbiedig te zwijgen en zijn begeerten zodanig te matigen, dat hij slechts de kruimels verlangt, die vallen van de tafel van de rijke. Kortom zijn gehele leven legt hij in Gods handen.

Hoe gelijkt dit alles op hetgeen Job door genade ook mocht doen, zij het dan door veel strijd en aanvechtingen. Dat dit ook ons deel zou mogen zijn, het deel ook van allen die tegenwind hebben, pijnlijke tegenspoed ondervinden
Dan zal ook van ons einde gezegd mogen worden: en het geschiedde als hij stierf dat hij door de engelen gedragen werd in de schoot van Abraham.

Ds. A. Moerkerken

De Christusprediking van Johannes

“Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben, van het Woord des levens; (Want het Leven is geopenbaard, en wij hebben het gezien, en wij getuigen, en verkondigen ulieden dat eeuwige Leven, Hetwelk bij den Vader was, en ons is geopenbaard)”

(1 Joh. 1: 1 – 2).

 

Het onderwerp van Johannes’ prediking was Jezus Christus en Die gekruist: “Hetgeen wij gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u”. De prediking van Johannes de Doper was: “Zie het Lam Gods, Dat de zonden der wereld wegneemt”. Dit zei hij, op Jezus wijzende. Van de prediking van Filippus lezen wij Hand. 8: 5: “Filippus kwam af in een stad van Samaria en predikte hun Christus”. En toen hij tot de Ethiopische Moorman kwam, verkondigde hij hem Christus. Paulus predikte: “Ik heb niets voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Die gekruist”. Dit was het begin, het midden en het einde van de prediking van Paulus. Dit is ook de prediking van de apostel Johannes in zijn brieven. Alles te verkondigen wat hij met zijn ogen gezien, met zijn oren gehoord, en met zijn handen getast had van Immanuel; dit was het hoofdpunt van zijn leven geworden, dit de alfa en de omega van zijn prediking……..

“Hetgeen van den beginne was”: Johannes had Jezus dikwijls van Zijn eeuwig voorbestaan horen spreken. “In den beginne was het Woord”. “Eer Abraham was, ben ik”. Hij herinnerde zich hoe Jezus in het gebed, vlak voor Zijn sterven gezegd had: “Verheerlijk Mij met de heerlijkheid, die Ik bij U had eer de wereld was”. “Gij hebt Mij liefgehad van vóór de grondlegging der wereld”. Johannes wist dat Hij de Eeuwige was, dat Hij vóór al het geschapene bestond, want Hij heeft het alles gemaakt. Door Hem heeft God de wereld gemaakt. Zelfs toen Johannes bij het avondmaal op Zijn borst was gevallen, gevoelde hij, dat hij aan het hart van de Ongeschapene rustte. Johannes getuigde altijd hiervan; het was zijn lust, Hem aan de mensen bekend te maken. O, mijn geliefden, als u aan Jezus borst gerust hebt, dan bent u gekomen tot de Eeuwige, de Ongeschapene……..

“Geopenbaard”: O, mijn geliefden, als Jezus niet geopenbaard was, zou u nimmer behouden zijn geworden. Het zou volmaakt rechtvaardig van God geweest zijn, Zijn Zoon aan Zijn hart te behouden, de kostbare Parel aan Zijn plaats op de troon van de hemel te laten blijven. God zou dan toch dezelfde liefderijke God geweest zijn; maar wij zouden dan in het eeuwige verderf zijn neer gestort. Als dat Eeuwige Leven, dat bij de Vader was, in Zijn heerlijkheid gebleven was, dan zouden u en ik onze eigen vloek hebben moeten dragen. Maar Hij werd geopenbaard, God werd geopenbaard in het vlees, gerechtvaardigd in de Geest, gezien van de engelen, geloofd in de wereld, opgenomen in heerlijkheid. Johannes zag Hem, zag Zijn liefelijk aangezicht, aanschouwde Zijn heerlijkheid, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid. Hij zag Hem op de berg, toen Zijn aangezicht blonk zoals de zon. Hij zag Hem in de hof op Zijn aangezicht ter aarde neervallen. Hij aanschouwde Hem aan het kruis, beschouwde lang Zijn hemels gelaat, zijn oog ontmoette de blik van Jezus.

