Brandende harten

‘En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, als Hij tot ons sprak op den weg en als Hij ons de Schriften opende?’ (Lukas 24: 32).

Door het onderwijs van de Onbekende die meeliep, maakte de Heilige Geest dat de harten van de Emmaüsgangers gingen branden. Met brandende harten gaan zij verder, maar de ogen bleven nog gesloten. Het vleesgeworden Woord zal straks naar Zijn Vader gaan. En zij moeten dan leven uit het door de Zaligmaker gesproken en later op schrift gestelde Woord. En velen met en na hen van wie zal gelden: zalig zij die de Heere Jezus niet met lichamelijke ogen hebben gezien en toch in Hem mogen geloven. Luther zegt hierover: ‘En zo doet Hij nóg. Men ziet ook, dat zij de kracht van ’s Heeren Woord al spoedig ondervonden, hun hart werd brandende. Hun harten bleven niet zo koud en traag als zij waren, zij kwamen tot een recht verstaan van de Schrift.

En zo gaat het nóg! Het deksel van hun hart werd weggenomen, zodat zij Christus kenden en Hem nabij gevoelden. Zij kwamen tot zulk een zekerheid des geloofs ten aanzien van Christus’ opstanding, dat zij zichtbare verschijningen niet meer nodig hadden. Daarom verdween de Heere uit hun ogen. Bemoedigend spreekt Luther zijn hoorders toe, dat zij naar het voorbeeld van de Emmaüsgangers, verlangend moeten zijn om Gods Woord te horen. Zij moeten niet verdrietig worden, want door deze oefening wil God werken in hun harten en zo wil Hij Zijn Geest geven. ‘Als men maar volhoudt, zal het niet tevergeefs zijn; Uw hart zal niet koud en traag blijven. Ge zult Christus beter leren kennen en de Schrift beter leren verstaan. Bovendien, ge zult er uw Heere mee behagen, en Hem dienen. En weet, dat Hij dan niet verre van u is. Hij en zijn lieve engelen zullen om u heen zijn.’ Blijf, zo vervolgt Luther, toch op de Schrift kloppen.

Ik laat Luther nog een keer aan het woord:  ‘Als wij maar Christus en Zijn Woord niet verachten, als wij maar naar Hem verlangen, en Hem liefhebben en begeren sterk zijn in het geloof en in het christelijke leven. Want zo was het ook met deze twee discipelen. Zeker, zij waren zwak en onverstandig, maar in hun hart waren zij Christus genegen. Zij spraken gaarne over Hem en zij hoorden graag over Hem. Zij wilden niets liever dan dat het waar was, wat zij over zijn opstanding gehoord hadden. Maar het leek hen veel te groot; zij konden het niet zo maar voor gewis en zeker houden. En het is ook inderdaad groot en hoog. Dat weet en ziet onze lieve Heere zeer wel, en daarom kan Hij zoveel geduld met ons hebben, en is Hij er tevreden mee, als er maar in ons leeft de begeerte om zijn discipelen te zijn en van Hem te leren. Ofschoon onze Heere Christus, door Zijn opstanding, grote kracht en heerlijkheid heeft ontvangen en een Heere is van hemel en aarde, toch regeert Hij zijn ”lieve christenheid” op deze wijze, dat Hij de kracht van Zijn opstanding betoont aan Zijn arm, zwak kuddeke, en hen dient en helpt en troost en sterkt’. Tot zover Luther.

Ik eindig met een persoonlijke vraag aan u. Heeft Christus al eens tegen u gezegd: ‘Wat ziet u er toch droevig uit? Bent u soms bedroefd over uw zonden, over het missen van Gods vriendelijk aangezicht? Zoekt u Mij in al uw zielsverdriet?’. En mocht of moet u zeggen: ‘Ja zo is het. Omdat er buiten Hem geen leven is… maar een eeuwig zielsbederf… Omdat mijn hart naar Hém uitgaat. Omdat al wat aan Hem is, gans begeerlijk is. Maar ach, Hij lijkt zo ver weg. Ik wil wel tot Hem gaan, maar ik weet niet hoe… Of werd u verder geleid? Mocht u een tijd aan Zijn voeten zitten en werd u door Hem onderwezen? Maar… u bent Hem weer kwijtgeraakt. En nu mist u de gevoelige omgang met deze Zaligmaker, met uw Liefste. Een stem fluistert (soms of vaak) in uw hart: ‘u heeft zich vergist, u ben niet zalig, maar onzalig, u bent geen kind van God maar een kind des toorns…’. Door eigen schuld is Hij weggegaan (vergelijk Hooglied 5).

Deze stem zegt u, dat u er beter maar mee kunt ophouden. Maar dát gaat niet… Nee, u kunt Hem niet vergeten en u wilt Hem niet vergeten. Er is liefde tot Hem in uw hart. En, zoals bij Christen in de Christenreis, drukt het zondenpak (weer) op uw rug. Rust noch vrede wordt gevonden, en dat om uw zonden. U spreekt de dichter na: ‘Heere, hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen.’ En u belijdt: ‘Zo Gij, HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan?’ (Psalm 130). Is dat úw leven? Overdenk nog eens de geschiedenis van de Emmaüsgangers. Vergeet niet wat Luther hierover heeft gezegd. Als Jezus van zulk klagen hoort… dan komt Hij erbij… Dan komt Hij vertroosten.  Bedenk dat Jezus Christus, gisteren en heden, ja tot in der eeuwigheid, Dezelfde is (Hebr. 13:8). Leg uw vinger, biddend en bedelend, bij Gods dierbare beloften…  Zing eens mee (Psalm 69: 13b berijmd):

Gij, die God zoekt in al uw zielsverdriet,

Houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vrolijk leven;

Nooddruftigen, veracht Zijn goedheid niet;

Nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven.

Ds. W.A. Zondag

De definitieve overwinning

‘Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus’ (1 Korinthe 15:57).

Wel vaker onderbreekt Paulus zijn betoog door een uitroep van lofprijzing en dankzegging. Dat geeft iets levendigs aan zijn spreken en schrijven. Hij is daar zelf met huid en haar bij betrokken. Hij bedenkt opeens waar een kind van God zoal aan ontkomen is.

Hij heeft het over de dood en de zonde en de wet. Daar is toch geen mens tegen opgewassen? Daar zijn we allemaal reddeloos aan prijsgegeven? Het enige dat voor ons overblijft, is de totale verlorenheid.
Daarom breekt hij uit in die heerlijke dankzegging en lofprijzing. Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus! Christus heeft die overwinning behaald door Zijn kruis en opstanding. Die volledige overwinning zal Hij geven op de jongste dag. Maar er staat dat Hij ons de overwinning geeft.

De overwinning over de dood (de geestelijke dood), de overwinning over de zonde (de kracht ervan wordt gebroken) en de overwinning op de goddelijke aanklacht (de overtreders van de wet zijn vervloekt). Daarover geeft Hij de overwinning, hier en nu! Wij zijn dus aan het strijden tegen onze dodigheid en tegen de zonde en tegen Gods rechtvaardig oordeel.

