Loof de Heere, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden

“Loof de Heere, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden.” (Psalm 103:2)

Noemen we het Hooglied van Salomo ‘het lied der liederen’, dan mogen we deze psalm van David wel ‘de lofzang der lofzangen’ noemen. Er is geen psalm van David waarin de lof des Heeren zo hoog klimt als in dit lied. David bezingt hier de hoogten van het genadeleven, waarbij hij begint en eindigt met ‘Loof de Heere!’

Wat is dan de oorzaak van Gods lof in Davids leven? De Heere heeft weldaden in zijn leven verheerlijkt, die hij heeft ontvangen in de verborgen omgang met God. Ze zijn gevloeid uit Gods genadeverbond. Hiervan zegt hij in Psalm 25: ‘De verborgenheid des Heeren is voor degenen die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken.’ Het is die vreze Gods in Davids leven, die hem brengt tot het verheerlijken van Hem. ‘Loof de Heere, mijn ziel!’

We beluisteren in deze lofzang als het ware een zelfgesprek. David spreekt hier tot zijn eigen ziel. De Heere heeft hem welgedaan, hem opgericht uit een grote ziekte. Er dreigde zelfs doodsgevaar. Maar de banden zijn gebroken. Zijn hart juicht van verwondering en vreugde. Nu zijn de ongerechtigheden vergeven en zijn leven is verlost van het verderf! Hij is gekroond met goedertierenheid en barmhartigheid. Zijn dat geen genadeweldaden?
David zegt tot zijn ziel: ‘Loof de Heere!’ Wat is er dan gebeurd in zijn leven? Hij mag weer beantwoorden aan het doel van God in Zijn schepping: God loven! Gods weldaden in het leven zijn het waard om nooit te vergeten. Daarom wekt David zichzelf hier op om de Heere in alles en voor alles te erkennen en te danken.

Wat hebben we zo’n opwekking en aansporing nodig in het leven! Wat zijn we meestal druk met de dingen om ons heen of met andere mensen, zodat we onszelf vergeten en verwaarlozen. Er is geen grotere ondankbaarheid dan te vergeten wat we aan God schuldig zijn. Overlaadt Hij ons niet van dag tot dag met Zijn gunstbewijzen?
Van nature zijn we van die ellendige zelfbedoelers. Egoïstisch is ons bestaan in dit voorbijvliegende leven, waarin de Heere ons steeds opnieuw omringt met Zijn weldaden. Zeker, met de lippen wordt er nog wel gedankt. Maar waarlijk danken, innig danken, Godverheerlijkend danken, dat vinden we niet in ons natuurlijk bestaan. We zijn niet beter dan het volk van Israël: ‘Zij zongen Zijn lof, doch zij vergaten haast Zijn werken.’ Is dat in ons leven geen ernstige zonde en een groot tekort waardoor God wordt onteerd? O, zie in deze tekst een kind van God zijn ziel opwekken om met een lofoffer uit zijn hart tot God te naderen. Dat is vrucht en bediening van Gods Geest, Die alleen dat offer maar ontsteken kan in het hart.
Het is opmerkelijk dat David zijn ziel aanspreekt, het levenscentrum van al zijn geestelijke vermogens. Hierin spreekt hij tevens voor het aangezicht van God, want het is als het ware een bestraffing van zijn eigen traagheid, aldus Calvijn. En – zo vervolgt deze – hij maakt er ons opmerkzaam op dat het niet aan God ligt wanneer wij geen ruime stof hebben om Hem te loven, maar dat het onze eigen ondankbaarheid is die ons in de weg staat.

Dat we ons toch met David over zouden geven, door Gods Geest gewillig gemaakt tot de overdenking die gericht is op Gods lof. ‘Loof de Heere, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heilige Naam.’ En opnieuw: ‘Loof de Heere, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden.’
Kinderen van God, is er geen reden voor? Kunt u al de zegeningen en weldaden tellen, waarmee de Heere u omringt? Want het is toch waar dat er niemand méér bevoorrecht is dan een kind van God. Gods kinderen in het bijzonder mogen proeven en smaken dat de Heere goed is. Als de Heere daarvoor je ogen opent, kun je niet anders dan God loven.

‘Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.’
Dit te mogen beleven, is toch een weldaad? De Heere schenkt Zijn kinderen onverdiende genadeweldaden, die telkens weer verzoenen, verzorgen en vernieuwen. En des te meer weldaden we krijgen, des te kleiner we worden. Gods lof wordt geboren vanuit het stof. Jakob zei: ‘Ik ben geringer dan al deze weldadigheden en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt.’ Kennen we deze gestalte? Dat wegzinken in verwondering, aanbidding en dankzegging?

Of is dit alles ons onbekend en vreemd? Wat zijn we dan nog ongelukkig en arm! Smeek de Heere, nu het nog kan: ‘Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond Uw trouwe hulp; stier mij in rechte sporen.’

 

Ds. J.J. Tanis

Wat zoekt u?

“… en zochten God vroeg.”  (Ps. 78:34b)