Hij hoorde al Zijn goede woorden, die Hij sprak over God en de weg van de vrede. Hij hoorde Hem tot een zondaar zeggen: “Wees welgemoed, uw zonden zijn u vergeven”. Hij raakte Hem aan, legde zijn hand in Jezus’ hand, zijn arm in Jezus’ arm, zijn hoofd op Jezus’ borst. O mijn geliefden, het is een geopenbaarde Christus, Die wij u verkondigen. Het is niet de Zoon in de schoot van de Vader, dat zou u nooit voor eeuwig hebben behouden. Het is Jezus geopenbaard in het vlees. De Zoon van God als mens levende en stervende in de plaats van zondaren, Die verkondigen wij u.

Hoort welke de rechte weg is om tot vrede te komen. Dit geschiedt als u op de geopenbaarde Jezus ziet. Sommigen onder u menen, dat zij tot vrede zullen komen door op hun eigen hart te blijven zien. Uw oog is aan dat hart geboeid. U bespiedt daarin de geringste verandering. Kon u er slechts een flikkering van licht in bespeuren, welke een vreugde zou dat reeds voor u zijn! Kon u uw stenen hart slechts gebroken zien, zag u slechts, dat het zich tot God keerde, bespeurde u slechts een schaduw van het heerlijk beeld van Jezus in uw hart, dan zou u gerust zijn; maar dit kunt u niet, het is alles duister binnen in u. O, mijn geliefden, dáár zult u de vrede van de ziel niet vinden. U moet het oog geheel van uw eigen hart afwenden. U moet op de verklaarde Christus zien. Slaat het getuigenis van God aangaande Zijn Zoon open. Uit de evangeliën leren wij het hart, het werk en de genade van Jezus kennen. Houdt het oog van uw geest daarop gericht, totdat uw oog er van vervuld wordt. Bidt, dat de Geest Zijn adem over het Bijbelblad doe zweven, opdat de geopenbaarde Christus u duidelijk voor ogen sta, en het ogenblik dat u zich bereid voelt om alles te geloven wat van Jezus geschreven staat, zult u uw tranen drogen, en zullen uw zuchten in lofliederen veranderen.

 

Ds. Robert Murray M’Cheyne

Genezing

‘… en door Zijn striemen is ons genezing geworden’ (Jesaja 53:5).

 

Een geleerd man vroeg eens een predikant: ‘Hoe is het mogelijk dat iemand rechtvaardig kan worden door de rechtvaardigheid van een ander?’ Hij bedoelde met deze vraag de leer van de toegerekende gerechtigheid verdacht te maken.

De predikant antwoordde hem: ‘Hoe komt het dat kinderen erven wat hun ouders verdiend hebben? Zij hebben er niet voor gewerkt en nochtans erven zij hun goederen en zij mogen de geërfde bezittingen beschouwen als de hunne. Evenzo erven de ware gelovigen van God, omdat zij kinderen zijn en daarom ook erfgenamen.’

Toch is het een groot mysterie dat de gerechtigheid van Christus op de rekening en de naam van ongerechtigen komt. De apostel zegt ervan: ‘De verborgenheid der godzaligheid is groot.’ Te groot voor het verstand om het te bevatten, maar niet te groot voor een arm en schuldverslagen zondaar om het te geloven.

Het geloof omhelst de woorden van Jesaja betreffende Christus: ‘En door Zijn striemen is ons genezing geworden.’ De zonde is een kwaadaardige en dodelijke ziekte. De mens moet er eeuwig aan sterven, tenzij hij of zij ervan genezen wordt. Maar welk geneesmiddel is krachtig genoeg om het ontzettende kwaad van de zonde te genezen? De profeet zegt het ons: ‘Door Zijn striemen is ons genezing geworden.’ Zodra de Heilige Geest in een hart begint te werken, gevoelt de mens dat de echte kwaal de zonde is.

Van nature zien we niet verder dan de gevolgen der zonde. Evenals de man die maar niet begreep wat er aan zijn motor mankeerde, want van buiten zag alles er prima uit. Dat er binnen in de motor iets niet in orde was, besefte hij niet. Zo ziet de mens alleen maar de zichtbare ellende, zonder te beseffen dat de kwaal binnen in ons zit. De Heilige Geest leert ons de kwaal van ons hart kennen en vanaf dat moment slaan we niet meer op de borst van anderen, maar slaan we met de tollenaar op onze eigen borst, om te roepen: ‘O God! wees mij zondaar genadig!’

Gods kinderen gevoelen het kwaad der zonde diep in hun hart. Er schijnt geen genezing aan te zijn.

