EN OPZIENDE…

“En opziende zagen zij, dat de steen afgewenteld was” (Markus 16:4)

Wat moet dat voor die vrouwen geweest zijn! Een zien, vol verwondering: de steen is afgewenteld! Verwondert u zich ook over Pasen? Dat Jezus is opgestaan? Raakt het u niet in de kern van uw bestaan? Als Pasen vieren voor u alleen maar verstandswerk is, dan bent u nog een vreemdeling van God en van Christus. Want Jezus is opgestaan. Hij heeft de dood overwonnen, Hij heeft het graf verlaten.

Ik denk dat we allemaal weleens op een begraafplaats hebben gestaan. Maar niemand van ons heeft gestaan bij een geopend graf dat verlaten is door een dode, omdat hij was opgestaan. Dát is alleen in de hof van Jozef van Arimathea gebeurd. Het graf is verlaten, de steen is ópgewenteld omdat Jezus is opgestaan. En Hij heeft van Zijn Vader alle eer ontvangen bij Zijn opstanding als de Levensvorst. Jezus leeft. Dat zegt ons die afgewentelde steen. Die grote grafsteen wijst naar onze dood en naar onze verlorenheid. Die grafsteen wijst naar onze hopeloosheid, naar het uitzichtloze leven zonder God. Besef toch dat uw situatie buiten de Heere hopeloos is, want buiten Jezus is geen leven. We liggen van nature begraven in een zondegraf, onder een loodzware steen van Gods rechtvaardige toorn.

Maar hoor wat er op de paasmorgen is gebeurd: de steen is afgewenteld! Jezus is uit het graf verrezen. Jezus leeft, om geestelijke doden levend te maken. Kom, verwonder u hierover. Wanneer u nog buiten God leeft, kunt u nog zalig worden. Er is een weg, er is een mogelijkheid bij God vandaan. In deze opgestane Jezus is er een ruimte om zalig te worden. Jezus leeft, en Hij laat u het Evangelie van Zijn opstanding nog preken: Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten (Ef.5:14).

Ja, zegt er nu iemand, maar die paasvreugde waar u het over heeft, die heb ik niet. Verwonderd over de opstanding van de Heere Jezus? Daar weet ik niets van. Het is me nog nooit tot blijdschap geweest. Dat is wel heel erg natuurlijk. Maar luister… Hebt u, heb jij gehoord, wat er met Pasen is gebeurd? Jezus is opgestaan uit de doden, om doden levend te maken. Ga met die boodschap, meisjes en jongens, op je knieën. Zeg dan maar heel eenvoudig: Heere, nu is het gepreekt dat U opgestaan bent om doden tot leven te wekken. Wilt U het ook bij mij doen?

We lezen van die vrouwen: En opziende… Je kunt het je wel een beetje voorstellen. Toen ze naar dat graf gingen, waren ze zó verdrietig en zó terneergeslagen. Ze liepen met hun schouders naar beneden en met hun hoofd naar beneden; dat doen we nóg, als we erg verdrietig zijn. Deze vrouwen keken niet vooruit, ze keken naar beneden, ze lieten het hoofd hangen. Maar dan gebeurt het wonder. De Heere richt Zélf hun hoofd op en richt hun ogen op het graf. Hij richt hun ogen op die afgewentelde steen. Dan is het die bedroefde vrouwen zo meegevallen. Hun droefheid zal spoedig in blijdschap veranderd worden.

En opziende… Zo gaat het nóg in het geloofsleven. Zó wordt donkerheid en droefheid in blijdschap veranderd.

En opziende… Als we door het geloof mogen zien op die opgestane Jezus, dan valt er licht in onze duisternis.

En opziende… Met die grafsteen in de hof van Jozef van Arimathea zijn alle stenen van verhindering voor Gods kinderen weggenomen. Gods recht is verheerlijkt, Christus is uit het graf verrezen en mét Hem is de Kerk verrezen.

De Levensvorst heeft uw balsem en mijn balsem niet nodig, laten we dat goed bedenken. Nee, Hij wil Zijn specerijen juist uitdelen aan krachtelozen, opdat Hij zou zeggen: … Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht (2Kor.12:9). Hoor de stem van de verheerlijkte Christus, Die Zijn specerijen blijft uitdelen van Zijn verzoening en kruisverdiensten. Die zijn het leven alleen.

Kom, hoe lang zult u nog twijfelen of de Heere Jezus wel voor u gestorven is? Hoe lang zult u nog twijfelen of Jezus voor u opgestaan is?

Kom schuldigen, kom moedelozen, kom twijfelmoedigen, de steen is afgewenteld. Het is u gepredikt dat Christus is opgestaan, opdat u Hem nodig zou krijgen. Jezus leeft. En Hij moge Zich in u verheerlijken in de kracht van Zijn dood en van Zijn opstanding. Want Hij is opgestaan om u uit de volheid van Zijn Middelaarsheerlijkheid alles te schenken.

De Heere leide ons zo in de vrijheid van de kinderen van God, opdat we zouden mogen zeggen: Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij (Gal.2:20).

Ds. J.S. van den Net

IK LEEF EN GIJ ZULT LEVEN

‘Nog een kleine tijd, en de wereld zal mij niet meer zien; maar gij zult Mij zien, want Ik leef en gij zult leven.’ (Johannes 14:19)

 

‘Gij zult Mij zien’, sprak de Heere. Dat wil zeggen: Mij zien met onuitsprekelijke vreugde met de ogen van het hart en dan verder met de ogen van het lichaam. ‘Want Ik leef’, zei de Heere. Dat wil zeggen: Ik blijf in het leven, hoewel Ik ook zal sterven, zoals in Psalm 118 staat: ‘Ik zal niet sterven, maar leven’. Zo heeft Hij dan de dood tenietgedaan, toen Hij, hét Leven, zich voor ons in de dood gegeven heeft. Hij heeft de dood zo geslagen dat hij niet slechts in Christus, maar ook in al Zijn heiligen en uitverkorenen overwonnen is. Dan doet het ons toch geen schade dat wij aan de aanslagen van de duivel blootgesteld blijven, de wereld ons kruisigt en in het graf legt, de zonde, die in ons woont, ons van de genade van Christus dreigt af te trekken. Ja, ondanks dat ons leven niets anders is dan een dood en die dood ons in allerlei gedaante aanvalt, zo doet het ons zelfs geen schade, net zo min als dit alles Christus, de Leidsman van onze zaligheid, geschaad heeft.

