Met elkaar in gesprek

“En Naomi zeide tot haar schoondochter Ruth: het is goed mijn dochter, dat gij met de maagden uitgaat… en zij bleef bij haar schoonmoeder.” (Ruth 2:22-23) “Mijn dochter! Zou ik u geen rust zoeken, dat het u welga?” (Ruth 3:1b)

 

Wat is het toch een grote zegen als de familieverhoudingen goed zijn. Als de goede raad van je schoonmoeder niet wordt opgevat als bemoeizucht. Als er wezenlijke gesprekken zijn over de dingen van het dagelijks leven in het licht van het geloof.

Het is toch schitterend als je die oude Naomi tegen Ruth hoort zeggen: het is goed mijn dochter. Mooi ook als je leest dat Ruth haar goede raad opvolgt en trouw blijft op de akker van Boaz en dat ze ook trouw blijft inwonen bij haar schoonmoeder.

Het is goed mijn dochter, blijf maar op de akker van Boaz. Blijf maar op de velden van het Evangelie. Zo mogen we elkaar aansporen om de Heere te zoeken en de toevlucht te nemen tot de Heere Jezus Christus, Die, naar het woord van de apostel Paulus in 1 Korinthe 15 is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften; en ook is begraven, en Die ook is opgewekt ten derde dage, naar de Schriften (vers 3b-4).

Wat een troost is het, als je gebukt gaat onder de last van je zonden en je verlangt naar de verzoening met God, om te horen dat Jezus Zijn leven gaf aan het kruis voor onze zonden. Dat Hij de straf op de zonde gedragen heeft. Maar ook dat Hij is opgestaan en dat Hij zo de verzoening met God heeft aangebracht. Nu kan de grootste zondaar nog met God verzoend worden. En dat is toch een heerlijk Evangelie.

Laten we elkaar de raad maar meegeven, net als Naomi aan Ruth: blijf toch op de akker van Boaz. Er is geen andere Zaligmaker dan de gekruiste en opgestane Heiland. En wie in Hem gelooft, heeft het eeuwige leven. Christus is gewillig om u te zaligen en de Heilige Geest is gewillig om het geloof in uw hart te werken.

En als u verachterd bent in de genade en het zicht op de Heere Jezus bent kwijt geraakt, wil de Heilige Geest opnieuw het vuur aanwakkeren, net als bij Thomas in de ontmoeting met de levende Christus, zodat de vlammen van het geloof weer gaan oplaaien. Blijf toch op de akker van de ‘meerdere Boaz’. Hij bewijst genade aan mensen, die er vanuit zichzelf geen enkel recht op hebben.

Naomi en Ruth hadden een goede tijd in Bethlehem. Al die weken las Ruth aren op de akker van de rijke en vriendelijke Boaz. Ze behoefden niet bang te zijn, dat ze honger zouden moeten lijden. De HEERE zorgde! Ondertussen staan de gedachten van Naomi niet stil. Haar oog is open gegaan voor Gods leiding. In Zijn vader­lijke voorzienigheid heeft Hij haar schoondochter gebracht op de akker van Boaz. En Boaz is een van de lossers. Ze begint te begrijpen dat de Heere daar wat mee voor heeft. Biddend en tastend is ze daar mee bezig. Ze laat het eerst een tijdje bezinken. De gersteoogst en de tarweoogst gaan voorbij. Straks is Ruth niet meer in de gelegenheid om Boaz ongedwongen te ontmoeten. En dan zegt Naomi tegen Ruth: we moeten samen eens praten. “Mijn dochter, zou ik u geen rust zoeken, dat het u welga?”

Naomi zoekt het beste voor Ruth. Dat voelt ze aan als haar plicht. Ze zoekt ‘rust’ voor Ruth. Dat slaat niet op een rustpe­riode, waarin Ruth niet meer hoeft te zwoegen op het land, maar dat woordje ‘rust’ ziet op een vredig en geborgen leven onder de zorg van een echtgenoot, zoals ook in hoofdstuk 1:9. Boaz is de losser en Noami hoopt dat hij bereid zal zijn om het losserschap op zich te nemen. Ze hoopt dat hij niet alleen het verkochte land zal lossen, maar ook dat hij Ruth zal trouwen. Na alle goede dingen, die Ruth mocht ontvangen van Boaz is ze toch altijd nog een Moabietische gastarbeidster en in de praktijk afhankelijk van de armenzorg. Boaz heeft haar wel ‘zijn dochter’ genoemd en een plaats gegeven aan de maaltijd, maar uiteindelijk staat ze nog helemaal voor eigen rekening. Rust is er pas vol­gens Naomi als Ruth de wettige vrouw van Boaz is.