Waar bent u naar op zoek in uw leven? Hoe velen zullen niet met een zucht op vakantie gaan en denken eindelijk wat rust te vinden. Waar denkt u die rust dan te vinden? Zoekt u het op de aarde of zoekt u het in de tijd dat u niet werkt des te meer bij de Heere en in Zijn Woord. Daar is zo’n verschil in zoeken. Dit blijkt ook wel in onze tekst uit Psalm 78. In deze Psalm wil Asaf gedreven door Gods Geest ouders en kinderen onderwijzen in verborgenheden die God heeft gewerkt in het volksleven van Israël. De geschiedenis van het volk is vol van Gods daden ondanks alle zonde van het volk. Nodig is dat ouders hun kinderen daarin onderwijzen, opdat ze God zouden leren zoeken en hun hoop op God zouden bouwen. Wat moeten de generaties in Asafs dagen en in onze dagen leren om op de juiste manier te zoeken!
Een ik-gericht zoeken: U zegt Israël wordt toch in de tekst getekend als zoekend naar God. Dat is toch geen ik-gericht zoeken? God vroeg zoeken is toch altijd goed. Wie de Heere vroeg zoeken zullen Hem toch vinden. Heel vers 34 is eigenlijk vol van dat zoeken. Niet alleen in de woorden ‘en zochten God vroeg’, maar ook in de daaraan voorafgaande woorden ‘zo vraagden zij naar Hem’ komen we het uitgaan van het volk naar God tegen. Voor ‘vragen’ mogen we hier namelijk ook lezen ‘zoeken’.  Dat zoeken van God heeft als doel lezen we in het volgende vers: ‘dat God hun Rotssteen was en God de Allerhoogste hun Verlosser’. Men zoekt uitkomst, verlossing te midden van de dood. De doden vallen bij vele tientallen onder de volksgenoten in de woestijn. Wanneer zal de dood hen treffen? Te midden van de dreiging van de dood vragen ze naar de Heere en keerden weder naar de Heere en zoeken Hem vroeg.  Vroeg zoeken wil zeggen, een zoeken van ’s morgens af. Men stond vroeger op om Gods aangezicht te zoeken in de benauwdheid. Men vroeg om verlossing en zocht de Verlosser. In Psalm 63 lezen we dat David zegt: ‘O, God gij zijt mijn God, ik zoek u in de dageraad, mijn ziel dorst naar U’. Hetzelfde woord ‘zoeken’, maar leeft dan op de bodem van het hart ook hetzelfde? Wat is er een verschil in zoeken, een verschil in verwachting van de Heere. Een verschil zo groot als tussen eeuwig wel en eeuwig wee.  Te midden van de dood zoekt Israël God, zegt Asaf in deze Psalm. Dat zal toch wel oprecht zijn in zo’n grote nood? In zijn onderwijzing wijst Asaf er echter op dat het zoeken van Israël wel sprak over God, de Verlosser, maar dat ‘zij vlijden met hun mond en logen Hem met de tong, want hun hart was niet recht met Hem’ (vers 36). Het ging Israël in het zoeken niet om de Heere, het ging hen niet om verlossing. Het ging ten diepste in de tocht door de woestijn steeds maar weer om meer en beter. De Heere gaf water uit de rotsteen, overvloedig manna, overvloedig vlees … Maar Israël eiste meer, eiste anders. Ze walgden van het lichte brood, de vleespotten in Egypte waren beter. Ze hadden nooit genoeg. Het hart verbonden met de aarde begeert altijd meer. In dit alles wordt het zoeken van de mens getekend. Het is niet alleen onder Israël zo, maar u en ik zijn er in getekend in onze nooit te verzadigen begeerte, in het zoeken van onszelf en de welvaart van de aarde. Zegeningen tellen we niet, van zonde weten we niet. Benauwdheid en tegenslagen voelen we en achten we onrecht te zijn. De begeerte beheerst ons leven. We staan vroeg op, doen ons gebed naar onszelf toe en eisen vervulling van onze verwachting. Onze verwachting die echter nooit een oprechte verwachting zal worden. Met Israëls verwachting en de onze is het van nature als met het verlangen van koning Herodes. Hij wil die geboren koning der Joden ook aanbidden. Hij wil er wel vroeg voor opstaan, informeert er naarstig naar. In zijn zoeken ging het echter ook alleen om het handhaven van zijn eigen troon. Er is niemand die God oprecht zoekt.

Het ware zoeken: En toch, die Mij vroeg zoeken zullen Mij vinden. Het ware zoeken wordt daar geboren waar de verwachting van de aarde haar glans heeft verloren. Onze verwachting, onze begeerte wordt dan zonde voor Gods aangezicht. Daar waar de wet Gods wordt toegepast in het leven, gaan we met Paulus zien: ‘ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zei: Gij zult niet begeren’.  God zoekt van de opgang uit de hoogte deze vervloekte aarde op. Hij maakt zoekende. Dat zoeken is zo anders. Bij dat zoeken vergaat de glans van de aarde. Niet het wegnemen van mijn benauwdheden schenkt mij dan het leven. Als de medicijnen maar aanslaan, als ik maar wat uitrust in de vakantie dan zal ik weer wat opleven. Nee, dat is het leven niet dat blijft tot in alle eeuwigheid. Te midden van de woestijn van

 

het leven schenkt de Heere Leven. Van de verwachting van dat Leven geldt: die God zoekt, uw hart zal leven. Tegenover Herodes vindt u het zo andere zoeken van de wijzen uit het oosten. Uw goedertierenheid in dat zoeken is beter dan het tijdelijk leven met al zijn zegeningen voor de tijd.
Tweeërlei zoeken: Hoe zoekt u, toe levend naar de grote Gods ontmoeting? Hoe donker de tijd ook mag zijn. Hoe vol moeite uw leven ook mag zijn. Hoe alles spreekt van vergankelijkheid en dood. Hij opent uw ogen om te laten zien wat u werkelijk kwijt ben. U bent God kwijt. Bij het licht van Gods Woord gaan we zien: Hij hoeft nooit meer naar me om te kijken. Dat maakt dat we God gaan zoeken.  Wat een wonder dat Hij van eeuwigheid in Christus een weg uitdacht tot behoud van zulke verloren zondaren. Dat Christus kwam om te zoeken dat verloren is. Daarom zoekt de Heere om Christus’ werk nog zondaren, verloren mensen, op om ze te maken tot een volk die op de puinhoop van hun leven zoekend, ook al is het vijf voor twaalf op hun levensklok, biddend roepen: ‘Gedenk mijner als Gij in Uw koninkrijk gekomen zijt’. Leer de Heere zo te zoeken en gij zult vinden.