Gode zij dank, die ons de overwinning gegeven heeft in Christus Jezus onze Heere! O, mochten we deze woorden leren begrijpen: ‘Ik leef en gij zult leven’. Want van nu aan hebben wij het onderpand voor ons geestelijk en eeuwig leven, zoals ook voor ons tijdelijk leven, ja, voor vreugde in de Heere, voor gerechtigheid, voor vrijheid, voor vrede en rust, te midden van het gewoel van de vijanden om ons heen. ‘Jezus leeft en wij met Hem’! zo mogen wij juichen.  ‘Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?’ Ja, door de dood van Christus zijn zonde, duivel, dood en alle vijanden ten onder gebracht; hun toorn is krachteloos geworden.

Laten we onze Heere Christus kennen in Zijn troostvolle beloften, indien wij hem althans liefhebben en een hart hebben, geneigd om Zijn geboden te bewaren. Zodat wij tegenover onze vijanden steeds indachtig blijven dat de grote vis onze Jona heeft moeten teruggeven, hoewel hij Hem in zijn buik en in zijn ingewand had. Want dit is het woord van de Heere: ‘Ik ben uit het graf, en u komt er ook uit, ja Ik trek u achter Mij aan, want juist daartoe om u eeuwig te verlossen, liet ik Mij door de dood verslinden’. Het kost wel een harde strijd om dit te begrijpen en te geloven. Toch blijft het waar: ‘Ik leef en gij zult leven’. Daar helpt de Heere met Zijn Geest, de tedere Trooster, opdat wij het tegen de verschrikking en de vrees van het geweten en tegen de stoten, steken en aanvallen van onze vijanden met het hart verstaan en daarin onze rust vinden, wat de apostel Paulus op grond van deze woorden van de Heere aan de Romeinen schrijft, in hoofdstuk 6: ‘Wij weten, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft: de dood heerst niet meer over Hem. Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode. Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levend zijt in Christus Jezus, onze Heere’. Zo moet dan de stad Gods vrolijk blijven (want dat is het ‘leven’) met haar beekjes, met haar heilfonteinen van de Heilige Geest, die uit de troon van God en van het Lam hun oorsprong nemen, waar het heiligdom van de woningen van de Allerhoogste is. ‘Want God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen, God zal haar helpen in het aanbreken van de morgenstond’ (psalm 40). Hij helpt haar, Die ook gezegd heeft: ‘Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste en Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen’.

H.F. Kohlbrugge

DE STAD MET DE FUNDAMENTEN

Want hij verwachtte de stad, die fundamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is.  Hebreeën 11:10

Oude steden staan nog altijd in het middelpunt van de belangstelling. Menigeen trekt er heen en bewondert de architectuur ervan. Maar eenmaal zal er zelfs van de oudste steden der wereld niets meer gezien worden. Op de grote dag wordt alles wat de mens heeft opgetrokken, vernietigd. Niets is hier blijvend, het zal alles vergaan. Dan echter zal de stad gezien worden in haar glorie en heerlijkheid. Die stad is niet van beneden maar van boven. Zij is niet het product van ’s mensen kennen en kunnen. God is de Uitdenker en Bouwer van deze stad en wat de Heere uitdenkt en bouwt zal eeuwig bestaan.

Deze stad heeft fundamenten. In het Grieks staat het lidwoord erbij. Deze stad heeft dus de fundamenten. Het zijn zulke solide fundamenten, waarop deze stad Gods gebouwd is, dat deze stad van geen wankelen weet. Al zou de aarde veranderen van haar plaats, de stad Gods blijft. De bewoners van deze stad behoeven dan ook voor niets te vrezen. Zij wonen veilig. Geen onheil zal de stad verstoren, waar God Zijn woning heeft verkoren, zo zong de dichter.

Volgens de tekst heeft deze stad meer dan één fundament. Wilt u weten welke fundamenten dat zijn? Het eerste fundament is dat van Zijn eeuwig welbehagen. De Heere heeft naar Zijn volk omgezien uit vrije genade. De oorzaak van de zaligheid ligt in God. Naar het eeuwig voornemen Gods is het verkoren tot het eeuwige leven. Het heil van Gods volk ligt vast in Zijn verkiezende liefde. In die liefde staat deze stad dan ook eeuwig vast, zodat de apostel Paulus kan neerschrijven: ‘Evenwel het vaste fundament staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn’.

Deze stad is vervolgens gegrond in het bloed van de Heere Jezus Christus. Zij rust op Zijn volbracht Middelaarswerk. Ja, Hijzelf is het fundament van de stad, waarvan Gods Woord getuigt: ‘Want niemand kan een fundament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Christus Jezus’. Onder deze stad ligt ook het fundament van het eeuwig verbond, waarvan de Heere zegt: ‘Bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer’.

We ontdekken verder nog het fundament van Zijn trouw. Hij laat niet varen het werk van Zijn handen. Hij blijft getrouw en maakt Zijn Woord waar van nu aan tot in eeuwigheid. Welk een stad heeft de Heere. Hoe gaarne zou de satan dynamiet onder de fundamenten leggen, zodat zij in de lucht vlogen en totaal verpulverd werden. Echter alle inspanning is tevergeefs; niets gelukt hem. Deze stad verduurt de eeuwen en zal nimmer vergaan, omdat de Heere haar beschermt. Hij staat voor de veiligheid in. Hoe vervuld is deze stad met de heerlijkheid des Heeren. Geen zonde kan de stad binnendringen. Al onze driften en vleselijke lusten, al onze boosheid en verkeerdheid, ons ongeloof en wantrouwen, blijven buiten de muren van deze stad. In Gods stad heerst vrede, is wetsonderhouding, wordt de Heere gediend en geprezen. Op de straten hoort men zingen van Zijn heil en genade. Deze stad nu verwachtte Abraham.

Verwachten is een sterk woord en drukt uit spanning, activiteit. Het komt omdat er een hoopvol uitzien is. Men heeft grond om te hopen. Zo was het nu bij Abraham. Hij had een gegronde hoop.