Welke dokters en medicijnen zij ook waarnemen, de kwaal wordt erger in plaats van minder. Dokter ‘Verbetering’ kan ze niet helpen en medicijnmeester ‘De wet’ maakt de wonden alleen maar stinkender. Zij gevoelen het vuile kwaad van de zonde diep in zich en kunnen er geen geneesmiddel voor vinden. Wat een droefheid en strijd veroorzaakt dit. Zonder zonde voor God te willen leven en te ervaren dat er een fontein van boosheid in ons is, die slijk en modder opwerpt.

Nu, zondekranke en bedroefde zondaar, hier is uw geneesmiddel. Het zijn de striemen van Jezus. Dit is uw enige geneesmiddel. Niets anders is bij machte u te genezen. U zou uzelf kunnen geselen en striemen, maar het kwaad der zonde zou er niet door genezen worden. Maar zie door een waar geloof op de striemen en wonden van de schulddragende Middelaar Jezus en u zult gezondheid vinden, vrede bij God en doding van de zonde. De Heilige Geest heeft u geleerd om de kwaal der zonde in uw hart en leven te zien. Hij leerde u zien op de grote schuld die u bij God gemaakt hebt, en op de verdorvenheid van uw natuur die krachteloos is om iets goeds voort te brengen. Nu, diezelfde Geest, Die overtuigde van zonde en u krank van zonde maakte, wil nu dat u, nadat u op uw kwaal gezien hebt, zult zien op de striemen van Jezus. Wanneer u daarop ziet, ziet u niet alleen bloed en bitter lijden, maar leest u het verhaal van de eeuwige liefde van Christus om Zich als Borg te geven voor dood- en doemschuldige zondaren. Ziende op de gestriemde en in onze plaats verwonde Zaligmaker zal genezing uw ziel binnenstromen. De kennis van dit geneesmiddel neemt niet alleen de zware schuld der zonde weg, maar geneest ook het verdorven hart.

De blik des geloofs op deze verwonde Jezus is ook een genezende blik. Het doodt de zonde en vooral de liefde tot de zonde. Wat een wondere weg om zondaren te genezen. God geneest hen door de geloofskennis van Jezus’ striemen. Dit is Gods weg om mensen te genezen. Niet van hun zondekwaal overtuigde mensen verachten dit geneesmiddel. Trotse en eigengerechtigde mensen verwerpen dit geneesmiddel. Wereldse en onreine harten misbruiken dit geneesmiddel. Maar allen die onder hun zonden vernederd zijn geworden, verwonderen zich over dit geneesmiddel en zeggen het de profeet vernederd na: ‘En door Zijn striemen is ons genezing geworden.’

 

Ds. C. Harinck

Loof de Heere

Loof de Heere, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden.” (Psalm 103:2)

Noemen we het Hooglied van Salomo ‘het lied der liederen’, dan mogen we deze psalm van David wel ‘de lofzang der lofzangen’ noemen. Er is geen psalm van David waarin de lof des Heeren zo hoog klimt als in dit lied. David bezingt hier de hoogten van het genadeleven, waarbij hij begint en eindigt met ‘Loof de Heere!’

Wat is dan de oorzaak van Gods lof in Davids leven? De Heere heeft weldaden in zijn leven verheerlijkt, die hij heeft ontvangen in de verborgen omgang met God. Ze zijn gevloeid uit Gods genadeverbond. Hiervan zegt hij in Psalm 25: ‘De verborgenheid des Heeren is voor degenen die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken.’ Het is die vreze Gods in Davids leven, die hem brengt tot het verheerlijken van Hem. ‘Loof de Heere, mijn ziel!’