En we denken steeds de nederlaag te lijden, maar in die strijd geeft Christus de overwinning. Wij zijn tegen die machten en krachten niet opgewassen, maar Christus geeft de overwinning. In de grondtaal staat letterlijk: Hij is gevende! Steeds weer, in al onze struikelingen. Steeds weer zien op Hem. Voortdurend geeft Hij. Herkent u dat?

Weet u hoe zo’n uitroep als die van Paulus geboren wordt? Dat is geen kwestie van een permanente triomfantelijke stemming. Nee, zo’n uitroep van dankzegging en lofprijzing wordt geboren in de aanvechting. Als al de machten van het verderf op je afkomen. Daar zie je toch niets anders dan de totale verlorenheid van je eigen bestaan.

En juist daar is de overwinning van Christus. Daar is geen bijdrage van ons, al moeten wij wel ten bloede toe strijden tegen de zonde. Zo bidt ons doopformulier: Wil ons door Uw Heilige Geest altijd regeren, opdat we vroom tegen de zonde, de duivel en zijn hele rijk strijden en overwinnen mogen.
In vers 56 gebruikt Paulus weer een nieuw beeld: De prikkel van de dood is de zonde; en de kracht van de zonde is de wet. De dood is het gevolg van de zonde. En de wet wijst ons de zonde aan. Het doodvonnis is terecht.

Weet u waar dat woordje ‘prikkel’ op slaat? De prikkel van de dood is de zonde. De dood wordt hier voorgesteld als een gevaarlijk beest met een dodelijke angel. Bijvoorbeeld een schorpioen, die met zijn angel (prikkel) een doodsteek toebrengt. In die angel zit vergif. Als je daardoor gestoken wordt, komt dat gif in je bloedbaan en moet je sterven.

Zo zijn wij allemaal gestoken door de angel van de dood, namelijk de zonde. En dat heeft ons allemaal bedorven. Het gif van de zonde zit als het ware in ons bloed. En daarom zijn we onderworpen aan de dood. De steek met die angel van de dood hebben we opgelopen in het paradijs. Zo zegt Paulus: de angel van de dood is de zonde. Door de zonde is de dood in de wereld gekomen en houdt de dood zijn macht over ons.

Heeft u dat nooit aangegrepen en op de knieën gebracht? Wij dragen de kiemen van de dood in ons bloed. We zijn allemaal gestoken met die giftige angel van de dood. Een wespensteek is al erg. Daar kun je nog iets aan doen met anti-prik. Maar tegen de schorpioen van de dood kun je niets doen. Onherroepelijk zal je sterven. U leeft met die gedachte toch niet rustig verder? Paulus, hoe kun je spreken over de overwinning?

Is er dan een oplossing voor de dood? Ja, als je de dood die angel zou kunnen uittrekken, dan zou hij ongevaarlijk worden. Daar wijst Paulus op. De dodelijke schorpioen heeft zijn angel verloren. Hoe kon dat gebeuren? Hij heeft de Heere Jezus gestoken en is toen voorgoed zijn angel kwijt geraakt voor allen die bij Hem horen.

De dood stak Jezus. De zonde van zijn volk is Hem toegerekend. De wet heeft Hem veroordeeld. Hij stierf aan het kruis. Maar Hij is ook opgestaan. Daarin heeft Hij die sterke vijanden overwonnen.
Paulus komt met goed nieuws. Gode zij dank. Paulus komt met Christus. Hij bundelt alle namen samen om de onuitputtelijke rijkdom en grootheid van de Zaligmaker tot uitdrukking te brengen: onze Heere Jezus Christus. Hij heeft niet alleen de dood overwonnen, maar ook de oorzaak van de dood, namelijk de zonde. Hij is Heere over de dood en over al Zijn volgelingen. Al Gods kinderen zijn Zijn eigendom. Ze zijn geborgen bij Hem. Gode zij dank.

Voelt u zich daarin meegenomen? Kent u die strijd tegen de zonde en de belijdenis: ik heb de dood verdiend? In onszelf zijn we verliezers, maar in Hem – verbonden met de band van het levende geloof – meer dan overwinnaars. Als u angstig wordt voor die schrikaanjagende schorpioen van de dood, zie dan op Jezus.

Vergeet toch niet dat de dood zijn giftige angel kwijt is. Jezus geeft de overwinning. Nu in de omgang door het geloof met de levende Heere en ten volle op de jongste dag. Dan wordt vervuld: de dood is verslonden. Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft!

Ds. C.G. Vreugdenhil

Gods reddingsoperatie

‘Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden’ (Johannes 3:16-17).

Jezus Christus is gekomen om ons te redden door ons te vergeven, opdat wij niet zouden sterven door het vonnis van de wet. Hier is inderdaad het Evangelie, het Grote Nieuws, het beste dat ooit van de hemel op aarde is gekomen.

Hier is Gods liefde in het geven van Zijn Zoon voor de wereld. Het grote geheim van het Evangelie is geopenbaard: God heeft de wereld zó liefgehad dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft. Jezus Christus is de eniggeboren Zoon van God. Dit verheerlijkt Zijn liefde: Zijn geven van Hem vóór ons, en Zijn geven van hem áán ons. Nu weten wij dat Hij ons liefheeft, als Hij Zijn eniggeboren Zoon voor ons gegeven heeft.

Het heeft God behaagd Zijn eniggeboren Zoon te geven, met het doel de verlossing en de redding van de mens te verwerven. Hij gaf Hem, dat wil zeggen, Hij gaf Hem over om te lijden en te sterven voor ons, als het grote Zoenoffer.

Hierin heeft God Zijn liefde voor de wereld bevestigd: God heeft de wereld zó liefgehad, zo werkelijk en zo volledig. Zie en verwonder u dat de grote God, zo’n onwaardige wereld liefgehad heeft! Dat de heilige God zo’n boze wereld met zo’n grote liefde zou liefhebben, terwijl Hij haar toch met geen enkele vorm van welbehagen kon aanzien. Voorwaar, dat is nog eens echt liefhebben!

Hier vindt u de grote plicht van het Evangelie, en dat is te geloven in Jezus Christus. Zijn gave aan te nemen en aan het doel van de Gever te beantwoorden. Wij moeten ongeveinsd en van harte instemmen met het getuigenis dat God in Zijn Woord over Zijn Zoon heeft gegeven. God heeft Hem ons gegeven om onze Profeet, Priester en Koning te zijn. En wij moeten onszelf aan Hem overgeven om door Hem geregeerd, onderwezen en gered te worden.

Hier is het grote voordeel van het Evangelie: dat een ieder die in Christus gelooft, niet zal verderven. Dit is de onuitsprekelijke zaligheid van alle ware gelovigen, waarvoor zij tot in eeuwigheid aan Christus verplicht zijn, namelijk dat zij behouden zijn van de rampzaligheid van de hel, verlost van het afdalen in het verderf, zij zullen niet verloren gaan. God heeft hun zonde weggenomen, zij zullen niet sterven. Zij hebben recht gekregen op de hemelse blijdschap: zij zullen eeuwig leven. De schuldigverklaarde verrader heeft niet alleen vergeving gekregen, maar is uitverkozen en begunstigd en behandeld als iemand in wie de Koning der koningen een welbehagen heeft.