De wortel van die hoop lag niet in Abraham zelf, maar zij lag in hetgeen de Heere beloofd had. En wat de Heere beloofd had, geloofde hij. Dit is de rijke vrucht van de Heilige Geest. De Heilige Geest had het verzegeld in zijn leven dat er voor hem een plaats bereid was in de stad Gods. Hij was tot deze zekerheid gekomen, dat hij een burger was van de stad, die fundamenten heeft. Hij was wedergeboren tot een levende hoop. Zijn domicilie had hij niet meer op aarde. Hij was uit God geboren. Vandaar dat hij dan ook al zijn heil van God verwachtte. Die stad Gods had voor hem ook waarde gekregen, ja was alles geworden. Immers in die stad wordt eeuwig genoten de gemeenschap met de Drieënige God. Daar is men verlost van zichzelf. Daar kan men niet meer zondigen en niet meer afwijken. Daar bedroeft men de Heere niet meer. Daar leeft men altijd tot eer van God. Daar eert men God. Daar bedoelt men altijd God. Een heimwee, een verlangen kende hij naar die stad, want die stad was zijn thuis. Van nature hebben wij hier onze domicilie, al wordt dagelijks gezien, dat wij hier geen blijvende stad hebben. Van huis uit zijn wij uit de aarde aards. De Heere schenke het nieuwe leven, dat van boven komt en ons naar boven richt. ‘Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo dorst mijn ziel naar God, naar de levende God. Wanneer zal ik ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen? ‘ Wie deze zielsgestalte kent, komt eenmaal thuis, ja, zal eeuwig bij God thuis zijn.

Wijlen ds. L. Blok

Deze meditatie is eerder verschenen in de Saambinder.

GODS WERK GAAT DOOR IN HET NIEUWE JAAR

‘Ziet, is het niet van den HEERE der heirscharen, dat de volken arbeiden ten vure, en de lieden zich vermoeien tevergeefs? Want de aarde zal vervuld worden, dat zij de heerlijkheid des HEEREN bekennen, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.’ (Habakuk 2:13 en 14)

 

Zoals elke profeet, is ook Habakuk een lijder geweest. Hij heeft het moeilijk gehad, moeilijk met Gods regering. Ziet de HEERE dan niet wat er plaatsvindt aan zonde en ongerechtigheid en doet Hij er niets aan?

‘t Is begonnen in Juda, in de kerk zou je zeggen, binnen de kring van Gods verbond. Daar is de liefde geweken en de goddelozen zijn de toon aan gaan geven, zodat de rechtvaardigen geen leven meer hadden. En toen heeft God gezegd: Habakuk, ‘t zal nog erger worden, want de Chaldeeën zullen komen. “Want ziet, Ik verwek de Chaldeeën, een bitter en snel volk, trekkende door de breedte der aarde, om erfelijk te bezitten woningen, die de zijne niet zijn” (Habakuk 1:6). Neem in zulke omstandigheden de dienst des HEEREN maar eens waar; kom dan maar eens uit voor Zijn Naam en Zijn zaak. En tóch, Habakuk doet het, niet in eigen kracht, maar in geloof.

En hij komt met God niet bedrogen uit. De HEERE doet hem zien waarop het alles zal uitlopen. De goddelozen, zowel binnen als buiten de kring van het verbond, zullen ondergaan. “De HEERE zal opstaan tot de strijd; Hij zal Zijn haters, wijd en zijd, verjaagd, verstrooid doen zuchten”. Want alles wat de vijanden van God en van Zijn heilig kind Jezus klaarmaken, is te karakteriseren met één woord: ‘tevergeefs’.

“Ziet, is het niet van de HEERE der heirscharen, dat de volken arbeiden ten vure, en de lieden zich vermoeien tevergeefs?” (vers 13). Alles wat de vijanden en de goddelozen doen, blijkt uiteindelijk bestemd te zijn voor het vuur, dat alles is tevergeefs, letterlijk: ‘t is ijdelheid, hol, leeg, van geen betekenis. En wat staat daar tegenover?

“Want de aarde zal vervuld worden, dat zij de heerlijkheid des HEEREN bekenne, gelijk de wateren de bodem der zee bedekken” (vers 14). De heerlijkheid des HEEREN, dat is de majesteit en de grootheid van de HEERE.

Psalm 97 zingt daar indrukwekkend van. De bergen smelten als was en de hemelen verkondigen Gods gerechtigheid en alle volken zien Zijn eer. De aarde zal de heerlijkheid des HEEREN bekennen. Dwars door de zonde van geweld, van hoogmoed, van eigen gerechtigheid gaat God door met Zijn werk. Dat geldt ook vandaag. Hoe staat het erbij in de wereld? Hoe is het in Zijn kerk?

Onderdrukking, hardheid, liefdeloosheid, ingezonkenheid. Staan we dan net als Habakuk om de dienst des HEEREN waar te nemen in geloof en in kracht, die God verleent? De HEERE gaat immers door, daar staat het woordje ‘zal’ garant voor. Want het is Kerstfeest geweest. Toen is het gebeurd, dat de heerlijkheid des HEEREN de herders omhulde. En engelen zongen: “Eer, heerlijkheid aan God”.

Waarom? Wel, de Held der hulp is er; Jezus is er. Hij is er. Die de arme en nooddruftige zal helpen en de rechtvaardige zal redden. Wat betekent ten diepste al wat de goddelozen doen op aarde in vergelijking met wat Jezus komt doen? Zijn verlossingswerk zal zich uitstrekken tot aan de einden der aarde. En daarom, hoeveel weerstand de kribbe van Bethlehem en het kruis van Golgotha ook oproepen, hoe hardnekkig de mensen zullen blijken te zijn in ongeloof en onbekeerlijkheid. God de HEERE gaat door, ook in dit nieuwe jaar. Zijn welbehagen zal door Christus’ hand gelukkig voortgaan.

Alle verdienste is uitgesloten, het is genade alleen. Alle werk schiet tekort, behalve Jezus’ werk; alle gerechtigheid is onvoldoende, behalve de Zijne, alle naam gaat onder, maar Zijn Naam zal eeuwig eer ontvangen. De dag nadert, waarop alle tong zal belijden, dat Jezus Christus de Heere is tot heerlijkheid van God de Vader. Dan is vervuld het Woord van God bij monde van David in Psalm 72: “En geloofd zij de Naam Zijner heerlijkheid tot in eeuwigheid en de ganse aarde worde met Zijn heerlijkheid vervuld. Amen, ja amen.”