We beluisteren in deze lofzang als het ware een zelfgesprek. David spreekt hier tot zijn eigen ziel. De Heere heeft hem welgedaan, hem opgericht uit een grote ziekte. Er dreigde zelfs doodsgevaar. Maar de banden zijn gebroken. Zijn hart juicht van verwondering en vreugde. Nu zijn de ongerechtigheden vergeven en zijn leven is verlost van het verderf! Hij is gekroond met goedertierenheid en barmhartigheid. Zijn dat geen genadeweldaden?
David zegt tot zijn ziel: ‘Loof de Heere!’ Wat is er dan gebeurd in zijn leven? Hij mag weer beantwoorden aan het doel van God in Zijn schepping: God loven! Gods weldaden in het leven zijn het waard om nooit te vergeten. Daarom wekt David zichzelf hier op om de Heere in alles en voor alles te erkennen en te danken.
Wat hebben we zo’n opwekking en aansporing nodig in het leven! Wat zijn we meestal druk met de dingen om ons heen of met andere mensen, zodat we onszelf vergeten en verwaarlozen. Er is geen grotere ondankbaarheid dan te vergeten wat we aan God schuldig zijn. Overlaadt Hij ons niet van dag tot dag met Zijn gunstbewijzen?
Van nature zijn we van die ellendige zelfbedoelers. Egoïstisch is ons bestaan in dit voorbijvliegende leven, waarin de Heere ons steeds opnieuw omringt met Zijn weldaden. Zeker, met de lippen wordt er nog wel gedankt. Maar waarlijk danken, innig danken, Godverheerlijkend danken, dat vinden we niet in ons natuurlijk bestaan. We zijn niet beter dan het volk van Israël: ‘Zij zongen Zijn lof, doch zij vergaten haast Zijn werken.’ Is dat in ons leven geen ernstige zonde en een groot tekort waardoor God wordt onteerd? O, zie in deze tekst een kind van God zijn ziel opwekken om met een lofoffer uit zijn hart tot God te naderen. Dat is vrucht en bediening van Gods Geest, Die alleen dat offer maar ontsteken kan in het hart.
Het is opmerkelijk dat David zijn ziel aanspreekt, het levenscentrum van al zijn geestelijke vermogens. Hierin spreekt hij tevens voor het aangezicht van God, want het is als het ware een bestraffing van zijn eigen traagheid, aldus Calvijn. En – zo vervolgt deze – hij maakt er ons opmerkzaam op dat het niet aan God ligt wanneer wij geen ruime stof hebben om Hem te loven, maar dat het onze eigen ondankbaarheid is die ons in de weg staat.
Dat we ons toch met David over zouden geven, door Gods Geest gewillig gemaakt tot de overdenking die gericht is op Gods lof. ‘Loof de Heere, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heilige Naam.’ En opnieuw: ‘Loof de Heere, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden.’
Kinderen van God, is er geen reden voor? Kunt u al de zegeningen en weldaden tellen, waarmee de Heere u omringt? Want het is toch waar dat er niemand méér bevoorrecht is dan een kind van God. Gods kinderen in het bijzonder mogen proeven en smaken dat de Heere goed is. Als de Heere daarvoor je ogen opent, kun je niet anders dan God loven.

‘Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.’
Dit te mogen beleven, is toch een weldaad? De Heere schenkt Zijn kinderen onverdiende genadeweldaden, die telkens weer verzoenen, verzorgen en vernieuwen. En des te meer weldaden we krijgen, des te kleiner we worden. Gods lof wordt geboren vanuit het stof. Jakob zei: ‘Ik ben geringer dan al deze weldadigheden en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt.’ Kennen we deze gestalte? Dat wegzinken in verwondering, aanbidding en dankzegging?

Of is dit alles ons onbekend en vreemd? Wat zijn we dan nog ongelukkig en arm! Smeek de Heere, nu het nog kan: ‘Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond Uw trouwe hulp; stier mij in rechte sporen.’

 

Ds. J.J. Tanis

Het verlangen van David om voor de Heere een huis te bouwen

“Ga heen, doe al wat in uw hart is, want de HEERE is met u.” (2 Samuël 7:3)