 

Ds. L. Terlouw

Een opdracht van de Koning

“Gaat dan henen, onderwijst al de volken.”
(Mattheüs 28:19ª)

 

“Ziet, Hij gaat u voor naar Galiléa, daar zult gij Hem zien.” Dat was de boodschap die door de engel gesproken werd bij de opstanding van de Heere Jezus en dit woord gaat nu in vervulling.
De elf discipelen zijn heengegaan naar de berg, waar Jezus hen bescheiden had. In Galiléa had de Heere bijna de gehele tijd van Zijn Leven op aarde gewoond en daar kwamen ook de meeste discipelen vandaan.
Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen dat het hart van de discipelen naar dat land trok, wellicht het meest omdat de Heere beloofd had daar aan hen te zullen verschijnen. Toen de Herder geslagen werd, zijn de schapen verstrooid geworden. Maar omdat de Herder hen zoekt, zoeken zij ook de Herder om blijvend met Hem verenigd te worden. Hier in het Galilese land, heeft de Heere voor de discipelen Zijn testament geopend. Een testament met rijke beloften, maar ook met een belangrijke opdracht: “Gaat dan henen, onderwijst al de volken.”

De Heere Jezus heeft Zijn discipelen naar het vlees niet gespaard. Want als Hij hen de wereld in zendt, houdt dat tevens in dat zij deze vertrouwde omgeving, waar zij zulke goede jaren hebben doorgebracht, moeten verlaten. Drie jaar waren zij met de Heere in- en uitgegaan, nu moeten zij het zonder Zijn persoonlijke tegenwoordigheid doen, alleen met de beloften: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde” en “Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld”. Zij moeten nu de dagelijkse omgang met hun volk missen en worden geworpen in de zee der volken, die vervreemd van God en Zijn dienst leven. God zet Zijn kinderen en knechten vaak in de branding van het leven en hun weg voert nogal eens door de woestijn.
“Gaat dan henen, onderwijst al de volken.” Is dat nu een taak waarvoor zij berekend zijn? Wat moeten zulke ongeleerde Galilese mannen uitrichten in die vrome Jodenwereld en Griekse wijsheid wereld? Zij zijn voor het merendeel maar eenvoudige vissers die nauwelijks wat van de wereld gezien hebben. En wat moeten zij onderwijzen? Zelf zijn zij nog maar drie jaar onderwezen en wat zijn zij hardleers geweest. En toch, zij waren op de beste hogeschool geweest die er denkbaar is, want de HEERE Zelf had hen geleerd en het onderwijs dat Hij gaf, was door hun ziel heengegaan.

“Gaat dan henen, onderwijst al de volken.” Met deze opdracht, het Evangelie van vrije genade verkondigen, worden de discipelen nu door de Levende Koning uitgezonden.

En Hij zal mét hen gaan. Hij zal door de wederbarende kracht van de Heilige Geest zielen vatbaar maken voor het Woord dat zij zullen spreken en voor het onderwijs dat zij zullen geven. Alle aardse machten bij elkaar zijn niet in staat één zondaar te bekeren tot God. Maar de macht, de Goddelijke macht van de Middelaar is wél toereikend om het onderwijs uit het Woord in te dragen in het hart, zodat we God op Zijn Woord gaan geloven. Gaan geloven dat we zondaren zijn, verdoemelijke zondaren. Gaan geloven dat we tijdelijke en eeuwige straffen verdiend hebben. En dan doet de levende Koning nooit half werk. Want waar Hij door Zijn Geest doet buigen onder het veroordelend vonnis van het Woord, daar maakt Hij ook begerig naar het vrijsprekend onderwijs, naar het heil in Hem, Die kwam om te zoeken en zalig te maken dat verloren is.

“Gaat dan henen, onderwijst al de volken.” Dat is de opdracht van de levende Koning aan Zijn discipelen en die opdracht geldt nóg. Ook al is het dat wij zelf niet uit hoeven te gaan als zendeling(e), zo is het toch voor ons allen nodig om persoonlijk door de Heilige Geest te worden aangegord om te dienen tot Zijn eer, tot uitbreiding van Zijn Koninkrijk.
Nee, de Heere heeft ons niet nodig. Maar wat is het juist daarom een eer, dat Hij ons gebruiken wil op de plaats waar Hij ons gesteld heeft: als vader en moeder in het gezin, onder de collega’s op ons werk, misschien wel op ons ziekbed als een worstelaar aan Zijn genadetroon. En als wij werkelijk als onwaardigen in onszelf mogen dienen, getuige mogen zijn van Zijn opstanding, zal ons gezin, zal de wereld waarin wij leven dat gewaar worden. Dan zullen er door Gods genade vruchten gezien worden van geloof en bekering. Want als Gods Kerk op haar plaats is en werkelijk dienen mag, valt aan Koning Jezus de buit toe.

 

Ds. J. Driessen

Het gedenken van Gods weldadigheid

Ter gelegenheid van 75 jaar vrijheid

 

O God, wij gedenken Uwer weldadigheid, in het midden Uws tempels (Ps. 48 : 10)

 

Psalm 48 is een danklied. De HEERE heeft Israël verlost van de vijand. Verwonderd over Gods goedheid komt koning Josafat met zijn mannen terug in Jeruzalem. Op hetzelfde tempelplein waar ze kort geleden in hun nood hebben gebeden, wordt nu een dankdienst belegd.

 

Ootmoed

Met zang en met muziek wordt de Heere geprezen voor de overwinning. Het is een gedenken in ootmoed. Geliefden, die plaats past ons ook, nu wij deze maand gedenken dat de HEERE 75 jaar geleden onze provincies heeft bevrijd van het Duitse juk.

O God! Wat bent u groot en goed! O God! Het is het o van de verwondering.

O God, dat U nog omziet naar mensen zoals wij…. O God, dat U ons na vijf bange jaren hebt verlost uit de hand van de vijand. Wat bent U lankmoedig. Wij leven in een vrij land, zonder overheersing van een vijand. Is er dan niet alle reden om ons te verootmoedigen voor God?