Hier is Gods bedoeling in het zenden van Zijn Zoon naar de wereld: het was opdat de wereld door Hem behouden zou worden. Hij is niet gekomen om de wereld te veroordelen. Hij had er redenen genoeg voor, want de wereld is schuldig. Hij kwam, opdat de wereld door Hem behouden zou worden, opdat er een Deur van de behoudenis voor de wereld geopend zou worden, zodat wie wilde erdoor mocht binnengaan. God verzoende in Christus de wereld met Zichzelf. Het is goed nieuws voor een van schuld overtuigd geweten, genezing voor gebroken beenderen en bloedende wonden, dat Christus, onze Rechter, niet is gekomen om te oordelen, maar om te behouden!

Matthew Henry (1662-1714)

Een gebed om de zegen van God

‘Toen gaf ik hun tot antwoord, en zeide tot hen: God van den hemel, Die zal het ons doen gelukken, en wij, Zijn knechten, zullen ons opmaken en bouwen (…)’ (Nehemia 2:20a).

Nehemia is een bidder. Als hij in Perzië aan het hof bezoek krijgt van zijn broer Hanani uit Jeruzalem en hoort dat de muren van Jeruzalem nog steeds niet zijn opgebouwd, bedrijft hij rouw en wordt hij biddend werkzaam met de desolate toestand van zijn vaderstad. Een voorbeeld voor ons op biddag, om bedroefd te zijn over heel de situatie in ons land en onze maatschappij, waar de beschermende muur van Gods heilzame geboden verbroken ligt en God wordt onteerd.

Nehemia vast en bidt voor zijn volk. Biddend verwacht hij alles van God. Nehemia bidt een aangrijpend gebed. Hij pleit op Gods verbondstrouw en erkent de grootheid van God. Hij belijdt Israëls zonde en als we hem daar zo zien bukken voor de Heere, verrijst de gestalte van de grote Voorbidder, Die in de bres springt voor Zijn volk. Nehemia vraagt concreet om hulp: doe het toch uw knecht heden wel gelukken.
Als Nehemia in Jeruzalem gekomen is en een inspectietocht langs de muur van de stad gemaakt heeft, belegt hij een vergadering en krijgt hij toestemming om de herbouw van de muur van Jeruzalem te regelen. Groot verzet komt er van de kant van de heidense landvoogden. Maar in de kracht van het geloof geeft hij hen ten antwoord: ‘God van den hemel, Die zal het ons doen gelukken, en wij, Zijn knechten, zullen ons opmaken en bouwen…’.

Ziet u nu de lijn naar onze biddag voor gewas en arbeid? Als het over ons werk gaat, komt ook heel expliciet de vraag naar ons dagelijks levensonderhoud aan de orde. De Heere wil dat we dagelijks tot Hem komen en Hem erkennen als de Levensbron, als de overvloedige Fontein van alle goed.
Rotsvast staat Nehemia’s geloofsvertrouwen op God: ‘God van den hemel, Die zal het ons doen gelukken, en wij, Zijn knechten, zullen ons opmaken en bouwen…’. Hij is de Koning der koningen. Hij regeert! Er is verwachting voor Sion. Naar Gods eigen belofte. Hij verwacht het niet van eigen kracht en inzicht en ook niet van de mensen om hem heen. Nee: De God van de hemel. Die hoge God, die in de hemel woont. Die zal het doen gelukken.

Nehemia’s verwachting is niet te hoog gespannen. Want je moet niet alleen op jezelf zien – dat is verootmoedigend – maar je moet vooral op God zien. In de eerste plaats zelfs. U moet eens letten op de volgorde. Hij zegt niet: wij gaan aan het werk en dan geeft God Zijn zegen wel. Nee, God is de eerste. Dat is de juiste volgorde! Nehemia begint bij God. Het is Zijn plan, dat Hij in het hart van Nehemia gaf. Daarom! Niet: wij en God, maar God en daarom wij! God doet gelukken, daarom gaan wij Zijn knechten bouwen. Als ons werk niet uit God is, zal het gebroken worden.

Wat is dat mooi. Tegenover de spot van de vijanden staat Nehemia’s geloofsverwachting alleen op God. Nehemia spreekt deze woorden uit als het werk nog moet beginnen. Van te voren dus, niet achteraf. Hij zegt dit in het geloof, in volkomen vertrou¬wen op God, de ‘God van de hemel’, Die alles geschapen heeft. Dat is een typerende naam voor God na de ballingschap. Die Naam heeft een rijke betekenis. Gods verheven majesteit wordt beleden boven alle volken en hun afgoden. De gehele hemel, met al Zijn sterren, die de heidenen vereren, staat onder Zijn heerschappij. Door Hem regeren de koningen.
De God van de hemel is voor Israël ook de God van het genadeverbond. Alles is genade. God ziet in Christus in genade neer op zondaren. Omwille van Christus’ wil Hij van een zondig en verloren mens de genadige God en Vader zijn, Die ons van alle goed verzorgen, en alle kwaad van ons weren wil. Denk niet te klein van deze God. Zie op biddag op Zijn milde overvloed. Hij heeft Zijn eigen Zoon niet gespaard, hoe zal Hij ons met Hem niet alle dingen schenken?

Dat brengt ons bij een heel belangrijke vraag op biddag: kent u persoonlijk deze Koning door het geloof? Wordt ons bouwen gedragen door een levend geloof in Christus? Worden we bij ons werk gevoed vanuit de verborgen omgang met God? En dat brengt me tenslotte op de diepste betekenis van het woordje ‘knechten’. Dat komt van ‘abad’ en dat betekent ‘dienen’. U hebt vast wel eens gehoord van de ‘Ebed Jahweh’, dat is de Knecht des Heeren. Knechten moeten niet heersen en de baas spelen, maar dienen in diepe zelfverloochenende liefde naar het voorbeeld van Christus.

Wij Zijn knechten. Die knechten gaan eeuwig erven. Dan hebt u hier op het puin van uw eigen leven het oog leren slaan op de grote KNECHT DES HEEREN, Die Zijn leven tot het bittere eind toe heeft besteed in de dienst van God.

Wat vindt u van deze Knecht? Wij Zijn knechten. Bent u dat, ben jij dat? In dit woord wordt eigenlijk kort maar krachtig het leven van een christen getekend. Wij, Zijn knechten. Daarin ligt alles opgesloten: God dienen. In de kerk, in uw beroep als onderwijzer of leraar, als directeur, als directrice, in uw gezin. Heere, ik doe alles ten diepste voor U. Dat is God dienen. Uw licht laten schijnen door uw woorden en uw levenswandel. God dienen omdat je Hem zo lief hebt. Uw liefdedienst heeft me nog nooit verdroten.