Ds. R. Kattenberg

PROFETIE VAN BILEAM

‘Er zal een ster voortkomen uit Jakob, en er zal een scepter uit Israël opkomen; die zal de palen der Moabieten verslaan, en zal al de kinderen van Seth verstoren.’ (Numeri 24:17)

 

De adventsdagen bepalen ons vaak bij profetieën in het Oude Testament die heenwijzen naar de komst van de beloofde Verlosser Jezus Christus, het Woord dat vlees zal worden. Het kwam in vervulling, toen Hij geboren werd in de kribbe van Bethlehem. Maar de kerk van het Nieuwe Testament eindigt niet in de kribbe van Bethlehem, want wij weten het: Hij ís gekomen en Hij lág in de kribbe, maar óók: Hij is opgestaan uit de doden en Hij leeft en zal eenmaal weerkomen om te oordelen de levenden en de doden.

Eén van deze teksten die gaan over de komst van Christus, is de profetie van Bileam. In de geest ziet hij een Persoon in een luisterrijke en heerlijke waardigheid. Hij ziet hem in een schittering, zó glansrijk, dat hij uitroept: Er zal een ster voortgaan uit Jakob, en er zal een scepter uit Israël opkomen.

Een ster uit Jakob… Jakob, die op zijn sterfbed zijn zoon Juda mag aanwijzen: Juda, gij zijt het (Gen. 49:8). Uit u zal Mij voortkomen Die een Heerser zal zijn in Israël (Micha 5:1).

Straks komt uit de lijn van Jakob het koninklijk geslacht van David. En dan zal aan David de belofte gedaan worden dat zijn huis altijd iemand zal hebben die op de troon zal zitten, Jezus Christus en Die gekruisigd. De Heere heeft Jakob liefgehad en uit Jakob zal die Zaligmaker en Verlosser komen. En als Bileam Hem hier tekent, dan is dat als ‘de ster van Jakob’. Ja, dat zal Hij zijn, de blinkende Morgenster. De blinkende Morgenster die zijn licht zal laten schijnen in de duisternis.

Er ligt in het beeld dat Bileam gebruikt ook nog een oosters accent. In het oosten werden de koningen en heersers wel aangeduid met een embleem van een ster of een zon. Op die manier werd het heerlijke, het luisterrijke en het blinkende van het koningschap aangeduid. Zo wordt ook in die ster van Jakob de Zaligmaker aangeduid in Zijn koninklijke waardigheid, heerlijkheid en heerschappij.

De tekst vervolgt: Die (die blinkende Morgenster) zal de palen der Moabieten verslaan en zal al de kinderen van Seth verstoren. De Heere draait het om: Bileam moet niet Israël vervloeken, maar Moab.

Dit is het woord van God, een woord dat waar is. Dat is een vloek die ook voltrokken wordt, want als God vloekt, dan wordt dat ook voltrokken. Mensen kunnen ook wel vervloeken, maar dat kan een lege vervloeking zijn. Maar als God Zijn vloek uitspreekt, dan wordt die volvoerd. Zo ook met Moab. David zal later de Moabieten onderwerpen. Na Achabs dood komen zij weer vrij. Maar later worden de Moabieten en de Amonnieten van de kaart geveegd. Zij zijn niet meer te vinden tot op de dag van vandaag. Ze zijn weggevaagd, maar Israël bestaat nog.

En dan staat er nog bij, aan het einde van de tekst: En zal al de kinderen van Seth verstoren, dat wil zeggen: verbreken. ‘Seth’ kan ook vertaald worden met ‘rumoermaker’. Mensen die krijgsrumoer veroorzaken, die denken dat zij goed tegen God kunnen vechten en staande blijven.

Maar, zoals Johannes het tekent in Openbaring, Christus zal met de adem van Zijn mond de vijanden verdelgen en verslaan. Alles zal ten onder gaan en geveld worden voor die ster uit Jakob, voor die scepter uit Israël. Dan zullen alle geestelijke Moabieten en Amonnieten, allen die niet hebben willen buigen voor Koning Jezus, met de adem van Zijn mond voor eeuwig worden weggestoten in de poel die brandt van vuur en zwavel. Hij zal de palen der Moabieten verslaan, en Hij zal de kinderen van Seth verstoren, allen die vijand zijn.

En weet u wat Hij nu ook kan? Die ster van Jakob, die Koning van Israël, kan die geestelijke Moabieten veranderen, Hij kan hen van vijanden tot vrienden maken. Dat is het heden van de genade. Geestelijke ordeverstoorders, geestelijke vechters tegen God, Hij kan ze nog aan Zijn voeten leggen zoals Saulus. Een wolf kan Hij maken tot een lam, want Hij spreekt en het is er; Hij gebiedt en het staat er.

Wij zijn nog in het heden van de genade, en nu wordt Hij nog gepreekt als de Verlosser, die ster uit Jakob in de donkere nacht. Een licht, zo groot en schoon, dat is de Zaligmaker Jezus Christus. Die blinkende Morgenster zal verschijnen en zal maken dat ook Zijn volk straks met Zijn heerlijkheid bekleed is, zonder vlek en zonder rimpel, eenmaal verlost van alle zonde, en van de strijd en van de aanvallen van de Moabieten en de Ammonieten en noem ze maar op. Eenmaal verlost van alle vijanden van de Kerk mag zij boven zijn met Hem drie-enig. Om Hem toe te brengen alle lof, en alle aanbidding, en alle dankzegging, van nu aan tot in eeuwigheid.

Ds. K. de Gier

DANKDAG – ELIA BIJ DE BEEK

‘En de raven brachten hem des morgens brood en vlees, desgelijks brood en vlees des avonds; en hij dronk uit de beek.’ (1 Koningen 17:6).

 

Elia moest van de Heere naar koning Achab en tegen hem zeggen: Zo waarachtig als de HEERE, de God Israëls, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord. (….) Hoe zou Achab hierop reageren? Nou, dat vindt hij helemaal geen fijne boodschap. Daarom zegt de Heere tegen Elia dat hij zich moet gaan verstoppen bij de beek Krith, want Achab zal op zoek gaan naar Elia. Maar Achab vindt hem niet.