 

Dankbaar

Eigenlijk staat er in het oorspronkelijke een woord dat alles te maken heeft met danken. Josafat en zijn volk, hun tong is te kort en hun woorden zijn te arm om Gods grote goedheid, majesteit en trouw uit te spreken: Wij gedenken Uwer weldadigheid. Die weldaad komt vanuit de hemel, vanuit de eeuwigheid. De vijand is verslagen. De overwinning is zeker!

Gemeente, is er niet alle reden om in dankbaarheid Gods weldaden te gedenken? De HEERE is immers de oorsprong, de fontein van alle goed. Hij overlaadt ons dag aan dag met Zijn gunstbewijzen. Hij wandelt ons na, dag aan dag, van rustdag tot rustdag, met Zijn Woord. Wat zijn Gods bemoeienissen met ons veel en groot! De vraag is: Wat werkt het uit? Wat is de vrucht? Hebben de weldaden van de Heere u tot waarachtige bekering gebracht? Bent u ontdekt aan zonden en schuld? Heeft het u in de nood uitgedreven tot de troon der genade? Bent u door geloofsoefeningen afgebracht van al uw eigen werken, zodat u de ware vrijheid zoekt in de opgestane Levensvorst? Hij is toch de grootste Gave uit de hemel. Hij is de grote Bevrijder. Zoekt daarom Hem te kennen. Zoekt Hem meer en meer te kennen. In Hem is de ware vrijheid.

 

Troostvol

We weten uit de geschiedenis dat koning Josafat direct na de Goddelijke overwinning naar het dal van Beracha gaat om de vijandelijke buit te roven. Daar in een dal komt de godvrezende koning met zijn mannen aan Gods voeten terecht. Daarna gaan ze naar Jeruzalem. Wat is dus de weg van de echte dankbaarheid? Door het dal naar de tempel, naar Gods huis. Al Gods kinderen weten daarvan: door het dal, vanuit de diepten naar Gods huis om daar God Drie-enig te loven en te danken: In het midden Uws tempels… Alles predikt daar verzoening door voldoening. Alles getuigt van vrede in het bloed van het Lam. Gods recht is verheerlijkt, de hemel verzoend, genade verworven, op grond van recht.

Daar wordt genâ van waarheid blij ontmoet,

de vrede met een kus van het recht gegroet.

Dat bewondert koning Josafat. En u? En jij? In het midden Uws tempels…Alles is daar een zichtbare preek van de enige troost, beide in het leven en sterven. Het welbehagen des Heeren zal door hand van Sions gezalfde Koning gelukkig voortgaan. Daarin ligt ook de verwachting voor het nageslacht, in deze ondergaande wereld.

 

Ds. D. W. Tuinier

Naar de Schriften

“…en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften” (1 Korinthe 15:4)

 

Het 15e hoofdstuk van de eerste Korinthebrief is een grote paasprediking. Paulus laat er geen onduidelijkheid over bestaan. De opstanding van Christus is geen twijfelachtige zaak. Het is zeker en vast! Pasen is een feit. Een onwrikbaar heilsfeit. Christus’ opstanding is geen misschientje. Geen gebeurtenis die evengoed niet plaats had kunnen vinden. “De Heere is waarlijk opgestaan”. Paulus wil in zijn paasprediking dat de consequenties van de verrijzenis van de Zaligmaker goed duidelijk zullen zijn. Daarom grijpt hij terug op de Schriften. Pasen komt niet uit de lucht vallen. Christus opstanding uit de doden is in het Woord voorzegd. Zoals Zijn kruisdood door heel de Schrift te vinden is, zo ook Zijn opstanding. Het is alles geschied “naar de Schriften”. Wat dat betekent? Alles is precies zo gegaan zoals de Heere het in Zijn Woord heeft voorzegd. Er ontbrak niets aan. Geen tittel of jota van het Woord is onvervuld gebleven. Ook van de opstanding van Christus geldt: “dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig”.

Nee, Pasen beredeneren wij niet. Het is een werkelijkheid op grond van de Schrift. Wie Pasen ontkent, ontkracht de absolute betrouwbaarheid van het Woord van God.

Blijkbaar is Paulus niet zonder zorg. Hij moet vaststellen dat er in Korinthe een gevaarlijke dwaling de ronde doet. Sommigen in de gemeente zeggen dat er geen opstanding uit de doden is. Dus geen wederopstanding van het lichaam op de jongste dag. Misschien vinden wij dit geen al te ernstige dwaling. De ontkenning van de Drie-eenheid van God of de loochening van de verzoening door voldoening is toch een veel ingrijpender dwaling. Dat valt te bezien. Paulus neemt het in ieder geval hoog op. Want de dwaling van de Korinthiërs tast wel het fundament van de zaligheid aan. Het gaat hier net zo goed om het hart van het Evangelie als bij de Drie-eenheid van God en de leer van de verzoening door het bloed en offer van Christus alleen. In onze tijd is er ook veel dat afwijkt van het Woord. Hoe nodig om de dwalingen te onderkennen en tegen te spreken. Voor het Woord moet worden gebogen. Bij het Woord moet worden geleefd. Aan het Woord hebben wij ons te houden. Dat raakt de zaligheid! Want: “hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort”.

Paulus bewijst de opstanding van Christus vanuit de Schriften. De Schriften zijn de boeken van het Oude Testament. De woorden van Mozes en de Profeten, de inhoud van de Psalmen. Deze getuigen dat Hij is opgewekt ten derden dage.

Paulus kan gedacht hebben aan de woorden van de 16e Psalm: “Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten: Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie”.

De woorden van Jesaja zullen Paulus voor de geest gekomen zijn: “Hij is uit de angst en uit het gericht weggenomen”.

Het Schriftgetuigenis van Jona, die drie dagen in de buik van de vis is geweest: “want gelijk Jona drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde”. De eenheid van de Schrift, het Oude en Nieuwe Testament, staat in de opstanding van Christus uit de doden voor ons vast! “Gods Woord wordt altoos trouw volbracht”.