Wat fijn als er in huis zo’n vertrouwelijke open sfeer is als bij Naomi en Ruth. Dat je met elkaar overlegt en raad vraagt. Wat een zegen ook als anderen, die er meer van geleerd hebben je goede raad kunnen geven. Goed ook om over het geeste­lijk leven met elkaar te spreken. Naomi is een mooi voor­beeld van wat we wel eens noemen een ‘moeder in Israël’. Je ziet hier ook hoe spontaan Ruth van alles en nog wat vertelt aan Naomi.

Weet u ook wat er omgaat in het hart van uw man, uw huisgeno­ten, uw kinderen, als u die heeft? Spreek met elkaar over de dienst van God. Openheid op dit gebied is zo waardevol. Dan kun je ook met elkaar meeleven. Je weet met welke vragen de ander loopt. Je moet zelf uiteraard ook daarvoor openstaan en meedoen. Het gesprek met elkaar in ontspannen sfeer bevordert ook het weder­zijds begrip voor elkaar.

Leef mee in de gewone dingen: studie, beroepskeuze, interesses, verkering en dergelijke. Ruth heeft voor Naomi niets te verbergen. Naomi leeft in alles mee. Haar levenservaring komt goed van pas. Op een fijngevoelige manier wijst ze Ruth op iets. Ruth spreekt namelijk over ‘de jongens’ van Boaz, maar Naomi antwoordt dat ze met ‘zijn maagden’ moet meegaan. Geen omstandig verhaal, maar een fijnge­voelige wenk. Hoe gemakkelijk breng je jezelf in opspraak. Hoe gauw is je goede naam verloren. Zoiets kun je aankaarten als de sfeer in huis open is. Wat zou u vandaag aan uw huisgenoten kunnen vertellen vanuit de ontmoeting met de Heere?

Ds. C. G. Vreugdenhil

Het zicht op de Losser

“Voorts zeide Naomi tot haar: Die man is ons nabestaande; hij is één van onze lossers. En Ruth de Moabietische zeide: Ook, omdat hij tot mij gezegd heeft: Gij zult u houden bij de jongens, die ik heb, totdat zij de ganse oogst, die ik heb, zullen hebben vol­eindigd.”   (Ruth 2:20b – Ruth 2:21)

 

‘Van je familie moet je het maar hebben’, zo hoor je wel eens mensen zeggen als ze door een van hun familieleden benadeeld zijn. God bedoelt het precies andersom. Hij wil dat we elkaar tot steun zijn. Naomi weet dat ook. Zij kent de wetten van Israël. Ze ziet er Gods ‘weldadigheid’, Zijn verbondstrouw in, dat Hij Ruth bij één van de lossers heeft gebracht. Haar ogen glinsteren. Ongekende perspectieven gaan voor haar open. ‘Luis­ter Ruth’, zegt ze, ‘Boaz is één van onze lossers.’ Ruth heeft niet direct begrepen wat dat betekent, maar dat zal Naomi zeker aan haar schoondochter uitgelegd hebben.

Het losserschap houdt in dat de leden van eenzelfde familie elkaar moesten helpen en beschermen. Het familielid op wie in het bijzonder deze taak rustte werd de ‘losser’ genoemd. Hij moest er volgens de wet van de HEERE voor zorgen dat de bezit­tingen van verarmde familieleden niet verloren gingen of dat deze terug gekocht konden worden. De HEERE wilde dat elke fami­lie zijn ‘voorvaderlijk erfdeel’ zou behouden in het beloofde land. Dat was een onderpand van het hemelse Kanaän. De losser kocht voor een verarmd gezin, dat zijn erfdeel had moeten verko­pen, dit alles weer terug. Zo zorgde God voor Zijn volk.

Met de taak van de losser kon het zwagerhuwelijk (leviraat) verbonden worden. Dat hield in dat een zwager of ander fami­lie­lid de kinderloze weduwe huwde. Als er dan uit die verbin­tenis een kind werd geboren, stond dat op naam van de overle­dene. In hem leefde de kinderloos gestorven man dan toch voort. En zo zou zijn nageslacht de toekomst van de Messias kunnen meebeleven. Ook op deze instelling van de HEERE vestigt zich de stille hoop van Naomi.