De beek Krith lag ten oosten van de Jordaan. Daar is voorlopig genoeg water. Voor het eten zal de Heere Zelf zorgen. Ja, want de Heere heeft aan vógels, aan ráven opdracht gegeven om Elia te onderhouden. Elia doet wat de Heere hem gezegd heeft, hij vertrekt naar de beek Krith aan de andere kant van de Jordaan en gaat daar wonen.

Zien we Elia zitten bij die beek? Elia zit er eigenlijk als een soort kóning, als koning over de schepping. Hij wordt gediend door de dieren, het lijkt wel een soort hersteld paradijs. Dat wat leek op vernedering krijgt iets in zich van verhoging, van de bekroning met Gods goedertierenheid. Het is er een teken van: Elia, deze onbegrepen weg is een weg in Gods gunst.

Van het manna in de woestijn en van het water uit de steenrots zeggen we dat het wijst op Christus Zelf. Zo wijzen deze eten-brengende raven ook naar de Heere Jezus. De verslindende raaf moet zijn buit af staan en Elia deelt in de vrucht, de satan wordt verslonden tot overwinning en mensen delen in de vrucht. Wie is Elia in dit beeld dus? Hij is een beeld, een symbool van de erfgenamen van God en van Christus, van mensen met een nieuw hart ten behoeve van wie de wereld met al het geschapene er nog is.

Kennen we op dankdag iets van de volheid van Christus waarin voor álles gezorgd wordt? En dan bedoel ik met ‘alles’ ook echt ‘alles’.

De Heere wijst Elia de weg, dat eerst. Voor u ook, het afgelopen jaar? En voor jou? Maak het maar zo breed als je zelf wilt. Misschien had je er bij jezelf de nodige bedenkingen bij. Hoe zal het gaan? Zal het wel gaan? Maar Elia gíng. Bedenk dat het zo nog kan gaan wanneer de Heere wegen wijst. Die wegen kunnen voor veel vragen zorgen. Die wegen kunnen haaks staan op wat je als mens zou bedenken. Denk aan Filippus die de weg gewezen kreeg naar het zuiden, de weg die woest is en leeg. Maar hij ging.

Zo ging het dus eerder ook met Elia. Dit is je weg, Elia. En hij ging. Dan is dankdag houden ‘amen’ zeggen. Het is waar en zeker, ik zal doen wat U zegt, Heere. Maar dan ook het andere. Misschien weten we nog waar we op biddag om gebeden hebben. Ik hoop dat we dan ook weten waar we op dankdag voor danken moeten. Maar ook waarom we daar op dankdag voor danken moeten. Namelijk omdat je het hebt ontvangen – uiteindelijk van de Heere alleen. Denk maar aan Elia. Wat voelde hij zich afhankelijk van de Heere en wat heeft de Heere goed gezorgd. Zo was het ook voor ons. In de weg van de afhankelijkheid blijkt zelfs in de kleinste dingen de zorg en goedheid van de Heere. Dan ga je leren hoe waar het is: Hij geeft het Zijn beminden zelfs in de slaap. Wat heb je dan met Elia aan de oevers van die eenzame en onherbergzame beek Krith een goed leven! Veel beter dan Achab heeft in zijn paleis. Elia heeft wat hij kreeg, ontvangen in de gunst van de Heere, vanuit Zijn liefdeshart. Dat maakt alles uit!

Elia kreeg een les in diepe en totale afhankelijkheid: Elia, vertrouw op Mij, Ik zal voor je zorgen, zei de Heere. Hij moest leren gehoorzamen in het gaan naar de beek Krith, en ook in het rustend wachten. Elia moest leren dat Gods gedachten hoger zijn dan de zijne. Maar vooral moest Elia onderwijs krijgen in het geheim van Gods liefde voor hem.

Naar Achab toe sprak hij van God als de wrekende Gerechtigheid. Maar hij ontmoet hier God als de Barmhartige. Roofdieren worden zelfs ontboden en ze dienen hem – dat is liefde, de liefde van Christus.

Hebben wij zo de afgelopen periode ons brood gegeten en ons water gedronken? Dan mag je zeggen dat je elke dag geleefd hebt uit Gods hand, en het smaakte alles naar genade. Wat een zegen is dat. Wat zal Elia de Heere gedankt hebben daar bij het water.

Zijn machtig’ arm beschermt de vromen,

En redt hun zielen van den dood;

Hij zal hen nimmer om doen komen

In duren tijd en hongersnood.

In de grootste smarten

Blijven onze harten In den HEER gerust;

‘k Zal Hem nooit vergeten,

Hem mijn Helper heten,

Al mijn hoop en lust.

Ds. R.A.M. Visser

HOOP OP HERLEVING

‘Breng ons weder, o God onzes heils, en doe te niet Uw toornigheid over ons. Zult Gij eeuwiglijk tegen ons toornen? Zult Gij Uw toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht? Zult Gij ons niet weder levend maken, opdat Uw volk zich in U verblijde?’ (Psalm 85:5-7)

We weten allemaal dat het niet goed gaat in ons land. De geestelijke toestand van ons land, dat ons lief is en waarin wij met onze opgroeiende kinderen leven, verslechtert in hoog tempo. In veel gezinnen, maar ook op politiek niveau en in de rechtbanken wordt het Woord van God vertrapt en afgewezen. Wat in vroegere generaties werd gefluisterd, wordt vandaag geschreeuwd en van de daken geroepen. We zijn een land waarop de toorn en de wraak van de Heere rust!

De dichter van Psalm 85 verkeert in nood. Toch geeft hij de schuld van zijn situatie niet aan de Babyloniërs of de Perzen of welke vijand van het volk van Israël dan ook. De historische context van Psalm 85 is niet helemaal duidelijk, maar wel duidelijk is dat de dichter in vers 4 spreekt over Gods verbolgenheid over Zíjn vólk. Keer af uw toorn over óns. Hij kijkt niet naar de wereld en de kwaden om hem heen. Hij kijkt naar zichzelf.  Ons. Wíj hebben gezondigd. Het bederf van een land begint altijd bij de kerk, wanneer het getrouwe, profetische geluid van Gods Woord wordt gedempt en tot zwijgen wordt gebracht. Wanneer het zwaard van de Geest bot wordt of verhuld wordt.