Ds. C.G. Vreugdenhil

Petrus verloochent zijn Meester

‘En de Heere, Zich omkerende, zag Petrus aan; en Petrus werd indachtig het woord des Heeren, hoe Hij hem gezegd had: Eer de haan zal gekraaid hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen’ (Lukas 22: 62).

Petrus is meegegaan met degenen die Jezus gevangen genomen hebben. Hij wilde weten hoe het met zijn Meester zou aflopen en is het huis van de Hogepriester binnen gegaan. Petrus is niet de hoofdpersoon, dat is Jezus. En wij staan voor de spiegel. Zien we onszelf daarin? Zien we ook de trouw en liefde van Jezus?

Het getuigenis van de valse beschuldigers is niet eenparig. Wat getuigen dezen tegen u, zo vraagt de Hogepriester. Maar Jezus zweeg stil. Hij zweeg toen het ging over onze schuld. Hij is de Borg van Zijn Kerk.

Een dienstmeisje die Petrus ziet staan bij het vuur zegt: Jij hoort toch ook bij Hem? Zij stelt niets voor. Petrus hoeft helemaal niet te antwoorden. Hij wordt niet stevig aan de tand gevoeld. Terloops stelt dat meisje die vraag. Jezus moet antwoorden op de vragen van de beschuldigers. Toch treffen die woorden van dat meisje doel. Jij was ook bij Jezus de Galileeër. Een pijnlijke en vervelende opmerking voor Petrus. Hij antwoordt: Ik ken Hem niet, mens, je weet niet wat je zegt. Velen getuigen tegen Jezus, maar Hij zweeg stil. Dat dienstmeisje maakt maar één opmerking en Petrus begint direct zijn Meester te verloochenen.

Herkent u dat? In de kerk en op de Bijbelstudie is het niet zo moeilijk om de Heere Jezus te belijden, maar in het volle leven op je werk, onder collega’s moet je er toch ook duidelijk voor uitkomen dat je bij Hem hoort.

Kajafas vraagt aan Jezus: Bent U de Christus, de Zoon van de levende God? Zo had Petrus Hem beleden in Ceasarea Filippi. En nu zegt hij: Ik ken Hem niet. Jezus antwoordt bevestigend op die vraag. Gij zegt dat Ik het ben. Dat betekent: Ja, dat ben ik. Toen hadden toch alle lampen op rood moeten springen voor Petrus. Hij wordt bepaald bij zijn eigen belijdenis. En nu zegt hij het tegendeel. Hoe pijnlijk is dat voor Jezus. Hij draagt al die vloek en die smaad, ook die van Petrus. Petrus wordt hier een valse getuige. Zijn woorden snijden Jezus door Zijn ziel.

Wat een gebeuren. Jezus zegt: Ik ben het. Petrus zegt: Ik ben niet van Hem. En als Jezus dan de zaal uit moet omdat het sanhedrin de beslissing moet nemen, hoort hij dat dienstmeisje op de binnenplaats tegen Petrus zeggen: Jij hoort ook bij Jezus’ discipelen, ik weet het zeker, je accent is puur Galileïsch. Dan begint Petrus te vloeken en te zweren. Ik mag sterven als ik Hem ken, de hemel is mijn getuige…
Op dat moment keert Jezus Zich om en kijkt Petrus aan. Hij heeft gehoord wat Petrus zei. En toen kraaide de haan. Die twee dingen brengen Petrus tot inkeer. Dat kraaien van de haan, waar Jezus over gesproken had, én die blik van Jezus. De Heere Zich omkerende zag Petrus aan. Daarin ziet Petrus de smart van zijn zonde in de ogen van zijn lijdende Borg. Die blik is Hij nooit vergeten.

Jezus en Petrus staan oog in oog met elkaar. Er wordt niets gezegd, Dat komt later. En toch is deze blik zo veelzeggend. In de ogen van Jezus staat intens verdriet te lezen. Verdriet en pijn om de verloochening van Petrus. Petrus, heb Ik dít aan je verdiend? Jij was toch één van Mijn vurigste discipelen? Petrus, toch heb ik je lief met een eeuwig durende liefde. In die ogen van Christus ligt een oceaan van liefde.

Hebt u, heb jij zo wel eens in die ogen van Jezus gekeken? Die ogen van Hem zijn zo doordringend! Het zijn de genadestralen van de zon der gerechtigheid. Die zon ontdekt tegelijkertijd aan de werken van de duisternis. De Heere Zich omkerende zag Petrus aan. Met Zijn bedroefde ogen, Zijn liefdevolle ogen. Zijn gezicht is gezwollen en bloedend door de vuistslagen. Zie je het voor je? Liefdevolle ogen in het geschonden gelaat van Jezus. Dat grijpt Petrus aan tot in het diepst van zijn ziel. Het wordt heel persoonlijk. Jezus ziet Petrus en Petrus ziet Jezus. Onder vier ogen.

Als je dat ervaart, lijkt het wel of je helemaal alleen in de kerk zit. Dan is er maar één zondaar die straf verdiend heeft en dat ben jij. Je raakt bedroefd en verslagen. Vanwege dat liefdesoog van Jezus. Maar dat oog van Jezus wekt ook hoop in je hart op Gods ontferming. Herken je dat? Grijpt de les uit deze geschiedenis je niet aan? Heb jij de Heere nooit verloochend toen je één uurtje plezier dacht te hebben met je vrienden op een plaats waar je niet hoorde? Maar ook onze ouderen, hoe vaak zwijgen we als we moeten spreken of spreken we waar we moeten zwijgen. Een zakenman die zijn klanten bedriegt, een vader die op een verkeerde internetsite terecht komt en daar blijft. Een moeder die zich voorgenomen had om niet meer zo boos te worden maar in liefde te vermanen.

Staat u nog boven Petrus? In de verkondiging van het Evangelie ziet Jezus ons één voor één in de ogen. Hij stelt ons onze heimelijke zonden vlijmscherp voor ogen. Weet u waarom? Omdat Hij Zijn liefde aan ons kwijt wil. Jezus kijkt jou aan en zegt: Heb ik dat aan jou verdiend? Gode zij dank rust Zijn liefde niet in onze trouw. Zijn liefde is vrijwillig en eeuwig. Zouden we dan niet strijden tegen ons ongeloof en Jezus navolgen? Petrus was een gelovige man maar op het moment van zijn verloochening geloofde hij niet. En daarom valt hij. Wat is het toch belangrijk dat we dicht bij de Heere leven.

Petrus werd indachtig aan het woord dat Jezus tot hem gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben zult gij Mij drie maar verloochend hebben. Dat noemen we indachtmakende genade. Het is alsof Petrus ontwaakt uit een bange droom. In één enkel ogenblik stort zijn wereld in elkaar. Als vrucht op het gebed van de Heere Jezus. Wat de hardste slagen niet bereiken kunnen, dat brengt de liefde tot stand: een gebroken hart en een verslagen geest. Petrus komt tot inkeer. Opeens staat Petrus helder voor de geest hoe dwaas hij gehandeld heeft. Hij gaat naar buiten en weent bitter.