Al deze ‘schaduwen’ in Israël zijn vervuld in de Heere Jezus. Hij werd onze bloedverwant. Hij nam ons vlees en bloed aan uit de maagd Maria. Hij is de grote ‘Losser’, de Verlosser en Zalig­maker, Die Zijn leven gegeven heeft ‘tot een losprijs voor velen’. Mocht u zo wel eens hoop krijgen door het zicht op de gewilligheid van deze Losser? Het is zo heerlijk om met blijd­schap ‘aren te mogen oplezen’ op de akker van de meerdere Boaz. Heerlijk is het om te mogen leven onder het vriendelijk oog van de Verlosser. Nog heerlijker is het om te mogen weten dat je het eigendom bent van Hem.

Naar die zekerheid moet je in het leven met de Heere toegroeien. Voor de discipelen was dat tijdens de omwandeling van Christus op aarde ook niet allemaal direct duidelijk. Maar toen veel van Zijn volgelingen Jezus verlieten en de Heere aan Zijn discipelen vroeg of ze ook niet wilden heengaan, kwam toch het hoge woord eruit. Uit aller naam antwoord Petrus: “Heere, tot Wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden van het eeuwige leven. En wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God” (Joh. 6:68-69).

Naomi noemt Boaz één van de Lossers! Wij weten dat Christus de enige Losser is. Zoals Petrus het zegt: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.” Toets uw eigen persoonlijk geeste­lijk leven eens aan die belijdenis. Heere Jezus, U bent mijn Profeet. Ik zit zo graag aan Uw voeten. Ik snak altijd weer naar Uw onderwijs. En als ik in Uw ogen vol diepe liefde kijk, roept mijn hart uit: O, Liefste, mijn Liefste, mijn alles.

Maar ik neem ook mijn toevlucht tot u als mijn Priester, barmhartige Hogepriester. Van uw offer aan het kruis moet ik het hebben. Van Uw vergevende liefde moet ik leven, want ik heb zoveel zonden gedaan. ‘Voor U kniel ik neer, zondig en onrein; o Jezus raak mij aan, van U wil ik zijn.’

Dan begeert u Hem echter ook tot Koning over uw leven. U wilt Hem dienen en voor Hem leven. Hij krijgt alles voor het zeggen in uw leven. En als u zo uw van liefdesmart over de zonde gebroken hart voor de Heere Jezus mag uitstorten, komt er ook iets van de ware aanbidding van deze Koning.

Daar ontvangt u het zicht op de Losser en daar worden uw ogen zalig van het zien.

Als Naomi spreekt over de Losser, komt er bij Ruth weer zoveel in haar gedachten: ‘O ja, hij heeft tot mij gezegd¼’ Nu gaat er bij haar een licht op over die onbegrijpelijk voorkomende houding van Boaz. Ruth bevestigt wat Naomi haar verteld heeft. Haar bevin­dingen op de akker van Boaz worden duidelijk door het onder­wijs van Naomi.

Vanuit het woord van Boaz ziet Ruth de weg, die de HEERE met haar ging. De HEERE heeft haar uit Moab geleid. Hij bracht haar op de akker van Boaz en zo in de tegenwoordigheid van hem, die naar de wet een van de lossers was. Heilige blijdschap en verwondering doorstroomt haar hart. De HEERE zal Zijn werk, dat Hij in haar leven begon, ook voltooien. Ja, er is toekomst in Israël, ook voor haar. Zij hoopt op zijn woord.

Ziet u de lijn naar uzelf? Misschien voelt u zich wel een klein beetje zoals Ruth. Wat is het rijk en heerlijk als u mag zien op de gewilligheid van de Heere Jezus om u voor Zijn rekening te nemen. Wat een diepe liefde en vaste hoop bloeit er op uit de bodem van Zijn belofte. Het woord van Boaz: “Hij heeft tot mij gezegd.”

Onze bevinding komt op vanuit het woord en rust op het woord. Hij heeft gezegd! Het onderwijs van anderen mag licht geven over onze weg, maar het woord van Gods belofte is de enige grond van onze hoop. De belofte van het Evangelie houdt in: wie in de gekruiste Christus gelooft, heeft het eeuwige leven (D.L.­II,5). Hij is gewillig. Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten (Hebr. 13:5).