Waarom is er een herleving nodig binnen onze kerken? Dat is omdat onze kerken de toorn van Jehova tonen. Ons lánd ligt onder de toorn van God. Lees bijvoorbeeld eens Romeinen 1 en u ziet om ons heen gebeuren wat daar staat. Waar gaan we heen? De geschiedenis herhaalt zich. God oordeelt elk volk, elk land, op dezelfde manier. Vooral landen die het Woord van God hebben ontvangen. En dat hébben wij. Aan ons zijn de woorden van God toebetrouwd! Niet alleen ons land, ook onze kerken vertonen bewijzen van Gods rechtvaardige toorn.

Waarom houdt God Zich van ons terug? Er zijn veel redenen, gemeente, om onszelf te onderzoeken, als ambtsdragers en als kerkgangers. Wij moeten onderzoeken. ‘O God, doorzoek mij, ken mij, beproef mijn hart. Laat mij dan zien: wat is het? Wat is het, in mij, in mijn dienstwerk, in mijn denken en in mijn hele leven dat U doet terugdeinzen en waardoor U Zich van ons terughoudt?’

Wat zal herleving doen? In vers 7 lezen we over de vrucht van herleving: opdat Uw volk zich in U verblijde. Dat Uw volk zich in U mag verheugen en Gods heil mag ervaren. Opwekking uit de hemel zal herstel brengen van wat vergaan is, herstel van wat ingezonken, dof, zwak en vreesachtig is geworden.

Waar is de hoop op zo’n herleving in onze dagen? Nu vraagt de psalmdichter: Zult Gij Uw toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht? Van generatie op generatie? Wat gebeurt er dan met onze kinderen en onze kleinkinderen en onze achterkleinkinderen? Wat is dan de grond van zo’n hoop op opwekking?

Vrienden, die hoop ligt in de soevereiniteit van God. Dat is de hoeksteen van de hoop. Dat is de hoeksteen van troost. Dat is de rots van de Schrift. God is soeverein. Hoewel wij niets anders verdienen dan weg te zinken in het gat dat wij hebben gegraven, is Hij soeverein om Zijn eigen zaak te doen herleven en Zijn volk te bezoeken en Zijn glorie in deze gevallen wereld voort te brengen.

Kom, hoe begon het in het paradijs, toen de mens van God wegliep? Toen wij in opstand kwamen tegen de Almachtige, toen wij Zijn werk vernietigden, was er toen de hoop op een zoekende God? Hij is een soevereine God. Hij kwam, zoekende, zoals Hij vandaag kwam en zocht.
Als het van onze kant moest komen, dan zou er geen hoop zijn. Dan zou alleen de duisternis er zijn van onze diepe val. Dan zou er vandaag voor ons geen verwachting zijn. De psalmdichter brengt ons tot dat punt in de laatste helft van deze Psalm, waarin hij op zo’n poëtische manier de glorie van Jezus Christus naar voren brengt in eigenschappen, die schijnbaar tegenstrijdig zijn en toch samengaan. Gerechtigheid en vrede zullen elkander kussen. De psalmdichter leidt ons naar het kruis. Het kruis van Jezus. Inderdaad, het is alleen in Hem en door Hem, dat onze heilige en rechtvaardige God een weg heeft uitgedacht waardoor Hij barmhartigheid kan tonen en over ons en onze generaties de Heilige Geest kan uitstorten, om ons te doen herleven en ons te herstellen. Het is alleen vanwege Christus’ verdiensten en Zijn opstandingsleven, waardoor Hij dood en satan en zonde heeft overwonnen, dat Hij ook vandaag vrij en soeverein in ons midden kan komen om ons opnieuw te herstellen, om ons opnieuw te verlevendigen. Alleen Hij is de Hoop op herleving in onze dagen!

Ds. A.T. Vergunst

ZIJN WOORDEN IN UW HART

‘En deze woorden, die ik u heden gebied, zullen in uw hart zijn’ (Deuteronomium 6:6).