De morgen stond op het punt om aan te breken, maar voor Petrus werd het donker en bitter. Er is niets bitterder dan de zonde die we bedreven hebben tegen een goeddoend God. Dat komt omdat de liefde van Christus daar achter zit en de trouw van God. Christus houdt hem vast en bidt voor Petrus. Wat een neerbuigende goedheid voor een verloren zondaar.

Als je in die nacht een Petrus gevraagd zou hebben: Moet jij nu écht niets meer van Jezus hebben? Dan zou hij nog harder zijn gaan huilen en zeggen: Heere U weet alles dingen, Gij weet dat ik U liefheb. Onbegrijpelijk en toch waar!

Ds. C.G. Vreugdenhil

De stilte na de storm

 “Totdat ik in Gods heiligdommen inging.” (Psalm 73:17a)

Hoe heerlijk is de stilte! De stilte na de storm. Als de wind dagen aaneen heeft gebulderd met onbegrijpelijke kracht, als zwarte wolken werden voortgejaagd langs de hemel, als stortregens zich hebben ontladen en het wordt eindelijk weer stil, hoe verkwikkend is dan die stilte. Als de hemel weer effen blauw is en de zon haar stralen naar de aarde zendt. Rijk is de stilte na de storm in het rijk van de natuur.

Maar rijker en heerlijker is de stilte na de storm in het rijk van de genade, in het leven des geloofs. Want ook het geestelijk leven kent z’n stormen. Wie van Gods kinderen kent ze niet? Zeker, in de tijden van de eerste liefde, als de Heere tot ons spreekt, dan kunnen we denken dat het leven voort zal gaan langs kalme wegen en over rustige wateren. Maar op de school van de Heilige Geest wordt het geleerd, dat het leven des geloofs een worsteling, een strijd is. Zo heeft het ook gestormd in het hart van de Godvrezende Asaf. Zo hevig was de storm dat de man niet anders kon denken, dan dat de golven en baren hem zouden overspoelen. U weet welke storm er opstak in z’n leven, de storm van de bange twijfel. Psalm 73 is een aangrijpende psalm, de zang van het raadsel.

Asaf heeft gezien hoe de goddelozen vrede hebben en dat voorspoed hun deel is. Hij heeft opgemerkt, hoe het de onbekeerden maar al te vaak naar wens gaat. Zij zijn niet in moeite als andere mensen; ze worden met andere mensen niet geplaagd. Hun ogen puilen uit van vet; ze gaan de inbeeldingen van het hart te boven. Tegenover die goddelozen, die schijnbaar kunnen doen wat ze willen, ziet Asaf zichzelf. En hij gaat aan het vergelijken. En dan begint ’t, als we gaan vergelijken. De vergelijking is de dochter van de ontevredenheid en de moeder van de twijfel. Zou God het weten? Weet God het, dat Zijn kinderen worden uitgemergeld en verdrukt, terwijl de goddelozen hun mond tegen de hemel zetten? Weet God dat? Hoe kan dat? Immers mijn bestraffing is er alle morgens. Hoort u hoe de storm aanzwelt in het hart van Asaf? Bijna waren zijn voeten uitgeweken.

Bijna! Dankzij de eeuwige trouw van de Heere, Die Zijn kind niet laat verzocht worden boven hetgeen hij vermag, maar Die met de verzoeking ook de uitkomst geeft, is de storm gaan liggen en is het weer stil geworden in Asafs ziel. Van Asafs zijde zou er nooit hulp zijn gedaagd. Hij heeft het van zichzelf niet verdiend ook. Maar de Heere Zelf is er aan te pas gekomen en Hij heeft Zijn kind gebracht in het heiligdom. Daar heeft hij Gods verborgen omgang mogen vinden en daar is hem het heilgeheim in Christus Jezus geopenbaard. In het heiligdom, waar het altaar stond en waar het bloed van de offerdieren stroomde als een heenwijzing naar de volkomen offerande van Christus aan het kruis. Paulus zal later schrijven: ‘Allen, die godzaliglijk willen leven in Jezus Christus zullen vervolgd worden’.

De erfenis der heiligen is:
‘In de wereld zult gij verdrukking hebben.’ Maar ook: ‘Heb goede moed; Ik heb de wereld overwonnen.’ Ik, dat is de Heere Jezus. De storm van Gods toorn heeft gewoed boven de kruispaal van Golgotha, waar Christus is afgedaald in de diepte van de Godverlatenheid, opdat Asaf en allen die met hem een even dierbaar geloof ontvangen hebben, tot God zouden genomen en nimmermeer van Hem verlaten worden.

Daar in Gods heiligdom is Asafs blik verruimd en zijn kennis verhelderd. Daar mag hij weer het voorrecht ervaren van wat het zeggen wil om nabij God te zijn. En daartegenover ziet hij het einde van de goddelozen; ze vallen neer in een eeuwige verwoesting. En nu moet Asaf belijden hoe dwaas hij was, een groot beest bij God. In alles was hij onvernuftig en hij wist niets, Zijn hart was opgezwollen en de storm loeide. Maar God heeft in Zijn gunst de storm het zwijgen opgelegd. En ’t is weer stil. De stilte na de storm. Asaf mag door het geloof heenzien naar het Immanuëlsland; zijn ogen zien de Koning in Zijn schoonheid. Merk er op als aanvechting en bestrijding uw deel zijn. De Heere laat niet varen het werk van Zijn handen. Dan kan het water wel komen tot aan de lippen, maar het zal er niet overheen gaan; om Christus’ wil niet. ‘Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij U zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden en de vlam zal u niet aansteken. Want Ik ben de Heere, Uw God, de Heilige Israëls, uw Heiland.’
Als de storm is uitgewoed en de golven weer zijn bedaard, dan mag het lied van de redding gezongen worden in ootmoed en afhankelijkheid:

Ja waarlijk! God is Israël goed,
Voor hen, die rein zijn van gemoed;
Hoe donker ooit Gods weg mag’ wezen,
Hij ziet in gunst op die Hem vrezen.

Ja, dat is de psalm van de stilte na de storm.

Ds. R. Kattenberg

Onze tijden zijn in Gods hand

“Mijn tijden zijn in Uw hand.” (Psalm 31:16a)

 

De tijd heeft iets angstigs. We kunnen ons niet aan de greep en de macht van de tijd ontworstelen. We kunnen de tijd niet vasthouden, ook al zouden we dat soms willen. De tijd doet alles vergankelijk en voorbijgaand zijn. Door de tijd zijn zelfs de heerlijkste momenten van het leven zo kort en zo broos.

Daarom is de tijd zo angstig. Niets is hier blijvend dat het hart verheugt en nimmer geeft ons de aarde blijvend vreugd. Alles vervliegt en alles verdwijnt. Dat zien we meer dan ooit in de huidige pandemie, die zich uitstrekt over heel deze wereld.