Ga maar gewoon door om dagelijks aren te rapen op de akker van Boaz, bukkend en bede­lend, maar met Zijn toestemming en onder Zijn belofte. “Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlos­sing mijns aangezichts, en mijn God” (Psalm 42:12).

 

Ds. C. G. Vreugdenhil

Vol verwondering over Gods trouw en goedheid

Gezegend zij, die u gekend heeft!” “Toen zeide Naomi tot haar schoondochter: Gezegend zij hij den HEERE, Die Zijn weldadigheid niet heeft nagelaten aan de levenden en aan de doden!” (Ruth 2:19m en 20a)

 

Wat kan het voor een weduwe of weduwnaar vertroostend zijn als mensen laten merken dat zij begrip hebben voor haar of zijn nood. Zeker als er in die hulp een verbinding is aan te wijzen naar de geliefde over­ledene, die nog zo vaak in de herinnering tegenwoor­dig is. Dat mag Naomi hier ontdekken voor haarzelf en voor Ruth.

Daar staan ze, de twee weduwen, samen gebogen over een efa gerst. Naomi en Ruth, een schoonmoeder met haar schoondochter. Soms kunnen schoondochters en schoonmoeders niet zo goed met elkaar opschieten. Dat hoor je als ze met elkaar in gesprek zijn. Over en weer klinken verwijten. Of er wordt alleen maar gezwegen. Ze ontlopen elkaar. Dan ontbreekt de gestalte van de liefde.

Naomi en Ruth zijn met hartelijke liefde aan elkaar verbonden. Dat kwam ook omdat ze dezelfde God hadden lief gekregen. Dan ligt het zwaartepunt van de gespreksstof niet in jezelf en je eigen belangen en jaloezie, maar in God.

Zeker, die twee vrouwen spreken wel over gewone dagelijkse dingen, maar ze zien dat alles tegen de achtergrond van de zorg en de leiding van de HEERE. Dat geeft een diepere dimen­sie aan hun blijdschap: die milde handen van de hemelse Vader.

Wat een meeleven is er met elkaar. Wat een gesprekspunten als je vers 19 helemaal leest. Wat een dankbaarheid. Daar staat die zak met 36 liter gerst. En dat op de avond van de eerste dag dat Ruth er opuit was gegaan om aren te lezen. Dit is heel bijzon­der. Naomi is klein van verwondering. Ze stelt de ene vraag na de andere. Waar ben je geweest? Bij wie heb je aren opgelezen? Ze is zo onder de indruk van Gods goedheid dat ze zelfs, voordat Ruth haar vragen kan beantwoorden, de weldoener bij de HEERE aanbeveelt: “Gezegend zij, die u gekend heeft.”

Dat woordje ‘kennen’ wijst hier op een goede aandacht geven aan, een liefdevol omgaan met. Naomi beseft dat het hier niet alleen maar een kwestie is van toestemming geven. Ze ziet hier de goedheid van de HEERE achter. Die heeft in dit alles laten zien dat Hij van hen afweet. Wat is de HEERE goed. In de reactie van Naomi klinkt dezelfde verwondering door als bij Ruth, toen ze zich voor Boaz ter aarde boog en zei: “Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat gij mij kent” (vers 10)?

Spreken over Gods goedheid! Ja, mooi is dat als twee godvrezende mensen belangstellend met elkaar spreken over de dingen van het dage­lijks leven, terwijl je in alles merkt dat God voor hen het belangrijkste is.

Dan is de diepste grond van je gesprek met elkaar uiteindelijk toch het Woord van God. Daar is de akker van Boaz een beeld van. En het aren rapen van Ruth is een heenwijzing naar het bezig zijn met Gods Woord. Wie daar niet mee bezig is, verachtert in de genade. En wie er wel zijn tijd aan besteedt, mag groeien in de genade en de kennis van de Heere Jezus.

Spurgeon geeft ons, als het hierover gaat, de volgende waarschu­wing: “Veronachtzaam nooit het Woord van God. Dat zal uw hart verrijken met onderwijzing, verrijken met verstand en dan zullen uw woorden, wanneer zij uit uw mond vloeien, zijn als uw hart: rijk, gezalfd en aangenaam. Vul uw hart met rijke, edelmoedige liefde en dan zal ook de stroom, die uit uw hand vloeit, net zo rijk en edelmoedig zijn als uw hart. Ga, o christen, naar de grote mijn van de rijkdom, namelijk Gods Woord, en roep de Heilige Geest aan, opdat Hij uw hart rijk moge maken tot zaligheid. Dan zal uw leven en uw omgang met uw naaste voor hem tot zegen zijn. Dan zal uw gelaat zijn als dat van een engel van God.”