Deze woorden komen uit de afscheidspreek van Mozes tot zijn volk. Hij houdt deze preek met grote ernst en liefde en met een priesterlijk bewogen hart. Gods woorden, Gods wet. De Tien Geboden zoals die ons elke zondag als een spiegel worden voorgehouden. Deuteronomium betekent letterlijk ‘herhaling van de wet’. Mozes ziet het volk, de kinderen Israëls, de vaders en de moeders, de ouderen en de kleine kinderen. Hij denkt aan de wereld waarin hij leefde en de kinderen groot werden – deze Gode vijandige wereld. Hij denkt aan de omringende heidenvolkeren. Hij weet dat zijn eigen volk zo gemakkelijk aansluiting zoekt en vindt, en de knieën zo makkelijk buigt voor de afgoden. Hij onderkent dat het zich hardnekkig vermengt met de omringende heidenvolkeren. Hij weet van hun boze, verdorven hart, want Mozes is een man die zelfkennis heeft. Hij is van dezelfde lap gescheurd.
Eerst wijst Mozes het volk op de goedheid en de trouw van de Heere, op Wie God voor hen geweest is. Hoe Hij hen uit Egypteland uit het diensthuis uitgeleid heeft. Dan herinnert Mozes het volk eraan hoe de woorden van God vol majesteit plechtig klonken vanaf de Sinaï: ‘Ik ben de Heere, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb’ (Ex.20:2). De woorden Gods.
U ziet een samenvatting van die woorden in vers 5: ‘Zo zult gij den HEERE, uw God, liefhebben, met uw ganse hart en met uw ganse ziel en met al uw vermogen’. Mozes mag als een hemelgezant het volk voorhouden: ‘O Israël, houdt u toch aan Gods Woord en blijf dicht bij de Schrift. Wees gehoorzaam. Houdt u aan al de inzettingen en geboden die ik u gebied, en aan uw kinderen en kindskinderen.’
In vers 3 staan ook vier belangrijke woorden. In die woorden staat het doel van de prediking, het doel van het verenigingswerk. Gods doel met de middelen van Zijn genade: Opdat het u welga. Deze woorden zijn de kern.
Daarom zit je op een christelijke school, jongens en meisjes. Daarom ben je geboren uit christelijke ouders. Daarom gaat Gods Woord elke dag open en krijg je catechisatie. Daarom kom je ook in de kerk: opdat het je welga! God heeft geen lust in je dood en in je ondergang, die je wel hebt verdiend door je zonden. Maar de Heere heeft daar geen lust in, maar Hij wil dat je je bekeert. Hij wil dat je gehoorzaam bent en leeft en Hem liefhebt, opdat het je welga. Jullie weten toch wel dat de Heere geen genoegen neemt met verstandsgodsdienst? Daarmee kun je voor God niet bestaan, omdat de echte liefde daarin wordt gemist. De wortel van de wedergeboorte ontbreekt. De woorden van God moeten in uw hart zijn. Het mag niet alleen buitenkant zijn. Het begint vanuit God, de liefde van God, moet in uw hart zijn. De Heere ziet het hárt aan. Als er één mensenkennis heeft, dan is het Mozes. Hij heeft heel wat meegemaakt met dat volk. Hij kent ook zijn eigen hart. Hij weet van de eeuwige genade en de liefde van God in zijn persoonlijke leven. Daarom zegt hij: ‘Deze woorden die ik u heden gebied, zúllen in uw hart zijn.’
Ons hart moet worden verbroken. Het moet worden opengemaakt. U zegt: ‘Ik heb te veel gezondigd. Mijn hart is te hard. Ik ben te oud. Mijn hart is te gesloten. Ik ben te onwillig.’ U bent niet te onwillig. U bent niet te oud. U hebt niet te veel gezondigd. Uw hart is niet te hard. De Heere verbreekt nog steeds harde harten. Eén druppeltje van Zijn liefde en dan is het gebeurd. Hij maakt nog steeds van vijanden vrienden. Hij is de grote Herschepper. Hij doet het door Zijn Woord, onder de preek, op de catechisatie, op de vereniging en thuis door Woord en Geest. Gods Woord is als dynamiet. Het is een kracht Gods tot zaligheid. Een zaad van wedergeboorte voor eenieder die gelooft. Daarom: het kan ook voor u en jou. Je hoeft niet te wanhopen. Hoop toch op de Heere en kom aan Zijn voeten zoals je bent.
Mozes zegt als tolk van de hemel tegen u de woorden van Gods genade. De boodschap van heil, de blijde, goede boodschap in deze ondergaande wereld: die woorden moeten in uw hart zijn. Ziet u het gebiedende in de woorden van onze tekst: ‘Deze woorden die ik u heden gebied (…)’. ‘Zo gij Zijn stem dan heden hoort, gelooft Zijn heil en troostrijk woord. Verhard u niet’. U kunt hier niet onderuit, want de boodschap is helder genoeg! Hier kun je niet over discussiëren. Zo mogen we met deze boodschap niet omgaan. De woorden zúllen in uw hart zijn. Ik gebied het u.

Ds. D.W. Tuinier

DE WOLKKOLOM EN DE VUURKOLOM

‘En de HEERE toog voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom, dat Hij hen op den weg leidde, en des nachts in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht. Hij nam de wolkkolom des daags, noch de vuurkolom des nachts weg van het aangezicht des volks’ (Exodus 13: 21 – 22).

De vakantietijd is weer aangebroken. Velen gaan op reis, op weg naar hun vakantiebestemming. Misschien ver weg in het buitenland of misschien wat dichterbij. Of misschien blijft u het liefst thuis. Ook dan moeten we niet vergeten dat we allemaal op reis zijn, ook al gaan we niet weg in de vakantie. De Bijbel, het Woord van God, leert ons, dat we reizigers zijn op weg naar de eeuwigheid. We reizen naar de grote eindbestemming. In Exodus 13 gaat het over de grote Reisleider op deze reis. ‘En de Heere toog voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom (…) en des nachts in een vuurkolom’. De Heere toog voor hen uit. God gaat het volk van Israel én ons voor. De Heere gaat voor op die voor ons onmogelijk schijnende weg. Hij is de grote Reisleider, de grote Gids. Laten we de tekst goed lezen. Het gaat over de wolkkolom en de vuurkolom. Wellicht denken we dat die hen voorgingen, maar dat staat er niet. Er staat niet dat ze het daarvan moesten hebben. Nee, de Héére toog voor hun aangezicht des daags in een wolkkolom en des nachts in een vuurkolom. Het is de Heere Zélf. God Zelf gaat mee.

De weg door de woestijn was geen makkelijke weg. Maar de Héére toog toch voor hun aangezicht? Dan gaat het toch allemaal goed? Als de Heere meegaat en er is schaduw van de wolkkolom overdag en ’s nachts een vuurkolom, dan gaat het toch best? Ja, hadden ze dat nu maar steeds geloofd. Hadden ze daar nu maar altijd op vertrouwd, maar we lezen iets anders.

Daar staan de Israëlieten voor de Rode Zee. Ze kunnen niet verder. Hoe moet het nu? Vóór hen de Rode Zee, opzij de bergen en achter hen de vijand. Een onmogelijke weg. En dan beginnen ze te klagen, te murmureren. Je zou zeggen: ‘Ja maar, de Heere heeft u toch uitgeleid? Kijk eens naar de wolkkolom en de vuurkolom. De Heere zal u bewaren, Hij zal u beschermen. De Heere is uw Herder, u zal niets ontbreken. Vertrouw op Hem.’ Maar dán blijkt dat het ongeloof en het verdenken van de Heere nog zó sterk is. Dan beginnen ze te mopperen en te murmureren. Ze spreken tegen Mozes en Aäron: ‘Waarom hebben jullie ons uit Egypteland geleid? We hadden beter in Egypte kunnen blijven.’ Wat hebben ze harde gedachten van God.

We lezen in vers 22: Hij nam de wolkkolom des daags, noch de vuurkolom des nachts weg van het aangezicht des volks. Wat een wonder! Heel die reis door de woestijn, nam Hij de wolkkolom en de vuurkolom niet weg, ondanks alle zonde, ondanks het ongeloof en de harde gedachten die ze soms van de Heere hadden. O, wat een trouw! De Heere is zo getrouw als sterk. Hij is de Getrouwe, de Eerste en de Laatste. Hij leidde het volk uit Egypteland en Hij leidde hen heen naar het beloofde land. Telkens weer kwam de Heere hen te hulp. Verderop in de geschiedenis beginnen ze wéér te mopperen als er geen water is. Maar de Heere opent de rots en er komt heerlijk fris stromend water uit. Als ze honger hebben, geeft de Heere dat heerlijke manna uit de hemel. De Heere is goed.