Dit biedt ons een rijke troost. Hij is opgewekt. De Vader heeft Zijn Zoon naar Zijn eigen Woord op de derde dag uit het graf doen opstaan. Dit predikt ons het grote werk van God in het zaligen van zondaren. De gehele Schrift spreekt van Hem en van Zijn werk. Het Woord wil uw, jouw leven verbinden aan Christus. Verdorven adamieten, die het alleen maar verkeerd kunnen doen en nooit geen goed meer kunnen doen, kunnen nog zalig worden. De Schrift getuigt van Christus en Zijn opwekking door de Vader. Gods heilig recht is verheerlijkt. De prijs tot zaligheid is betaald. Niets staat de verlossing meer in de weg. Want Pasen legt de weg open naar Pinksteren. De uitstorting van Gods Geest. Ook dit is naar de Schriften! Het heil wordt toegepast in zondaarsharten. Door de vernieuwende kracht van de Geest zullen zondaren opgewekt worden uit de dood tot het leven. In het gewaad van het Woord komt Christus ook nu naar zondaren toe. Dan doet Hij ons de waarheid van de Schriften ondervinden: “Ik leef en gij zult leven”.

Onvergetelijk wanneer de waarheid en de getrouwheid van het profetische Woord ons komt troosten. Hier krijgen armen en ellendigen troost en sterkte: “al ’t geen Uw mond aan mij had toegezegd, gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven”.

Ds. W. Harinck

Werpt al uw bekommernissen op Hem

“Werpt al uw bekommernis op Hem”

(1 Petr. 5 : 7a)

 

Ik weet niet of ik dit een bevel moet noemen of een genadige gunst: “Werpt al uw bekommernis (=angst, bezorgdheid) op Hem”. Het is een bevel, en tegelijk een gunst en bovendien een zeer kostbaar voorrecht.

Bekommernissen zijn voortdurend het lot van de kinderen van de Heere. En ongelukkig was het, als ze daarmee alleen hun toevlucht moesten nemen tot mensen, want des mensen heil is ijdelheid.

Maar welgelukzalig die de God Jakobs tot zijn Hulp heeft, want de Heere is krachtig bevonden een Hulp in benauwdheid. Gelukkig is hij dan, die naar dit bevel en deze gunst van de Heere, al zijn bekommernissen op Hem mag werpen.

Hier wordt niet gevorderd om alle zorgen en bekommernissen geheel af te leggen, want dit zou zo veel zijn alsof er van een mens geëist werd om op te houden nog langer mens te zijn. Zolang wij mens zijn op deze wereld, die door de zonde geheel in wanorde is geraakt en die als gevolg van de zonde allerlei bitterheid oplevert, zolang wij van de Heere uitwonen en een zondig hart omdragen, zolang zal de zorg en de bekommernis nooit helemaal ophouden.

En ook, bekommernis en smart over de zonde zal er altijd moeten zijn, zolang als hier geest en vlees tegenover elkaar in het slagveld staan.

Maar het wil zeggen, om temidden van alle smart en bekommernis over de zonde de toevlucht tot de Heere te nemen en bij Hem te schuilen en aan Hem onze nood te klagen, zeggende met Petrus: “Heere, tot wie zullen wij heengaan? Bij U zijn de woorden van het eeuwige leven”.

Toen David bekommerd was vanwege zijn zonden, toen eindigde hij daarmee niet in zichzelf, noch riep met Kaïn: “Mijn misdaad is groter dan dat zij vergeven worde”, maar David wierp zijn bekommernis voor de Heere, en riep: “Heere, verlaat mij niet en wees niet verre van mij”.

Zijn bekommernis op de Heere te werpen zal onder meer ook zijn, om onder het gebruik van alle mogelijke en geoorloofde middelen, steeds tot de Heere op te zien en Hem onze wegen te vertellen, de Heere in al onze wegen te kennen, opdat Hij onze paden recht mocht maken. Om zo de Heere te smeken om Zijn zegen, gunst en goedkeuring over onze plannen en voornemens.

Zo vermaant Paulus: “Weest in geen ding bezorgd, maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God” (Fil. 4:6).

Zijn bekommernis op de Heere te werpen zal daarin verder bestaan dat men te midden van aardse of inwendige moeiten en wegen van beproeving, biddend tot de Heere de toevlucht neemt en men met de dichter zegt: “Gelijk de ogen der knechten zijn op de hand van hun heer, gelijk de ogen der dienstmaagd zijn op de hand van haar vrouw, alzo zijn onze ogen op de Heere, totdat Hij ons genadig zij”.

En dan als de Heere geen spoedige uitredding geeft, niet dadelijk alle hoop en moed verliezen, of zeggen: ‘Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van de Heere”, maar dat men dan de vrijmacht van de Heere eerbiedig erkent en met Eli zegt: “Hij is de Heere, Hij doe wat goed is in Zijn ogen”. Intussen voortdurend eerbiedig en lijdzaam blijven wachten op de Heere, zoals de wachters op de morgen, omdat de Heere toch alle dingen schoon maakt op Zijn eigen tijd en wijze.

 

Wulfert Floor

Ik heb grotelijks begeerd …

“En Hij zeide tot hen: Ik heb grotelijks begeerd dit Pascha met u te eten, eer dat Ik lijde; want Ik zeg u, dat Ik niet meer daarvan eten zal, totdat het vervuld zal zijn in het Koninkrijk Gods.”  (Lukas 22:15, 16)

 