Spreken over Gods goedheid en Gods liefde loopt uit op de lofprijzing van Zijn grote Naam: “Gezegend zij, Die u gekend heeft.”

Door de intense belangstelling van Naomi aangespoord, vertelt Ruth aan haar schoonmoeder bij wie ze heeft gewerkt. Ze is op het land geweest van Boaz. Ze praat niet over de maaiers en de andere raapsters. Ze is helemaal vol van Boaz, onder wiens vleugels zij als een rechteloze de toevlucht genomen had (vers 10). Met verwondering heeft Ruth mogen zien hoe het hart van die man was aangeraakt door de liefde en de barmhartigheid van de God van Israël. En dat heeft op zijn beurt weer haar hart ge­raakt.

Kunt u daar inkomen? Mocht u zo wel eens worden aangeraakt door de ‘meerdere Boaz’, Die ons ook de liefde van God open­baart? Wie echte liefde mag opvatten voor de Heere Jezus zal ook graag over Hem spreken. Dan gaat er een wereld voor je open. In Hem is de liefde van God geopenbaard. En als je iets van Zijn gewilligheid en zondaarsliefde mag zien, komt er blijdschap in je hart. Wat krijg je Hem nodig om met God verzoend te worden. Zo groot kan uw schuld en zonde niet zijn, of Hij kan en wil u eruit verlos­sen. Bij Hem bent u in goede handen.

Ruth begint dat inmiddels te beseffen. In Boaz komt de God van Israël op haar toe. Vol verwondering zitten moeder en schoon­dochter bij elkaar. En als dan in het uitvoerige verslag van Ruth de naam van Boaz valt, ziet Naomi een diep geheim oplich­ten. Opnieuw barst ze in een loflied uit: “Gezegend zij hij de HEERE, Die Zijn weldadigheid niet heeft nagelaten aan de leven­den en de doden.” O Ruth, dat je toch bij Boaz terecht gekomen bent.

Naomi ontdekt Gods vinger in heel dit gebeuren. Ruth kwam wel ‘bij geval’ op de akker van Boaz, maar dat is echt geen toeval geweest. Ze is helemaal onder de indruk van Gods wonderlijke leiding. De HEERE heeft Ruth bij één van de lossers gebracht. Daar zit meer achter. Die zak met gerst krijgt nu voor haar een nog rijkere betekenis. Hoe ver dit geheim echter nog zal strekken in de heilsgeschiedenis, daar heeft zelfs Naomi geen flauw vermoeden van. Ja, onze God is machtig om meer dan overvloedig te doen, boven al wat wij bidden of denken (Efeze 3:19).

Naomi roemt in Gods ‘weldadigheid’. Dat is Zijn verbondstrouw. Haar ogen glinsteren en ongekende perspectieven gaan open voor haar. Ze ziet af van de mensen en ze ziet op tot God. God krijgt de eer. Als ‘losser’ kan Boaz hen uit de armoede helpen. En als ‘familie­lid’ kan hij er door het ‘zwagerhuwe­lijk’ voor zorgen dat de naam van de overledenen op aarde zal voortleven. De Heere is de doden niet vergeten: Elimelech, Machlon en Chiljon. Gods trouw is wonderbaar.

Mag u ook zeggen dat de Heere Jezus dierbaar voor u gewor­den is? Let er ook op hoe belangrijk wezenlijke belangstel­ling voor elkaar is en hoe je daardoor geestelijk verder geleid kunt worden.

Wij hebben heb alle goeds verzondigd. Maar Jezus heeft al die genade voor ons verdiend. Geprezen zij deze Boaz, Die mij kende en mij droeg in Zijn hart aan het kruis. Geprezen zij God, Die mij heeft liefgehad met een eeuwige liefde. Geprezen zij de Heilige Geest, Die dat allemaal schonk in mijn hart, toen mijn armen tekort bleken te zijn om het te grijpen. Ere wie ere toekomt. Gode alleen de eer.