Wat zijn we daar bij de jaarwisseling weer op een bijzondere wijze bij stilgehouden. Hoe is ondanks alles, het jaar weer omgevlogen. Zo kort geleden begonnen we het jaar en nu is het weer ten einde. In het licht van de tijd, die maar voortsnelt, is het leven zo kort. Als we nu maar mogen zeggen: “Mijn tijden zijn in Uw hand!” Dan heeft de tijd het beangstigende voor ons verloren. Dan mogen we hogerop zien op een God, Die boven de tijd staat. Op een God, Die zelfs de tijd in Zijn handen heeft en houdt. Mijn geboortetijd is in Gods hand. Mijn levenstijd is in Gods hand. Mijn stervenstijd is in Gods hand.

En als die God door genade om Christus’ wil mijn God is, dan hoef ik niet te vrezen. “Er is een tijd om geboren te worden en een tijd om te sterven.” En als mijn tijd van geboren worden, van leven en sterven nu maar in Gods vaderlijke handen ligt, dan mag ik stil zijn en het heil des Heeren verwachten.

Dan word ik blij met de tijd. Want dan gaat de tijd mij prediken, dat er een einde komt aan de strijd, aan de verdrukking, aan het land mijner vreemdelingschappen, en wat het meeste is aan de zonde. Ik hoef niet altijd te zondigen!

Zo opent zich het machtige toekomstperspectief van het geloof. Het gaat op Kanaän aan. En daarboven zal er geen tijd meer zijn. “En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.”

Dan zegt Gods kind wel eens: “O gezegende tijd, want nu komt er een einde aan het uitwonen van de Heere. O gezegende tijd, want nu is ieder jaar weer een jaar dichter bij de eeuwige woning”. En dan de eeuwigheid: dan is de tijd voorgoed opgeheven. Als er geen tijd meer is, dan is al het vergankelijke, al het tijdelijke, al het broze voorgoed weggegaan. Dan is er een eeuwige, onvergankelijk vreugde en blijdschap in God.

Dat de pelgrims naar huis dan maar af zouden tellen. Want hoe dichter ik nader naar het huis van Mijn Vader, hoe sterker ik hijg.

En het lijden van deze tegenwoordige tijd, is niet te waarderen tegen de heerlijkheid, die ons geopenbaard zal worden. Zalig vooruitzicht! Laat het dan maar nieuwjaar worden. Laat de tijd dan maar vervliegen, het gaat heen naar de plaats waar God zal zijn alles en in allen. Is dat ons toekomstperspectief al geworden? Daar moet grond voor zijn. En die grond ligt alleen in Christus, Die Gods deugden verheerlijkte. Houdt u niet op de been met wat vluchtige beschouwingen, want die zijn even wankelend als de tijd zelf. Zoek toch de vaste grond in Christus’ bloed en wonden.

Wie in het totale verlies van zichzelf Christus mag vinden, vindt de vastheid van de eeuwigheid in God Zelf. Want buiten Christus blijft de tijd zo’n beangstigende zaak.

En maak u eens los van de tijd! Dat is onmogelijk. Dat we het bedenken: Weer een jaar dichter bij Gods rechterstoel. Weer een jaar dichter bij het eeuwige vonnis. En dan met onze hemelhoge schuld en zonder betaling en zonder Christus? Misschien duurt het geen jaar meer en geen maand meer. Moet er dan geen heilig haasten komen om ons levenswil? Want de tijd gaat maar door.

En straks lost de tijd op in de eeuwigheid. Buiten Christus is er alleen de eeuwige pijn en het onuitblusselijk vuur.

De tijd spoedt ten einde, maar is tegelijk nog de genadetijd. Heden indien gij Zijn stem hoort, verhardt u niet, want straks houdt de tijd op, houdt de genadetijd op.

“Mijn tijden zijn in Uw hand.” Zien Gods kinderen dat altijd? Alleen als het geloofsoog helder is.

En er zijn zoveel nevels. Dan zie ik het niet. Dan is er alleen de duisternis. Maar gelukkig hoeven we het niet vast te houden. Het ligt vast in de onvergankelijke rotsbodem der eeuwigheid. Pelgrims, vertroost elkander met deze woorden.

 

Ds. J.J. van Eckeveld

Christus’ komst in het vlees

“En gij, Bethlehem Efratha, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda?” (Micha 5:1a)

De woorden van onze tekst bevatten een kostelijke voorzegging van Christus’ komst in het vlees. Die voorzeggingen in de Schrift worden steeds duidelijker naarmate de volheid des tijds nadert.

Eerst wordt gezegd dat Hij uit het menselijk geslacht zal zijn. Daarna dat Hij het zaad Abrahams zal zijn; uit de stam van Juda en uit het huis van David. Hier wordt zelfs de plaats van Zijn geboorte genoemd: Bethlehem, in Efratha gelegen. Dit Bethlehem had een rijke historie: Rachel was er gestorven, Naomi en Ruth hebben er gewoond; David is er geboren en tot koning gezalfd, zodat het werd genoemd: De stad Davids. Toch was het maar een onbeduidend stadje. Het telde niet mee onder de steden van Juda, en toch, dáár zal Christus geboren worden. Hij gaat het trotse Jeruzalem voorbij en wendt Zich tot het verachte Bethlehem. Ja, “het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen; en het onedele der wereld en het verachte heeft God uitverkoren, en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is, teniet zou maken; opdat geen vlees zou roemen voor Hem.”

Hier hebt u de ergernis van het Evangelie. Opgeblazen harten kunnen de Heere Jezus niet ontvangen; Hij treedt alleen binnen door lage deuren. Dit is dan ook tevens de rijkdom van het Evangelie, want welk een lieflijk woord is dit voor degenen die zich als onwaardigen hebben leren kennen. Alle mensen kunnen eerder bekeerd worden dan zij. Zij keuren zich de inhoud van Gods beloften niet waardig en durven het heil ervan zich niet toe te eigenen. Zij staan van ver. Juist met het oog op hen staat er: “Gij, Bethlehem Efratha, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda?” Wie worden hier aangesproken?

Het is een hoofdman over honderd, die niet waardig was dat Christus onder zijn dak zou inkomen. Het is een tollenaar, die van verre stond en zijn ogen niet hemelwaarts durfde opheffen. Het is een Kananese vrouw, die bekende zelfs geen recht te hebben op de kruimkens die voor de honden geworpen worden. Zij zijn het die naar Bethlehem worden gebracht. Tot hen wordt gezegd: “Vreest niet, want zie, ik verkondig u grote blijdschap.” Daardoor zullen zij vervrijmoedigd worden, zodat ze zeggen: “Laat ons dan heengaan tot Bethlehem en laat ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd”.

Voor hen zal Bethlehem waarlijk een ‘Broodhuis’ worden, want zij zullen er vinden de spijs waar hun ziel naar hongert. Zij zullen daar mogen eten van het Brood des levens.

 

Ds. J. van Haaren

De dierbaarheid van Christus

“U dan, die gelooft, is Hij dierbaar;” (1 Petrus 2:7a)

Elk mens heeft wel iets wat hem dierbaar is. Natuurlijk: de één meer dan de ander. Maar elk heeft wel iets, wat voor hem of haar van waarde is. Iets wat van waarde is, stel je op hoge prijs. Dat zou je niet willen missen. Dat hoeven niet eens dure dingen te zijn. Dat kunnen eenvoudige dingen zijn, waaraan herinneringen verbonden zijn. Dat kan bijvoorbeeld een foto zijn. Een vakantiefoto: daar en daar gebeurde het.