Wij worden door Lukas in gedachten verplaatst naar de zaal te Jeruzalem waar de Heere Jezus met Zijn discipelen het laatste Pascha op aarde gevierd heeft. Zijn ziel begeert dit Pascha te eten met de Zijnen. ‘Ik heb’, zo zegt Hij Zelf, ‘grotelijks begeerd dit Pascha met u te eten.’ Hier brandt Zijn Middelaarshart van verlangen nu het uur van Zijn lijden is aangebroken. Zijn liefde en ijver brandt om de wil van Zijn Vader te vervullen en in de plaats van Zijn Kerk te lijden en te sterven. Want alzo Hij de Zijnen liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde. Als de Heere Jezus de zaal binnentreedt, staat op de tafel het paaslam toebereid en is verder alles voor de maaltijd in gereedheid gebracht. En als Hij Zijn oog over deze toebereide tafel laat gaan, aanschouwt Hij daar een zichtbare afbeelding van al Zijn lijden. Wat was de diepe en zinvolle betekenis van het Pascha? Wel, het was de instelling van God, overgebleven uit de nacht van de uittocht van Israël uit Egypte. In die nacht ging de verderfengel door Egypte om alle eerstgeborenen der Egyptenaren te doden, zodat in één nacht deze allen stierven. Maar waarom werden in die vreselijke nacht de eerstgeborenen der Israëlieten gespaard? Omdat zij beter waren dan de Egyptenaren? O nee! Maar alleen door Gods vrije ontferming over een volk dat een Egyptenaarshart omdroeg, over een volk waarvan de Heere veertig jaar verdriet zou hebben. Het volk van Israël moest een lam slachten en dat in de nacht van zijn uittocht eten met bittere saus. Het bloed van dat lam moest gestreken worden aan de deurposten van hun huizen, terwijl de belofte daarbij werd gevoegd: ‘Indien Ik het bloed zie, zal Ik ulieden voorbijgaan.’ Dat bloed van het geslachte lam was voor de Israëlieten daarom het enige middel ter verlossing. Ieder jaar opnieuw werd dat paaslam geslacht en het bloed gestreken aan de deurposten als teken van Gods ontferming.
De ware Israëliet zag in dit paaslam ook nog iets anders. Daarin zag hij afgeschaduwd, naar Gods belofte, het grote Paaslam, dat komen zou om te verlossen van dood, zonde en hel. Dat Lam, waarvan Jesaja al geprofeteerd had: ‘Maar Hij is om onze overtredingen verwond en om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem en door Zijn striemen is ons genezing geworden. (…) Als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open.’ Hier, in de paaszaal te Jeruzalem, treedt dat grote Paaslam binnen. De dag van Zijn slachting is aangebroken. Morgen zullen op Golgotha de slagen weerklinken. Dan zal dit gezegende Offerlam gebonden worden met touwen tot aan de hoornen van het altaar en gehangen worden als een vloek aan het kruishout. Wie is in staat om weer te geven welke ontroeringen er in Zijn Middelaarsziel zijn? Hij zal morgen Zelf als een lam geslacht worden om de zonde van Zijn volk te verzoenen. Nooit heeft iemand, etend, zó geleden. Nooit heeft iemand zó dat paaslam gegeten dan dat grote Paaslam Zelf, toen Hij in de kring van Zijn jongeren de ogen ophief en het vlees van dat lam zegende: ‘Dat is Mijn lichaam, hetwelk voor u gegeven wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.’
Hoe wonderlijk teer en liefdevol klinkt het dan uit Zijn mond: ‘Ik heb grotelijks begeerd dit Pascha met u te eten, eer dat Ik lijde.’ In deze ogenblikken heft Hij Zijn ziel uit boven lijden en dood tot het zalige hemelleven. Hij staart hier in de verten der eeuwigheid. Want dit Pascha dat Hij met Zijn jongeren gaat vieren, doet Hem zien op het Avondmaal van de bruiloft des Lams. En daarom vervult nu onuitsprekelijke vreugde Zijn Middelaarshart. Om die vreugde Hem voorgesteld, heeft Hij het kruis verdragen en de schande veracht. Wanneer Hij straks met Zijn discipelen naar de hof van Gethsémané gaat, zingt Hij de lofzang. Zingende gaat Hij Zijn lijden tegemoet, want aan het einde van die weg zal Hij met Zijn volk aanzitten in het Koninkrijk der hemelen en zal eeuwige vreugde het deel van Hem en Zijn volk zijn. En daarmee vertroost Hij nu ook Zijn discipelen, als Hij zegt: ‘Want Ik zeg u, dat Ik niet meer daarvan eten zal, totdat het vervuld zal zijn in het Koninkrijk Gods.’

‘Ik heb grotelijks begeerd dit Pascha met u te eten.’ Hebben wij daar iets van leren verstaan in ons leven? Van dat onbegrijpelijke en eeuwige wonder van genade? De reine en heilige Heere Jezus, Die wil nu aanzitten met onreine en vuile Adamskinderen die verdiend hebben dat Hij hen van Zich zou stoten. ‘Maar Hij werd om onze overtredingen verwond en om onze ongerechtigheden werd Hij verbrijzeld.’

Hij wil een schuldig volk redden. Want dat volk heeft de Vader Hem gegeven. Een volk dat Hij gaat verlossen uit de banden van zonde, duivel en dood en gaat vrijkopen door Zijn dierbaar bloed. Daarom, al valt dit lijden Hem zo zwaar en al is die beker nog zo bitter, Hij drinkt die leeg tot de laatste druppel. Om de vreugde Hem voorgesteld, om een arm zondaarsvolk eeuwig zalig te maken en opdat de Vader zal worden bereid de lof, de eer en de dank.

 

Ds. J.M. Kleppe

De gekomen Zoon des mensen

“Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen.”

(Markus 10:45)

 

De Zoon des mensen is gekomen

Er is ongenoegen onder de discipelen. Tien van hen nemen het Jakobus en Johannes zeer kwalijk, dat zij het gedurfd hadden de Heere Jezus te vragen of zij aan Zijn rechterhand en aan Zijn linkerhand mochten zitten in Zijn heerlijkheid. Dan wijst de Heere Zijn twistende discipelen op Zijn komen en Zijn werken in deze wereld. Zijn opdracht, die Hij van de Vader ontvangen heeft, vat Hij in de bovenstaande woorden kort samen. De Zoon des mensen is gekomen! Niemand heeft om Hem gevraagd. Hij is door de Vader geschonken. Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven. En Hij, God uit God en Licht uit Licht, is gekomen als de Zoon des mensen. Ons vlees en bloed heeft Hij aangenomen, opdat Hij door de dood teniet doen zou degene, die het geweld des doods had, dat is de duivel.