 

Ds. C. G. Vreugdenhil

De mededeelzaamheid van het geloof

“… en haar schoonmoeder zag, wat zij opgelezen had; ook bracht zij voort, en gaf haar, wat zij van haar verzadiging overgehouden had.” (Ruth 2:18)

 

Als de dag ten einde is en het tijd wordt om naar huis te gaan, dorst Ruth eerst nog het opgelezen koren. Het is een rijke buit: ongeveer 36 liter gerst. Dat had ze te danken aan de goedgeefs­heid van Boaz. Met z’n tweeën kunnen ze daar zeker vijf dagen van leven. Ja, Ruth is mededeelzaam. Dat is altijd de vrucht van Gods genade. Lees meer

Geloofsovergave

“Als het nu etenstijd was, zeide Boaz tot haar: Kom hierbij en eet van het brood… en hij langde haar geroost koren, en zij at, en werd verzadigd…” (Ruth 2:14)

 

Zondag 3 september zal weer een voorbereidings-dienst gehouden worden voor de bediening van het Heilig Avondmaal. Als je weet dat de liefdesmaaltijd van Christus er aankomt, ben je daar in gedachten meer mee bezig dan anders. De meditatie over Ruth op de akker van Boaz kan ons daarbij helpen. U bent vast wel eens werkzaam met de vraag of het Heilig Avondmaal ook voor u is. Aan het Heilig Avondmaal reikt Christus als het ware eigenhandig Zijn vlees en bloed uit. Het Avondmaal wordt op gezette tijden bediend, naar de instelling van Christus. Het hangt niet van onze behoefte af. Het is Zijn liefdesbevel. Lees meer

De bedelstand van het geloof

“Als zij nu opstond, om te lezen, zo gebood Boaz zijn jongens, zeggende: Laat haar ook tussen de garven oplezen, en beschaamt haar niet.” (Ruth 2:15)

Wat is Boaz goed geweest voor Ruth. Zomaar onverdiend had ze daar gezeten tussen de maaiers aan de maaltijd. Ze was verwonderd en verbaasd. Ze mocht niet alleen de aren oprapen als het armenwerk, maar ze mocht ook eten en drinken uit de hand van Boaz. Naast de bedelstand kent het geloof ook de adelstand.
Zo mogen we naast het gewone aren rapen op de velden van het Evangelie ook genieten aan de maaltijd van Jezus’ lijden en sterven. Zo nauw is deze gekruiste Koning met Zijn kinderen verbonden, dat Hij met ze aan één tafel wil zitten. Zo, dat Hij ze ‘Zijn geliefde kinderen en erfgenamen’ noemt. Dat is de adelstand! Lees meer

Een kamerheer die God zoekt

‘En ziet. Een Moorman, een kamerling, en een machtig heer van Candece, de koningin der Moren, die over al haar schat was, welke was gekomen om te aanbidden te Jeruzalem.’ (Hand. 8:27)

 

Filippus de Evangelist werkt in Samaria. Hij was uit Jeruzalem komen vluchten in verband met de vervolging van de christenen. In Samaria preekte Hij over de Heere Jezus Christus, de Messias, Die in de wereld gekomen is om verloren mensen te redden van de ondergang.
Lees meer

Een Pinkstergemeente die God prijst

‘En prezen God, en hadden genade bij het ganse volk. En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden’ (Handelingen 2:47).

 

Wat is de eerste christengemeente in Jeruzalem een gezegende gemeente. In Handelingen 2 vers 42 staat dat de eerste christenen ‘volhardende waren in de gebeden’. En… bidden is ook lofprijzen, dat zien we hier. Als wij onze zorgen en behoeften aan de Heere voorleggen, wordt Hij daar ook in verheerlijkt. Als we de Heere nodig hebben is dat tot Zijn eer. Alle aanroeping van Gods Naam is tot verheerlijking van God. Maar ‘prijzen’ is toch nog meer dan bidden. Als we God aanbidden, hebben we niets meer nodig, dan zijn we helemaal gericht op de verheerlijking van Zijn Naam. Lees meer

Want Hij moet als Koning heersen

Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij alle machten aan Zijn voeten heeft onderworpen.

