Is het goed met mij?

“Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken?”

(Job 13:9a)

 

Het is onder ons een bekende uitdrukking als er gezegd wordt, dat we met God in rekening staan. Maar beseffen we wel wat dat betekent? Inderdaad, we staan met God in rekening. We zijn verantwoording schuldig aan Hem. Eens zullen we voor Zijn rechterstoel staan. En hoe zullen we het dan maken? Zal het goed zijn als Hij u zal onderzoeken? Job heeft deze vraag gesteld aan zijn vrienden. Die vrienden die hem kwamen opzoeken toen hij op de ashoop zat in al zijn ellende, hebben het hem niet gemakkelijker gemaakt. Meeleven kan heel goed doen, maar mensen kunnen de pijn van onze wonden ook nog erger maken. Mensenwoorden kunnen nieuwe wonden aan onze wonden toevoegen. Wat kunnen we elkaar striemen met onze woorden. Dat deden die vrienden van Job. Ze veronderstelden dat Job zijn ellende aan zichzelf te danken had. Er moest wel veel zonde in zijn leven zijn. Die had de Heere nu gestraft. Ze gingen als het ware op de rechterstoel van God Zelf zitten en van hun eigengemaakte hoogte bekritiseerden zij Job in al zijn ellende. In plaats van naast hem te staan, gingen zij boven hem staan. Als reactie daarop stelt Job nu deze vraag. Met andere woorden: Mijn vrienden, jullie zijn nu wel zo druk met mij en jullie beschuldigen mij, maar hoe is het met jullie zelf? Jullie vergeten jezelf toch niet? “Zal het goed zijn als Hij u zal onderzoeken”? We zijn zo vaak druk met anderen en we vergeten onszelf. We staan zo vaak klaar om anderen te beoordelen en te veroordelen, maar we vergeten onszelf te veroordelen. Hoe is het met ons? Staan wij niet allen persoonlijk met God in rekening? Zal de Heere niet over ons leven oordelen? Zal het goed zijn als de Heere met Zijn oordeel over ons leven komt? De vraag van Job is dan ook een indringende vraag, niet alleen voor zijn vrienden, maar ook voor ons. Hoe staan we tegenover de Heere? Hoe is ons leven? Niet alleen onze woorden, want die vrienden van Job spraken zoveel rechtzinnig schijnende woorden, maar ons leven. De Heere weegt ons leven. O hoe zal het zijn als Hij ons zal onderzoeken? Die God kent de meest verborgen schuilhoeken van ons hart. Hij weet onze gedachten. Hij ziet onze verborgen zonden. Er is niets wat Hem ontgaat. Als Hij ons zo onderzoekt en doorzoekt, wat blijft er dan over? Dan blijft er alleen zonde over. Dan staan we zo schuldig voor Hem. We hebben Hem niet gegeven wat Hem toekomt. We hebben de zonde zo liefgehad. We wilden onszelf niet verloochenen. We gingen onze eigen wegen. We meenden beter te zijn dan anderen, maar we zagen onze eigen zonden niet. Al waren we uiterlijk misschien degelijk en rechtzinnig, ons hart was niet voor de Heere. We zochten alleen onszelf. Hebben we onszelf zo al leren zien? Als de Heere in ons leven komt, dan gaan we dat leren. Dan gaan we onszelf enigermate leren zien, zoals de Heere ons ziet. Dan houdt alle zelfhandhaving op. Dan kunnen we ons niet meer beter voelen dan een ander, maar dan staan we persoonlijk als schuldige mensen tegenover God. Ja, dan zou het niet an-ders dan rechtvaardig zijn, als de Heere ons voor eeuwig verstoten zou. Zal het goed zijn als de Heere ons onderzoekt? Daar moeten we hier in dit leven een antwoord op leren geven vanuit het diepst van ons hart. We moeten hier leren, dat het niet goed is, als de