Waartoe is Hij gekomen?

De Zoon des mensen is gekomen. In deze zes woorden is die onuitsprekelijke grote gave des Vaders samengevat. Hij heeft Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar Hem in de dood overgegeven voor een verloren en doodschuldig volk, dat naar God niet vroeg. Waartoe is Hij nu gekomen? Éérst spreekt de Heere uit, waartoe Hij niet gekomen is. Hij is niet gekomen om gediend te worden. Ach, zulk een Jezus zouden wij nog wel begeren, Die gediend wilde worden. Zulk een Zaligmaker, Die wat van ons vroeg, zou ons wel passen. Was Hij gekomen om gediend te worden, wat zouden wij ons best doen om Hem te dienen! Was zalig worden een zaak van werken, een zaak van wat voor Jezus doen, o, wat zouden wij ijveren! Vierentwintig uur op een dag zouden we zwoegen, slaven, arbeiden om in te gaan. Maar nu, ach, nu zegt de Heere zo met nadruk: Ik ben niet gekomen om gediend te worden. Nee, jongere, oudere, uw (jouw) tranen tellen niet mee in Mijn arbeid. Uw zuchten en uw kermen kunnen die prijs der zielen, dat rantsoen aan God in tijd noch eeuwigheid voldoen. O, lezer, nu kan de Heere niets meer van ons gebruiken! Ik heb een oude predikant eens horen zeggen: ”Als wij konden zalig worden door wat voor Jezus te doen, wat zou Hij dan veel discipelen hebben! Maar nu is het maar een klein kuddeke”.

Hij is gekomen om te dienen

Hij is gekomen om te dienen. Niet voor mensen die nog wat voor God willen doen, heeft Hij waarde, maar voor mensen die uitgewerkt zijn. Voor hen krijgt Zijn borgwerk onuitsprekelijke waarde. Voor zielen, die wel eens hebben mogen wenen naar God en om God, maar die nu geen tranen meer hebben. Voor mensen, die dat zuchten en roepen tot de Heere leerden in de nood van hun zonde en vloek, maar die niet meer weten te zuchten en te roepen. Kort gezegd: voor die zielen, voor wie zalig worden zo onmogelijk wordt. Voor hen is Hij gekomen, neen, niet om door hen gediend te worden, want zij zouden niet weten waarmede zij Hem nog dienen konden. Maar om hen te dienen met Zijn gaven en met Zijn borgwerk. Hebben zij dan geen tranen meer? Hij kan een fontein uit een rots doen ontspringen. Hebben zij geen geloof meer? Hij is de overste Leidsman en Voleinder des geloofs. Klagen zij, dat zij de ware dankbaarheid zo missen? Hij geeft hun opnieuw een danklied tot Zijn eer. Al hun leven ligt in Hem. Hij, de Zoon des mensen, is hun geworden wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligheid en verlossing.

Hij offerde Zichzelf

Hij gaf Zijn ziel tot een losprijs, nee, niet voor allen, maar wel voor velen. Een losprijs, dat is immers de betekenis van het woord rantsoen. Hij kocht Zijn volk los uit de heerschappij van de satan en betaalde Zijn Vader de op de zonde geëiste straf: de dood. Hij betaalde met Zijn ziel. Hij offerde niet slechts Zijn lichaam, maar Zijn ganse Persoon. De Heere lere ons dat heilgeheim, dat er een dienende Zaligmaker is, Die niet vraagt wat Zijn kinderen hebben, maar wat zij missen en Die hun gebrek en nooddruft vervullen wil met Zijn onuitsprekelijke volheid.

Ds. A. Moerkerken

Maar zo wie Zijn Woord bewaart

“Maar zo wie Zijn Woord bewaart, in die is waarlijk de liefde Gods volmaakt geworden; hieraan kennen wij, dat wij in Hem zijn.” (1 Johannes 2:5)

 

Johannes richt zich tot een groep gemeenten in Klein-Azië, die uit het heidendom zijn ontstaan. Daar heerste tot voor kort grote onrust. Dwaalgeesten gaven zich uit voor profeten  die door de Heilige Geest werden geleid (4:1). Ze spraken vaak en vroom over Jezus, maar erkenden Hem niet als de Christus (2:22). Zij namen het bovendien niet nauw met de  zonde (1:6,3:4). Tijdens de grote crisis die deze ‘profeten’ in de gemeenten veroorzaakten, zijn zij ontmaskerd als antichristen, als mensen die zich tegen Christus en Zijn kerk  keerden. Boos zijn ze heengegaan (2:19). Gods kinderen beven nog als zij aan deze geestelijke botsing terugdenken. Innerlijk zijn ze geheel ontredderd. Veel gemeenteleden hebben bovendien de gemeente de rug toegekeerd (2:18). Dat roept vragen op. Was hun optreden toch wel juist? Ze hunkeren naar onderwijs, bevestiging en zekerheid (5:13).  Daarom zegt Johannes: ‘Maar zo wie Zijn Woord bewaart, in dien is waarlijk de liefde Gods volmaakt geworden.’ Hebben zij in de strijd niet het Woord van Christus mogen bewaren?  De waarheid van dat Woord werd ontkend! Zij konden en mochten niet zwijgen toen Gods geboden werden veracht. De apostel zegt als het ware: ‘Dat blijven bij het Woord, kunt  en moogt u immers niet ontkennen.’Welnu, dat was niet anders dan vrucht van de liefde die God uitstortte in uw harten in het uur van de wedergeboorte! Die liefde wekt altijd  wederliefde: liefde tot God, liefde tot Zijn Christus,

Zijn Woord, Zijn geboden. Weest getroost. In dat gelovig en liefdevol bewaren van het Woord (Joh. 14:16) hebt u het bewijs van uw  aandeel aan Christus. ‘Hieraan kennen wij, dat wij in Hem zijn.’ Weest verzekerd. U was in Gods weg. Van u geldt: ‘De Vader Zelf heeft u lief’ (Joh. 16:27).