We luisteren hier naar het antwoord dat de profeet Nathan aan David heeft gegeven. David bezit nu zelf een paleis. Ook heeft hij rust gekregen van de vijanden rondom. Als de koning zo in zijn paleis zit, dan komt in zijn hart de gedachte op om voor de Heere een tempel te bouwen in Jeruzalem.
De Ark des Heeren bevindt zich nog steeds in de tent die David voor de Ark heeft opgezet. Zelf woont hij in een paleis en de troon van God, de Ark, staat in een eenvoudige tent. David in een huis van cederhout en de Ark tussen de gordijnen. Als David dit zo overdenkt komt het verlangen in zijn hart om een tempel voor de Heere te bouwen. Hij laat de profeet Nathan bij zich komen en bespreekt met hem zijn voornemen. De profeet Nathan zal aandachtig geluisterd hebben en tenslotte geeft hij zijn zegen aan Davids plan: ‘Ga heen, doe al wat in uw hart is, want de HEERE is met u.’ We zullen moeten bedenken dat Nathan zijn goedkeuring geeft, terwijl hij nog geen openbaring van God heeft ontvangen. Dat zal in de komende nacht wel gebeuren. Maar voor dit moment stemt de profeet met het verlangen van de koning in.
Het is een mooie trek in het geestelijk karakter van David dat hij voor de Heere een huis wil bouwen. Davids verlangen is een kenmerk van genade. Hij wilde graag iets voor de Heere doen! De Heere had immers zo veel, alles, voor hem gedaan.
Als God in Zijn voorzienigheid veel voor ons heeft gedaan, dan moet dit ons doen bedenken wat wij voor Hem en Zijn eer kunnen doen. Als het goed gaat in ons werk of in onze studie, als we geholpen worden in tijden van ziekte en zorg, als we … Ja, dan behoren we te zeggen: ‘Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?’ Dit verlangen zal niet slechts oppervlakkig zijn wanneer we verstaan wat we eigenlijk verdiend hebben. Gods zegeningen, gezien in het licht van onze schuld en zonde, worden allemaal groot. Dit zal een verlangen verwekken om voor de Heere te leven, Hem te dienen en in Zijn wegen te wandelen.
David maakte goed gebruik van de rust. Hij hoefde nu niet aan het front te strijden, maar krijgt de tijd om rustig in zijn paleis te zitten. En in plaats van de tijd voor zichzelf te nemen, verlangt hij de tijd die hij nu krijgt te gebruiken tot Gods eer.
Hoe is dat bij ons? Tijd van rust hebben we allemaal regelmatig nodig. De boog kan niet altijd gespannen staan. Maar hoe gebruiken we die tijd? David had zijn gemak kunnen nemen. Maar zijn verlangen is anders. De zaak van de Heere weegt op zijn hart. Zijn leven is gericht op God en Zijn dienst. Volg het voorbeeld van David. Als er periodes in ons leven zijn, waarin de dagelijkse verplichtingen minder tijd vragen, gebruik dan de beschikbaar gekomen tijd voor de Heere en voor de ziel van anderen en uzelf. Bidt om de geest van David na te volgen.
David spreekt over zijn verlangen met Nathan. Wat is het een zegen als er tijd en gelegenheid is om met anderen over de diepe zaken van ons hart te spreken. Nathan kreeg als het ware een blik in het hart van David. Hij zegt immers tegen David: ‘Doe al wat in uw hart is.’ Iemand in je hart laten kijken is nog niet zo eenvoudig. Er kunnen allerlei verhinderingen zijn. Dikwijls worden we door mensenvrees tegengehouden. Ook bedenken we dat de luisterhouding heel belangrijk is. Nathan begreep en voelde aan dat het uit Davids hart kwam. Tussen Nathan en David is er van hart tot hart gesproken. Wat is het een zegen als dit ook in de gemeente, bijvoorbeeld op huisbezoeken, ervaren wordt. Vroeger werd het wel gezegd: ‘huisbezoek is hartenbezoek.’ Nathan gaf zijn goedkeuring aan Davids verlangen. Hij sprak hier niet direct in de naam van God, maar uit zichzelf. Hij sprak hier als een godvrezend man, die aanvoelt dat Davids verlangen oprecht is en niet in strijd met de geopenbaarde wil van God. Het is toch de roeping van God om te doen wat strekt tot Zijn eer en de bevordering van Zijn dienst.
Maar Gods verborgen wil was anders. Dat komt Nathan in deze nacht aan de weet. God maakt hem bekend dat Hij niet wil dat David een tempel bouwt. Een ander zal het huis des Heeren bouwen. Nathan heeft zich vergist. God moest een correctie aanbrengen.
Er is een Profeet die nooit correctie nodig heeft. Het is het kroonrecht van Christus altijd de wil van Zijn Vader te doen. Hij heeft in de verborgen raad en wil van God gestaan. Hij kent de wil van Zijn Vader op het aller volmaaktst. Daarom is Hij de allerhoogste Profeet en Leraar. Zoek daarom met al de zaken van uw hart en leven een plaats van gebed aan Zijn voeten: ‘Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?’

 

Ds. W. Harinck

Het nieuwe kleed

‘Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.’ (1 Kor. 15:53)

 

De bruid van Christus wordt helemaal in het nieuw gestoken. Jezus heeft daar alles voor gedaan. Hij kwam uit de hemel om één vlees te worden met zijn bruid. Hij leefde in volmaakte gehoorzaamheid aan de wetten van het Koninkrijk. Hij gaf zijn lichaam en ziel tot een offer voor de zonde. Hij leed de eeuwige straf in Zijn verlatenheid aan het kruis. Jezus betaalde de bruidsschat. De trouwdag is Zíjn dag!