Petrus gaat in zijn eerste zendbrief ook spreken over een dierbare zaak. Nee, niet van de dierbaarheden van deze wereld, maar van de dierbaarheid van een Persoon, de dierbaarheid van Christus. Hij getuigt ervan: ‘U dan, die gelooft, is Hij (=Christus) dierbaar.’ Tot wie spreekt Petrus hier? Het zijn de vreemdelingen, verstrooid in Azië. Van nature waren het slaven van de zonde. Maar zij waren wedergeboren tot een levende hoop door de opstanding van Christus. Niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad. In de wedergeboorte wordt het geloof geplant. Dan wordt de zondaar afgesneden van de oude Adamswortel en ingeplant in Christus. Deze geloofsvereniging komt ook in haar daden openbaar. Dan wordt de ziel heilig verliefd op Christus. Het is een onfeilbaar kenmerk van het ware geloof. Comrie spreekt in zijn bekende eigenschappen van het geloof als een genade, die Jezus Christus op zeer hoge prijs stelt. Hij beschrijft in zijn preek over deze tekst 21 zaken waarin Christus voor de gelovigen dierbaar is. We willen trachten enige dingen te noemen.

Christus is dierbaar in Zijn liefde. Dat Hij uit eeuwige liefde op Zich nam om het welbehagen des Vaders uit te voeren. In de raad des vredes klonk het: ‘Wie zal met Zijn hart Borg worden?’ (Jeremia 30:21). En toen heeft de dierbare Christus Zich vrijwillig aangemeld bij de Vader. In Psalm 40 wordt Hij sprekende ingevoerd: “Zie Ik kom”. Hij heeft de weg willen gaan naar de eeuwige raad van God en Zijn ziel willen stellen in de plaats van Zijn bruidsgemeente.

Christus is dierbaar in Zijn Persoon. Hij is dierbaar in Zijn Godheid, als God uit God en Licht uit Licht. Hij kon getuigen: Ik en de Vader zijn Eén. Hij is dierbaar in Zijn Mensheid. Hij is de broeders in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Christus is dierbaar in Zijn hongeren in de woestijn. In Zijn dorsten bij de Jacobsbron en aan het kruis. Christus is ook dierbaar in Zijn werk. Dierbaar in Zijn prediking en woorden, die van Zijn lippen vloeiden. Dierbaar in Zijn tekenen en wonderen.

Christus is dierbaar in Zijn borgtochtelijke gerechtigheid. Dat Hij de vloek heeft willen dragen; dat Hij de beker van Gods toorn heeft willen ledigen; de wet heeft vervuld, Zijn bloed heeft willen storten. Christus is dierbaar in Zijn lijden, in Zijn verworpen worden, in Zijn lijdzaamheid, in Zijn verdraagzaamheid, in Zijn gewilligheid als Godslam, ja in Zijn ganse lijdensweg. Christus is dierbaar in Zijn stervende liefde aan het kruis, waar Hij Zichzelf overgaf voor Zijn bruidsgemeente, plaatsvervangend. Wat een les voor Gods kinderen: zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving. Christus is ook dierbaar in Zijn verhoging. Want Hij is door de bouwlieden verworpen, maar bij God is deze levende Steen uitverkoren en dierbaar. En zo is Christus ook dierbaar in Zijn opstanding uit de doden. Hoe groot en schitterend is Zijn eer. Christus is de Leeuw uit Juda’s stam, Die een overwinning behaald heeft over dood, hel en graf. En zo voer Hij ten hemel op vol eer en werd de kerker Zijn buit. Vanaf de Olijfberg steeg Hij op en is Hij ingegaan in het hemelse heiligdom. Christus is dierbaar in Zijn zitten aan de Rechterhand van God, waar Hij verblijft om altijd voor Zijn volk te bidden.

Christus is dierbaar in Zijn weldaden en genaden, die Hij verworven heeft voor Zijn verkoren Gemeente. Hij is van God geworden tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en volkomen verlossing. Christus is dierbaar in Zijn verzegeling en inwoning. Christus is dierbaar in Zijn zalige leiding in de woestijn. Christus is zelfs dierbaar in Zijn bestraffingen en in de verbergingen van Zijn aangezicht.
Lezer(es), mag ik u vragen: is deze Christus U al dierbaar geworden? Welke zaken houdt u voor dierbaar? Uw geld, uw goed? Van nature zien we geen dierbaarheid en schoonheid in Christus. Comrie zegt in de toepassing: ‘niemand zal Jezus dierbaar zijn, dan die zijn ellende kent op een gevoelige wijze.’ Moeten velen niet opmaken, dat Jezus hen niet dierbaar is, omdat zij nooit bekommerd geweest zijn en hun ellende hen nooit recht heeft gedrukt?

Ds. J.B. Zippro

Het zachtmoedig handelen van de Knecht des HEEREN met het gekrookte riet en de rokende vlaswiek

“Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen” (Jes. 42: 3a)

 

Jes. 42 begint met een uitroep: “Ziet! Mijn Knecht”. Alsof Gods vinger de Messias aanwijst. Zoals eeuwen later Johannes de Doper: “Zie, het Lam Gods!”. In Hem komt God Zelf tot Zijn volk. Jeruzalem en Juda horen hier de vreugdetijding van verlossing: de toekomstige bevrijding uit de ballingschap. De diepe laag van deze profetie is een nog veel rijkere verlossing dan die van Israël uit Babel. Van deze Knecht wordt gezegd wat Hij zal doen: het recht herstellen, de verdrukten en ellendigen met grote zachtmoedigheid verlossen. Dominee Smytegelt preekte 145 keer in Middelburg over deze tekst, en noemde vele kenmerken van Gods kinderen naar aanleiding hiervan.

Bij dat gekrookte riet mag je denken aan een rietstengel. Door wind, zwakte of een botsing met iets sterkers is deze geknakt. Het scheelt weinig of hij is gebroken. Een onverhoedse beweging en de breuk is compleet: beeld van zwakheid en krachteloosheid. Vroeger werd zo’n rietstengel ook gebruikt als meetlat. Zoals nu een timmerman zijn duimstok heeft. Was hij geknakt, dan was deze onbruikbaar en werd weggegooid.

Wat bedoelt hier Jesaja? In de eerste plaats: moet je denken aan de ballingschap van Israël. Wat blijft nog over? Jeruzalem wordt een puinhoop. Gods gericht zal komen. Een gekrookt riet. Je kunt ook denken aan mensen, in of buiten de kerk, misschien bent u het zelf wel: van wie het leven geknakt is. Onder zorg, verdriet, eenzaamheid. Het geknakte riet is eigenlijk een beeld van u, jou en mij. We zijn maar stervelingen. Denk aan Ps. 103: “dan knakt haar steel… men vindt haar standplaats zelfs niet meer”. Zowel oude als jonge rietstengels kunnen knakken en sterven.