Zo gaat het nog  altijd, in de gevestigde gemeente, op het zendingsveld, bij de stadszending in de sloppenwijken van wereldsteden. Als de Heere ons bekeert, kijken we met andere ogen naar Zijn  Woord: ‘Hoe lief heb ik Uw wet!’ (Psalm 119:97). Wat is het een wonder, dat God tot zo’n rechteloze wil spreken door Zijn Getuigenis! Als de Heilige Geest daaruit licht laat vallen op Christus als de enige Weg tot behoud, drukken we de Schrift aan ons hart. Oprechte bekering betekent ook altijd het inrichten van ons leven naar het Woord: ‘Heere, wat wilt U dat ik doen zal?’ (Hand. 9:6). Zo komt de liefde van God in het leven van Zijn volk tot volmaaktheid, tot haar doel, tot haar algehele uitwerking. De Heere is het zo waard, dat we bij de Bijbelse leer blijven en ons richten naar Zijn geboden. Het is waar, dat de allerheiligste maar een klein beginsel heeft van deze gehoorzaamheid. Maar de begeerte naar het  volmaakte is er! En dat beginsel leeft. ‘Gun door ’t geloof in Christus krachten, om die te doen uit dankbaarheid’.

Ds. M. Golverdingen

Geen blijvende stad

Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.” (Hebr. 13 : 14)

Als er nu eens één van Gods knechten bij ons kwam om ons te vragen, hoe het er met ons voorstond met het oog op de eeuwigheid en ons vroeg: “Is het wel met u?”, wat zouden we dan antwoorden? Zeker, als we dan “nee” moesten zeggen, zouden we toch nog kunnen denken: Ik leef nog en ik ben nog gezond. Wat ik nog niet ben, kan ik nog worden en wat ik nog niet heb, dat kan ik nog krijgen. Maar laat ons eens voorstellen dat we bij deze vraag op ons ziekbed lagen, door de doktoren opgegeven en geen hoop meer hebbend op genezing. Als ons dan de vraag uit onze tekst gesteld werd en we moesten dan zeggen: Nee, ach nee! Ik moet met een onvernieuwd hart en zonder Borg naar die eeuwigheid, waar ik in mijn gezonde dagen zo weinig over gedacht en zo weinig voor gevreesd heb! Ach! wat zou dat een aandoenlijke en vreselijke zaak zijn. Want dat wil zeggen dat wij onbereid een heilige en rechtvaardige God moeten ontmoeten.

Wij hebben hier geen blijvende stad! Ziedaar een woord dat van toepassing is op elk onzer, jong en oud. De koning zowel als de arme bedelaar, de rijken en de geringen, de wijze en de dwaas, de vrome en de man die God niet vreest. Van allen is het waar dat wij hier geen blijvende stad hebben, maar eenmaal moeten gaan sterven en nederdalen in de aarde. Al is onze binnenste gedachte dat onze huizen zullen zijn tot in eeuwigheid en onze woningen van geslacht tot geslacht en al noemen we de landen naar onze namen. De mens nochtans die in waarde is, blijft niet. O, dat wij die waarheid dat wij hier geen blijvende stad hebben, eens recht ter harte leerden nemen en dat wij veel met Mozes leerden bidden: “Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.” En mochten wij maar leren doen al wat onze hand vindt om te doen, want er is geen wetenschap, wijsheid noch bezinning in het graf, zoals we kunnen lezen in Pred. 9:10. Wij blijven toch niet lang meer hier, maar gaan eerlang naar ons eeuwig huis. Daarom, indien wij enigszins onze ziel liefhebben, zo laat ons onszelf haasten en spoeden om onzes levens wil. Laat ons in Christus zoeken verlossing uit het graf, vrijdom van de hel en het genaderecht op de hemelse kroon. Nu staat er nog een nodigende Jezus voor ons, nu is de poort van de vrijstad nog open. Nu nog, maar morgen kan het te laat zijn, dan kan de deur voor eeuwig op het nachtslot zijn.

Daarom kom, laat ons die andere stad zoeken, de toekomende, eer wij te laat komen. Met de toekomende stad bedoelt de apostel de eeuwige woonplaats voor al het volk van God. Al de inwoners van die stad zullen komen uit het oosten, westen, zuiden en noorden. Zij zijn gekochten met het dierbare bloed van het Lam. Eertijds behoorde haar grootste getal tot het onedele, arme en verachte soort van volk. Maar daar zijnde, zijn ze allen koningen en priesters Gode en ze dienen Hem met eeuwige vreugde. Ze zijn bekleed met lange, witte klederen en dragen palmtakken in hun handen. Eertijds waren zij zondig en ellendig, maar dan blinken zij van reine heiligheid, geheel volmaakt. Het gezang in die stad zal daar eeuwig zijn: Halleluja, ere zij God Drieënig, ere zij het Lam Dat geslacht is en ons Gode gekocht heeft met Zijn bloed, uit alle geslachten, talen, volken en naties. In die stad zal ook onder al die stadgenoten nimmer enige twist of geschil zijn, maar zuivere en volmaakte liefde, eensgezindheid en vrede tot in alle eeuwigheid. Daar zal het eeuwige verzoeningsplan worden doorzien en bewonderd. Nimmer zal enige zonde daar weer scheiding maken tussen God en Zijn lieve uitverkoren volk. In die stad zal ook nimmer enige pijl van de vijand vliegen, want de gouden muren van dat Jeruzalem zijn voor de vijand veel te hoog. Alle vijanden van Jezus zullen daar eeuwig buiten moeten blijven en al Zijn vrienden zullen daar binnen zijn en eeuwig blijven. O! het zal zo goed en zalig in die stad zijn. En ik hoop dat u en ik daarin eenmaal inwoners zullen worden!

Wulfert Floor