Maar… zonder bruid is Hij geen Bruidegom! De bruid ziet uit naar Hem en verwacht Hem. De bruid kijkt in de spiegel of ze er netjes uitziet. Zit mijn haar goed en straalt er ook echte vreugde af van mijn wangen? Als ik vroeger een week of drie in Papua was voor een upgrading van de predikanten en ik vloog weer over Europa dan haalde ik mijn stoppelige baard eraf en ik kamde mijn haar. Mijn vrouw trok haar mooiste jurk aan en we hadden allebei al in gedachten hoe het zou zijn als de treintaxi stopte voor ons huis en de voordeur ging open.

U begrijpt het beeld. Kijkt u ook wel eens in de spiegel en ziet u de noodzaak van een nieuwe japon? Bij de opstanding uit de dood of de metamorfose als we nog in leven zijn bij Zijn komst past het nieuwe kleed van de onvergankelijkheid en de onsterfelijkheid. Dat komt nog. En we weten nog niet half hoe heerlijk dat zal zijn. Johannes schrijft: ‘Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.’ (1 Joh. 3:2)

God doet dat met al Zijn kinderen als de eeuwige bruiloft aanbreekt. Ze worden helemaal in het nieuw gestoken van het verheerlijkte en door de Heilige Geest gestempelde en geregeerde ‘geestelij­ke’ lichaam, waardoor we van harte bereid en in staat zijn om God voor eeuwig te loven en te prijzen. Is dat ook onze verwachting? Die is een graadmeter voor het geloof. Wat zijn veel christenen lauw en wereldge­lijkvormig. Of nog steeds meer bezig met hun bruidsjapon dan met de Bruidegom.

Maar gelukkig, ze zijn er: mensen die midden in de verdrukking van hun sterfelijk bestaan, soms omgeven door ziekte en afbraak, uitzien naar de komst van de Zaligmaker, Die hun heil zal volmaken. Hoe dat zal gebeuren? Daar begrijpen we niets van, maar God is zoveel groter dan wij. Hij belooft dat onvergankelij­ke leven.

En we hebben de garantie in de opstanding van de Heere Jezus Christus, Die aan de overzijde van de dood is opgewekt, om nooit meer te sterven. Het zal een scheppingsdaad van God zijn. God spreekt… en het zal gebeuren.

De doden worden onverderfelijk opgewekt en die nog in leven zijn zullen veranderd worden. Hoe? Dat staat in vers 53. Het woordje ‘aandoen’ is een nieuw woord dat Paulus hier gebruikt. Dat verwijst naar de mens, die zijn kleren aandoet. Die kleren maken de man. Zo zal dat ook op de jongste dag zijn. Daar zullen wij ook iets ‘aandoen’, namelijk het kleed van de onvergankelijkheid en de onsterfelijkheid, en zo worden we echt mens in de volle zin van het woord.

Het is wel merkwaardig, dat de apostel voor één-en-dezelfde zaak zoveel en zo verschillende woorden weet te gebruiken. Hij schrijft dat wij opgewekt worden, dat wil dus zeggen, dat wij wakker gemaakt worden uit de slaap van de dood. Hij spreekt er ook van, dat wij zullen opstaan, en dat betekent dat wij terneer lagen in het stof van de dood en dat wij weer overeind komen.

Een derde woord is het woord ‘veranderd worden’. Wij zullen op de jongste dag een transformatie ondergaan. Verder gebruikt de apostel de term ‘verheerlijkt worden’ en ‘gelijkvormig worden aan Christus’. In vers 53 voegt Paulus aan deze reeks nog het woord ‘aandoen’ toe.

De apostel heeft een overvloed van woorden bij de hand. Waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over. De opstanding van de doden is voor Paulus niet een onzekere en vage grootheid, waar hij maar het liefst zo sober mogelijk over spreekt. Nee, het is voor hem een overweldigende realiteit. Hij krijgt er niet genoeg van om erover te spreken. En hij heeft een enorme voorraad woorden bij de hand, waarover hij kan beschikken.

Zit er een zucht in de zegswijze van Paulus: dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen? Je gaan omkleden is iets waar je geen zin in hebt. Je ziet er tegenop. Maar… in bepaalde omstandigheden moet het nu eenmaal. Zo is het ook met die grote, goddelijke toekomst van de mens en de wereld. Daar glijden we niet zo maar in. Daar gaan we niet geleidelijk in over. We moeten ons omkleden. De onvergankelijkheid is iets, wat aangedaan moet worden.