Het heeft ook, denk ik, een betekenis van geestelijke gebrokenheid. Je hart is gebroken, door schuld verslagen. Als je ziet hoe groot je zonden en vervloekingen zijn. Als de wind van Gods Geest gaat waaien, je hart overtuigt van zonde en schuld. Als de verloren zoon tot zichzelf komt, dan ziet hij zijn honger, hoe ellendig hij is en de overvloed van de knechten van zijn vader. Hij heeft het verzondigd. Dat geestelijk beeld ligt ook in de tekst. Als de Heere je trots en hoogmoed neer gaat werpen en je overtuigt van zonde. O God, ik ben niet gebleven in het boek van Uw goede wet. Dat drukt je neer. Indrukken in je hart en geweten van de heiligheid en rechtvaardigheid van God. In ieder mensenbestaan is wel iets wat geknakt, vernederd moet worden. Wij mensen houden onze stand graag een beetje op. Waar Gods genade in een hart komt wonen, daar verbreekt ons hart. Vooral door Zijn opzoekende zondaarsliefde. Een druppel van Zijn liefde, en het hardste hart breekt, zelfs van Manasse. Als je je leven terugkrijgt, je doel hebt gemist, God niet hebt gezocht, Zijn eer niet bedoeld. Als de Heere iets laat voelen wie Hij is, in Zijn majesteit en grootheid. Dat God niet heenstapt over de schuld van je leven. Voelt u, dan heeft dat gekrookte riet ook iets te maken met hoe het ligt tussen de Heere en ons hart.

Hier staat wat de Messias, Gods Knecht, gaat doen. Het gekrookte riet zal Hij niet…verbréken. Wat een rijke belofte! Want waar is dat gekrookte riet, die mens zo bang voor? Dat hij breken gaat! En dat wordt je toch ook waard in je eigen oog voor God? Heere, als u met mij zou doen naar al mijn zonden, wie zal dan bestaan? Dan buig je zoals dat gekrookte riet. Maar Hij zal het gekrookte riet níet verbreken! Wat dán? Hij zal het houvast geven, het stérken. Hij is gekomen, om te genézen de gebrokene van hart. Hij zal hen tegemoet treden met Zijn genade en ontferming: al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als de sneeuw. Zul je daar aan denken, als het brood wordt gebroken? Hij gebroken, opdat het gekrookte riet niet gebroken zou worden. Dan neemt Hij de pleisters van Zijn genade en verbindt dat gekrookte riet met Zijn vertroostend Woord, met de rijke zegels van het verbond van Zijn genade in de heilige sacramenten. Hij geeft die verbroken zondaar houvast in het Woord. Hoe? De bekende John Owen zegt: dan laat God onze naam in de beloften lezen. Wat is dat een tere, rijke ondervinding. Als het Woord je gaat insluiten. Dat de Heere je door Zijn Woord laat zien: het gaat niet over een ánder, nee, over…u, over jou. Hij weet van die gebrokenheid, dat je jezelf niet oprichten, jezelf nergens brengen kan. En Hij belooft: het gekrookte riet niet te verbreken. Zo zal Hij handelen, zo liefdevol, zo zachtmoedig.

De tekst, de belofte gaat verder: …de rokende vlaswiek zal Hij níet uitblussen. Een vlaswiek, in elkaar gedraaid vlas werd vroeger gebruikt om een lontje te maken. Die ging in het tuitje van een olielamp en zoog de olie op. Je stak het aan, en het gaf lícht. Als de olie opraakte, of er een windvlaag kwam, dat doofde het vlammetje en het licht uit. Wat overbleef was een walmende, stinkende vlaspit, opnieuw het beeld van zwakheid, hulpeloosheid. Zo’n vlaswiek was onbruikbaar, die trok je eruit en gooide je weg. Zou dit ons niet moeten doen denken aan wat uitgeblust, bijna verdwenen is? Wat kan geestelijk leven, zieleleven tussen God en ons hart zwak zijn, bijna verdwenen zijn soms.

Wat een smartelijke ontdekking. Hoe het was en nu bij je is, tussen het laatste avondmaal en nu. Als God de Heilige Geest komt wonen in je hart gaat de duisternis toch voorbij? Dan brengt de Heere licht en leven in je ziel, liefde voor de Heere en Zijn dienst. Dat je zo uitgedreven wordt om de Heere te zoeken en je hart voor Hem uit te storten en je zonden Hem te belijden en een verlangen om goed en rijk van Hem te spreken. En je bidt: Heere houdt me vast, dicht bij U. Dat leven, dat licht brengt de Heere door Zijn Geest, door Zijn genade; dan gaat die olie en dat lampje branden.

Maar hier rookt, walmt de vlaswiek. Het is het beeld van achteruitgang in de genade. In plaats van vooruit, achteruit. De dingen van de wereld houden ons weer zo bezig. Er is oppervlakkigheid. Gebeden zijn er nog wel en de Bijbel gaat nog open. Maar er is niet meer die drang om met je armoede tot de rijkdom van de Heere Jezus te vluchten. Geen licht, maar rook en stank. Waar zijn de vruchten dan van bekering, van geloof? Calvijn zegt hierbij: wilde Hij met ons naar het strengste recht handelen, dan moesten wij te gronde gaan. Daar moet je toch ‘Amen’ op zeggen? Hóór dan onze tekst. Twee dingen doet Die Knecht: een verlossingswerk en een herstellingswerk. Zo wordt Hij Zijn volk dierbaar. Een Zaligmaker die verlost, niet verbreekt, die ook steeds weer herstelt, in leven houdt, gaande houdt. Hij blaast met Zijn Geest, die smeulende vonk weer aan tot een heldere vlam. Hij giet olie in de lamp, zoekt de zondaar op.

Zo wordt Lot uit Sodom gehaald. Jezus ziet Simon Petrus aan. De hemelse Bruidegom maakt Zijn slapende bruid wakker. Klopt op haar deur en laat de mirre van Zijn liefde achter. Waarom doet Hij dat? …Want de Liefde vergaat nimmermeer. Dáárom. Omdat Hij zó liefheeft, dat al ben je zo’n rokende, stinkende vlaswiek geworden, Zijn liefde houdt niet op. Hij maakt harten weer gaande. Hij werkt dat verlangen, om Hem te ontmoeten, Zijn stem te horen, Zijn Naam te belijden, Zijn dood te verkondigen.

Neem deze vraag mee: ken ik dat zachtmoedige handelen van Deze Knecht in mijn leven, Die zachtmoedige Jezus? Hij doofde dat licht bij die Emmaüsgangers niet uit. Veel licht hadden ze niet meer: wij hoopten…. Hij zoekt ze op, daarna opent Hij hun ogen: we hebben de Heere gezien. Zie Mijn Knecht! Dat je Hem zíet, Hem weer ontmóet, Hem aanschouwt. Wat is Hij getrouw! Wat een rijke boodschap.

Ds. W. Harinck