Wat is dat wonderlijk. Ondanks het gemurmureer, het ongeloof, het gemopper en de boze gedachten: ‘Mozes, zijn we daarvoor nu uit Egypteland gegaan? Moeten we nu hier sterven?’ Ondanks al dat ongeloof is de Heere de Getrouwe. Wat is dat een troostrijke gedachte. Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten (Hebr.13:5). Hij nam de wolkkolom des daags, noch de vuurkolom des nachts weg van het aangezicht des volks (Exodus 13:22). Is het u weleens een wonder geweest?

Misschien zijn er vandaag mensen die zeggen: ‘Ik ben moedeloos. De weg is lang en moeilijk. Zou ik wel ooit het Beloofde Land ingaan? Ik vrees dat ik halverwege nog voor eeuwig zal omkomen.’ De Heere is de Getrouwe. Hij nam de wolkkolom en de vuurkolom niet weg, ondanks moedeloosheid, ondanks zonde en ongerechtigheid. Asaf zingt in Psalm 73: Hoe donker ooit Gods weg moog’ wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vrezen. In Psalm 68 zingen we over de woestijnreis van het volk van Israël uit Egypte naar Kanaän: Daar staat niet: Gij hebt de kinderen van Israël dat land bereid door Uw sterke land. Nee, er staat: Gij hebt ellendigen dat land bereid door Uwe sterke hand, o Israëls Ontfermer. Zó komen ze Thuis!

 

Ds. J.B. Zippro

OVERVLOEIENDE BEKER

‘Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende’ (Psalm 23:5).

De beker van verlossing is een overvloeiende beker. Deze beker is gevuld met de zegen van de vergeving der zonden, de toerekening van Christus’ gerechtigheid, de aanneming tot kinderen van God, de verzegeling met de Heilige Geest en de bewaring tot de eeuwige zaligheid. Is dat geen overvloeiende beker?

Velen van Gods kinderen hebben niet zo’n overvloeiende beker. Zij zeggen het David niet na: ‘mijn beker is overvloeiende’. Zij gaan klagend en zuchtend hun weg. Zij zijn heel hun leven aan de dienstbaarheid onderworpen en van de jeugd doodbrakende. Zij kunnen David en andere kinderen van God niet begrijpen, die spreken van een overvloeiende beker van troost en zielenvreugde. Zij vertellen u hoelang en ernstig zij al proberen om hun beker te reinigen van alle zonde en onreinheid. Zij zoeken hun beker schoon te wassen met tranen en berouw. Zij zoeken hun beker geschikt te maken voor de ontvangst van Gods genade in de weg van gebeden en heilige ernst. Zij vergeten echter dat de enige weg om de beker gevuld te krijgen, is om met een lege beker tot Christus te gaan. Zij zien niet, dat wij dan het meest geschikt zijn om door Christus gered te worden, wanneer wij als een ongeschikte en onwaardige tot Hem gaan. Onze beker blijft zo leeg, omdat wij het bij de gebroken bakken van het werkverbond zoeken. Wij zijn meestal nog zo rijk met ons klagen. Wie met een lege beker en een dorstig hart tot Christus komt, zal spoedig met David kunnen instemmen: Mijn beker is overvloeiende.

Wat een gezegende Herder is Jehova! David zingt van Hem: ‘Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende.’ Hoe groot uw zonden ook zijn; het bloed van Jezus Christus kan u genezen. Zoals het water van de zondvloed ver boven de hoogste berg uitrees, zo stijgt het bloed van Christus in kracht uit boven uw schuld en zonden. Van Christus zegt God in Zijn Woord: ‘Waarom Hij volkomen zalig maken kan, al degenen, die door Hem tot God gaan.’ De Zaligmaker Zelf voegt er aan toe: ‘En die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen.’ Vlucht dan toch tot deze Zaligmaker! Vertrouw uw

ziel in Zijn handen. Zie op een bloedende Jezus en roep: ‘Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner!’ U kunt zichzelf niet genezen. Het is zo waar, wat Luther aan de jonge Melanchton die zichzelf ook trachtte te genezen, schreef: ‘De oude Adam is te sterk voor de jonge Melanchton’.

De genezing is alleen te vinden in het bloed van Christus. Wij kunnen het bedreven kwaad niet ongedaan maken en de boosheid van ons hart niet genezen. De hemelse Herder kan dit wel. Hij staat gereed met de balsem van Gilead om alle gebrokenen van hart te helen. Davids beker was overvloeiende. Mensen zoeken hun levensbeker te vullen met geluk en vreugde. Wat dat betreft zijn wij allen op zoek naar het verloren Paradijs. Zij slagen er echter nooit in om hun beker te vullen. Zij zoeken hun beker gevuld te krijgen bij de verkeerde bron. Zij zoeken voldoening te vinden in rijkdom, macht, roem, plezier en genot. Dorstig haasten zij zich tot de gebroken bakken van een leven zonder en buiten God en Christus. Maar de wereld kan onze beker niet vullen. De wereld is gelijk aan de dochters van de bloedzuiger, die alleen maar roepen: geef, geef! Toen Alexander de Grote de gehele wereld aan zich onderworpen had, liep hij wenend door zijn paleis. Op de vraag van zijn hovelingen wat er aan scheelde, antwoordde hij: ‘Ik ben bedroefd omdat er maar één wereld te overwinnen is.’ Er is geen geluk en voldoening buiten God. Teleurstelling is het einde van een zoeken naar geluk buiten God en Christus.

Doe daarom niet als de goddelozen, die luid roepen: ‘Wijk van ons, want wij hebben aan de kennis van Uw wegen geen lust.’ Hem zal eens een beker ter hand gesteld worden, waarvan de Schrift zegt: ‘Want in de hand des Heeren is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit, doch alle goddelozen der aarde zullen zijn droesem uitzuigende drinken’ (Jeremia 51:7).

Gods kinderen worden echter aan de ingang van de eeuwige schaapskooi opgewacht door hun hemelse Herder. Zij zullen geleid worden naar de fonteinen van het water des levens en voor eeuwig met David zeggen: ‘Mijn beker is overvloeiende.’

Ds. C. Harinck