We beërven het koninkrijk van God niet zoals we nu zijn. We moeten veranderd worden. We moeten nieuwe kleren aandoen. Daar kunnen we tegen opzien. Zó, dat we erover zuchten. Dat is een merkwaardige gedachte: dat we zuchtend opzien tegen de verlossing, de goddelijke verheerlijking, de eeuwige vreugde. Is dàt soms het eigenlijke in alle angst van de mens? Angst voor de toekomst, voor de dood, voor het lijden?

Is het angst voor de nieuwe kleren? Is dat niet vreemd? Blijven we liever in onze oude plunje rondlopen? Blijven we liever die we zijn? Dat afleggen van onze vergankelijkheid noemt de apostel ook in 2 Kor.5:2-4. Wij willen niet ontkleed worden: ons huidige lichamelijk bestaan afleggen. Terwijl dat zo kwetsbaar en met de dood omringd is. Wie wil er nu graag sterven? Het kan je angstig maken. Behalve als de liefde trekt en je over alles heen ziet op het overkleed worden met een verheerlijkt lichaam.

Het is goed en nuttig dat we dit duidelijk inzien. Niet dat we dan meteen naar deze verwisseling van kleding uitzien. Maar we beseffen dan dat het echt niet anders kan. Op zichzelf is dat voor ons onvoorstelbaar. We hebben er enige voorstelling van door Christus en Zijn opstanding. Dat is eigenlijk ons enige houvast in deze dingen. Maar het geloof in dit eeuwige leven, dat in Christus is verschenen, moet nog omgezet worden in lichamelijke werkelijkheid. Dat gebeurt pas op de jongste dag.

Paulus zegt ook met zekere nadruk: dit vergankelijke (dat wij hier en nu zijn) moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. Het gaat om mij, om u om onze unieke persoonlijkheid en niet om de mens in het algemeen. Kleren maken wel de man, maar als je een etalagepop met nieuwe kleren omhangt, is dat toch nog geen mens.

Wijzelf zijn het, die onvergankelijk en onsterfelijk worden gemaakt. Wat wij in ons leven tussen onze geboorte en onze dood hebben en zijn, wat we doen en ondergaan, wordt niet allemaal weggeworpen. Nee, dit vergankelijke doet onvergankelijkheid aan, dit sterfelijke onsterfelijkheid. Wijzelf, als tijdelijke mensen, wij zijn het, die voor eeuwig worden verlost. Onze uniekheid en individualiteit zal niet verdwijnen.

Ziet u om welke geweldige dingen het gaat? Misschien is dit wel het eigenlijke mysterie in de werkelijkheid van de opstanding. De Bijbelse toekomstverwachting roept ons daarom op tot een radicale aanvaarding van onszelf, van het heden en van ons tijdelijk leven. Wat wij nu hebben en zijn, dát wordt verlost door Christus. Verlost van alle gevolgen van de zondeval, maar ons unieke mens-zijn blijft.

Gods kinderen gaan een heerlijke toekomst tegemoet. Wie hier in dit leven als een verloren zondaar aan Zijn voeten heeft gebogen en zijn schuld heeft beleden en vergeving ontvangen, die zal bij de komst van Christus opstaan in een nieuw verheerlijkt lichaam. En daar zullen we ons nog verwonderen dat Jezus stierf om onze zonden en werd opgewekt tot onze rechtvaardiging. Gode daarvoor de eer.

Ds C. G. Vreugdenhil

Het werk van de Geest van Pinksteren

“Want door Hem hebben wij beide de toegang door één Geest tot de Vader.” (Efeze 2:18)