(1 Kor. 15:25)

 

In 1 Korinthe 15 bejubelt Paulus de overwinning op de machten en op de dood. Daar is Hij dus nog steeds mee bezig. De eindoverwinning van Christus is pas bij de wederkomst, maar de definitieve beslissing is gevallen op Paasmorgen. Lees meer

Houd de opgestane Christus in gedachten

‘Houd in gedachtenis dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, Welke is uit het zaad van David, naar mijn Evangelie’. (Tim. 2 vers 8)

 

Paulus schrijft aan zijn geestelijke zoon Timotheüs. Het Woord van onze tekst komt uit de pen van een ter dood veroordeelde. En dat wist hij. Het is geen wanhoopskreet, maar een woord vol moed en geloof. Woorden uit de laatste brief die Paulus in zijn leven geschreven heeft voor hij de marteldood stierf; vanuit de gevangenis in Rome. Hij heeft wel meer vastgezeten omwille van het Evangelie. Hij kende, om zo te zeggen, de klappen van de zweep. Letterlijk en figuurlijk. Maar nu zal het met een aantal zweepslagen niet aflopen. Paulus weet dat dit het begin is van het einde, namelijk zijn terechtstelling, zijn dood. Op een andere plaats zegt hij: ‘Ik zal als een drankoffer geofferd worden’. Dat betekent: ze zullen hem letterlijk een kopje kleiner maken. Zijn bloed zal vloeien als een drankoffer. Hij zal onthoofd worden. Als een drankoffer geofferd worden. Dan zegt Paulus niet: ‘Arme ik’, maar hij zegt in vers 9: ‘Het evangelie om het welk ik verdrukkingen lijd, tot de banden toe als een kwaaddoener. Maar het Woord Gods is niet gebonden’. Hij juicht. Hij zegt niet: ‘Mensen, heb allemaal eens even medelijden met mij’ maar hij zegt: ‘Mensen, ik zit wel gevangen en mijn hoofd gaat er af, maar het woord van God gaat door. Want de Koning leeft. Het woord Gods is niet gebonden’. Een ironische uitdrukking. Hij in de gevangenis. Zijn handen zijn gebonden. Zijn mond is gesnoerd. Maar het Woord van God is niet gebonden. Dat is vrij en dat maakt mensen vrij.

Het zou begrijpelijk geweest zijn als we van Paulus in deze situatie niets meer gehoord hadden. Je zou zeggen: ‘Dat is heel menselijk als je toch je doodvonnis te horen hebt gekregen’. Als de dokter tegen je zegt: ‘Meneer, mevrouw, ik kan echt niets meer voor u doen, u bent ongeneeslijk ziek.’ Dan stort misschien uw hele wereld in elkaar. U bent nergens meer. Velen sluiten zich af. Er is geen contact meer met hen mogelijk. Of mensen vinden in die omstandigheden nog maar één persoon belangrijk en dat zijn ze zelf. Alle tijd en aandacht eisen ze op voor zichzelf. Alles draait om hen. Begrijpelijk, maar niet christelijk. Paulus zegt: ‘Noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden. Niets en niemand, wat er ook gebeurt, zal me kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus’. Dat is even rijk. Paulus dient een levende Koning en Die leeft in hem. Hij sluit zich niet af voor anderen. Hij trekt niet alle aandacht naar zichzelf toe. Hij heeft juist in deze omstandigheden belangstelling voor anderen, voor mensen om hem heen.

Voor de voortgang van het koninkrijk van God, voor de vreesachtige Timotheüs die zegt: ‘Hoe moet ik nu verder in die moeilijke gemeente van Efeze?’ Nee, niet dat Paulus de dood verdringt. Dat moet je nooit doen, dan steek je je kop in het zand. Maar hij is klaar met de dood. Paulus weet dat hij het eigendom van Christus is. Wat is dat rijk. En juist in de gevangenis als hij niet meer preken kan, schrijft hij zijn brieven. Dan gaat hij niet zitten treuren, maar dan pakt hij zijn pen en schrijft hij aan Filippi en aan Kolosse en aan Efeze en aan Timotheüs. Als hij met zijn mond niet verder kan, doet hij het met zijn pen. Want het Evangelie moet verder. Het woord van God is niet gebonden.

De jonge Timotheüs werkt op dat moment in Efeze. De wereldstad Efeze waar verschillende culturen en godsdiensten elkaar ontmoeten. Efeze dat bekend is om de mysterie-godsdiensten en de tempel van Diana, de godin van de Efeziërs. Net zoiets als Amsterdam. Ontucht en goddeloosheid. Die mysterie-godsdiensten zijn te vergelijken met de New-Age-godsdienst. In die stad tierde het onkruid van de ontucht en allerlei zonden. En in die omgeving moest Timotheüs de gemeente van Christus dienen. Allerlei kwade invloeden kwamen op de gemeente af. De satan probeert de gemeente weg te trekken van het vaste fundament. En daarom schrijft Paulus vermanend en bemoedigend. Hij geeft allerlei concrete, praktische raadgevingen: ‘Timotheüs, je moet niet zo vreesachtig zijn. Je moet je niet schamen voor het Evangelie’.