In deze woorden verklaart de apostel het werk van de Geest van Pinksteren, voortvloeiend uit een Drie-enig God. Het is het werk van de Vader, Die gedachten des vredes gehad heeft over Zijn volk. Het behaagde Hem een schuldig volk tot Zich te doen naderen door het bloed des verbonds dat betere dingen spreekt dan Abel. Van die wondere vrijmacht zingt de dichter: ‘Welzalig, dien Gij hebt verkoren, Dien G’ uit al ’t aards gedruis, Doet naad’ren, en Uw heilstem horen, Ja, wonen in Uw huis’.  Het is voorts de Zoon als Middelaar, Die door Zijn gezegende verdiensten Zijn kinderen de toegang geopend heeft tot het binnenste heiligdom door Zijn dierbaar bloed. Door Zijn aangebrachte gerechtigheid maakt Hij hen aangenaam en heerlijk in de ogen van de Vader. Alleen op grond van Zijn alles reinigende bloed is Zijn gedurige voorbede voor hen een eisend bidden en een biddend eisen. Door Zijn volbrachte Middelaarswerk stelt Hij hen eenmaal de Vader voor als een reine maagd, zonder vlek en rimpel.  Doch nu is het bijzonder God de Heilige Geest, geschonken in het hart van Zijn volk, Die hen met Christus verenigt door het geloof en dóór Hem met de Vader. Dat is de wondere bediening en betekenis van de uitstorting van de Geest van Pinksteren. Op de dag van Zijn hemelvaart is Christus door de Vader verhoogd aan de rechterhand van de troon der Majesteit in de hemelen. Daar is Hij de voorspraak bij de Vader en door Zijn Geest woont Hij nu in de harten van Zijn kinderen op aarde. Hij vervult Zijn belofte: ‘Ik zal u geen wezen laten’.   Door één Geest. Hier geldt geen besnijdenis of voorhuid, geen dienstknecht of vrije. Hier is de scheiding weggevallen tussen Jood en heiden en wordt het door Goddelijke genade: één Heere, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, Die daar is boven allen en door allen en in u allen. En zó is de komst van de Heilige Geest op het Pinksterfeest de kroon geweest op het grote werk der verlossing door Jezus Christus. ‘Want door Hem hebben wij beide de toegang door één Geest tot de Vader’. Het is het grote en onuitsprekelijke voorrecht dat de Vader geschonken heeft aan Zijn Kerk.  Om van dit alles nu in dit leven de vertroostende kracht te ervaren, leert de Heere gedurig weer het smeken om de gezegende werking van de Heilige Geest. David bad reeds: ‘En neem Uw Heilige Geest niet van mij’. Zonder die Geest van Pinksteren blijft het hart zo biddeloos, zorgeloos, behoefteloos. Dan heerst de koude winter in de ziel die eens zo hartelijk kon zingen: ‘God heb ik lief’.   Waar de Heere de bediening van Zijn Geest geeft, daar schenkt Hij ook in het hart van Zijn volk een gebed dóór de Geest óm de Geest: ‘Ontwaak, Noordenwind, en kom, gij Zuidenwind, doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten’.  Het worden de smeekgebeden om de beoefening van de genade en om de dierbare werking van de Heilige Geest. Want onder de bedauwing van die Geest wordt het dode en biddeloze hart weer levendig gesteld en gaan hart en mond weer uitroepen: ‘Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God’.   Die Geest van Pinksteren is het, Die het hart, dat dood is door de zonden en misdaden, wederbaart en levend maakt en door het geloof met Christus verenigt. Uit dat onsterfelijke levensbeginsel vloeien door de kracht van die Geest alle geestelijke werkzaamheden die leiden tot Christus en dóór Hem tot de Vader. Het is het zaligmakend werk van de Heilige Geest het harde hart te verbreken en de ziel te verbrijzelen onder het smartelijk geroep van een schuldig mens voor God: ‘Wee mijner, dat ik zo gezondigd heb’.   Maar het is ook het lievelingswerk van de Heilige Geest als de grote Eliëzer en Bruidswerver van Christus, voor het treurende en wenende zielsoog Christus te ontdekken en bekend te maken in Zijn gewilligheid en Zijn volkomenheid. En altijd weer leidt de Heere Zijn volk door Woord en Geest in alle waarheid. Zelfs in de duistere nachten van strijd en bange twijfel, als satan benauwt en de schuld drukt, dan is de Geest van Pinksteren de beloofde Trooster, Die de beloften Gods gaat vervullen en toepassen. Hij opent de mond van Gods kinderen en leert hen de eerste klanken te stamelen van het ‘Abba; lieve Vader’.   En bij alle droefenis en smartelijk gemis opent Hij het oog voor de beloofde erfenis en doet Hij in heimwee verlangend zingen: ‘Gij maakt eerlang mij ’t levenspad bekend, Waarvan, in druk, ’t vooruitzicht mij verheugde; Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend, Schenkt mij in ’t kort verzadiging van vreugde; De lieflijkheden van ’t zalig hemelleven, Zal eeuwiglijk Uw rechterhand mij geven’.

Ds. J.M. Kleppe