In hoofdstuk 1 vers 7 en 8 staat die vermaning: ‘Want God heeft ons niet gegeven een geest der vreesachtigheid maar der kracht en der liefde en der gematigdheid. Schaam u dan niet der getuigenis van onze Heere noch mijns die Zijn gevangene bent maar lijd verdrukkingen met het Evangelie naar de kracht van God’. Hij moet zich niet schamen voor het Evangelie, niet zo vreesachtig zijn. Paulus zegt: ‘Je moet betrouwbare mensen aanstellen, die de gemeente samen met jou kunnen leiden en dienen en onderwijzen’. In het vervolg lezen we heel concreet wat er tegen opkomt in de gemeente. Woordenstrijd, goddeloosheid en de dwaalleer van Hymeneüs en Filétus, die zeiden dat de opstanding der doden al geschied was in geestelijke zin. Twistvragen in de gemeente, strikken van de duivel. Ja, Paulus weet waarover hij praat en schrijft, want hij kent die gemeente van Efeze heel goed. Met veel zegen heeft hij daar zelf het werk mogen doen. Paulus kent ook Timotheüs heel goed. Hij had veel met hem op. Dat kun je aan alles merken. Er is een soort vader-zoon verhouding ontstaan. Hij noemt hem in zijn brieven ook steeds mijn zoon. Timotheüs is de geestelijke zoon van Paulus. En ik denk dat Paulus meer afwist van deze zoon in het geloof dan menig vader vandaag de dag van zijn bloedeigen kind. Op lange zendingstochten waren ze samen opgetrokken. Onderweg hadden ze alle tijd om met elkaar te praten. Ze gingen te voet. Ze hebben de harten voor elkaar geopend. Ze wisten wat er leefde in het hart van de ander, namelijk de liefde tot Jezus. En de liefde tot het koninkrijk van God. Om jaloers op te worden. Als toch zo alle vader-kind-verhoudingen eens waren. Praat u veel met uw kinderen over de dienst van de Heere, vaders?

Vanwege die nauwe band gaan in deze brief vaderlijke trouw en broederlijke liefde hand in hand. Paulus wist van Timotheüs dat hij soms te bescheiden was. En vaak overging tot vrees, angst en onzekerheid. Hij voelde zich niet opgewassen tegen de problemen in de gemeente van Efeze. Hij had echt bemoediging nodig. Vandaar deze warme, bemoedigende brief. ‘Timotheüs, verzaak je opdracht niet. Let in de strijd maar op Hem, Die in de strijd is voorgegaan en Die heeft overwonnen. Houd Jezus voortdurend voor ogen en in je hart’. Timotheüs: ‘houd in gedachtenis dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, uit het zaad van David, naar mijn evangelie. Denk daar steeds aan. Vergeet het toch niet. Je hoeft niet bang te zijn want Jezus leeft. Jezus zorgt in al je strijd en moedeloosheid en als je denkt dat je werk geen zin meer heeft bij al je moeite en je lijden, we hebben een Heere Die leeft. Houd dat in gedachtenis, dan kun je de strijd aan die de verkondiging van het evangelie altijd met zich mee brengt’.

Die strijd zal er altijd zijn. Onherroepelijk. Want de machten en de krachten in de wereld zullen zich tegen het koninkrijk van God verzetten en tegen de uitbreiding daarvan. Laat echter het centrale thema in de verkondiging steeds zijn: ‘Jezus leeft!’ En leef er zelf ook uit. Mijn Jezus leeft! Mijn Koning weet van me af. Hij leidt mijn leven. Alles ligt in Zijn doorboorde handen. Het kan niet misgaan. Het kan Hem niet uit de hand lopen. Hij geeft me kracht. Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij! Hij overwon alle machten en krachten, de zonde en de hel en de dood en alle vijanden. Hij maakte sommigen zelfs tot vrienden. Het Woord is geladen met de opstandingskracht van de Heere Jezus. Hij schept het leven, midden in de dood. ‘Houd in gedachtenis dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt.’ In hoofdstuk 1 vers 10 zegt Paulus eigenlijk hetzelfde over de opstanding van Christus. ‘Jezus Christus Die de dood heeft te niet gedaan en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie.’

Ds. C. G. Vreugdenhil