Heere ons onderzoekt. Want als we dat straks leren, voor Zijn rechterstoel, dan is het voor altijd te laat. Vraag of de Heere het u leren wil. Het kan nog. Het is nog genadetijd. De Heere roept u nog tot Zich. Weet u, wat zo’n wonder is? Dat er Eén is, bij Wie alles wel goed was. Die Ene is Christus. Hij kon zeggen: ‘Wie overtuigt Mij van zonde?’ Hij was volmaakt goed, in Zijn werken, in Zijn woorden, in Zijn gedachten. Heel Zijn leven beantwoordde aan het doel van de Schepper. Hij heeft God volmaakt verheerlijkt. Toen de Vader het werk en het leven van Zijn Zoon onderzocht, ontbrak er niets aan. Daarom is Hij opgestaan uit de dood en opgevaren ten hemel. Wat een wonder, dat het werk van Christus volmaakt en goed is. Daarom kan het voor mensen, die moeten zeggen: ‘Als de heilige God mij onderzoekt, dan is het niet goed. Dan moet Hij mij voor eeuwig wegdoen vanwege mijn zonden.’ Ach, in onszelf kunnen we voor God nooit bestaan. Wat is nodig? Het geloof, waardoor we met Christus worden verenigd. Het geloof waardoor we onszelf leren veroordelen en God leren rechtvaardigen, maar waardoor we ook tot Christus leren vluchten. Hoe kom ik aan dat geloof? De Heere werkt het Zelf door Woord en Geest. Laat het uw gebed zijn, of de Heere het ook u geven wil. Als we door het geloof met Christus worden verenigd, dan wordt Zijn volbrachte werk ons toegerekend. Dan ziet God mijn zonden niet meer, maar alleen nog de gerechtigheid van Christus. Dan, dan alleen, maar dan ook zeker, is het goed, als de Heere ons zal onderzoeken. Wanneer is het goed? Als er niets meer ligt tussen God en mijn hart. Als alle zondeschuld is opgeruimd. Dat is het werk van de Zaligmaker. In Christus is een slecht mens goed, volmaakt goed, in Gods Heilige ogen. Waarom? Omdat, toen de Heere Christus onderzocht, alles goed was. ‘Jezus, Uw gerechtigheên, Die zijn mijn dekkleed, die alleen!’

 

ds. J.J. van Eckeveld

Alleen dóór Christus zalig

“En Jezus, van daar voortgaande, zag een mens in het tolhuis zitten, genaamd Mattheüs; en zeide tot hem: ‘Volg Mij’. En hij opstaande, volgde Hem.”
(Mattheüs 9:9)

 

De tekst verplaatst ons naar Kapérnaüm aan de Zee van Galilea. Het lag aan de grote handelsweg van Syrië naar Egypte, en op de grens van het gebied van Herodes Antipas. Ergens in dit stadje stond het tolhuis, het douanekantoor. Nu leidt de weg des Heeren juist langs dit tolhuis. Dat is geen toeval. Gods eeuwige raad heeft ook dit gebeuren bepaald. De Vader heeft werk voor Christus.
Ook van wat Hij hier gaat doen, geldt wat Hij straks zal zeggen in Zijn hogepriesterlijk gebed: ‘Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen’ (Joh. 17:4). Niet voor niets wordt van deze Levi gezegd, dat hij ook Mattheüs heette: die naam betekent ‘geschenk van de Heere’. Deze tollenaar was voor Christus een waar en kostbaar geschenk van Zijn Vader.

Er zal wel geen tekst in Gods Woord staan, waarin de drie stukken ellende, verlossing en dankbaarheid, zo kort en bondig voorkomen als deze tekst. Levi’s ellende wordt getekend met deze enkele woorden, dat hij een mens was, die zat in het tolhuis. Het staat er ook met nadruk: Jezus zag een méns. Wat wil dat zeggen? Een schepsel Gods; goed geschapen, nameloos diep gevallen. Eens drager van Gods beeld, nu dragend het merkteken der zonde. Verder lezen wij van hem alleen, dat hij zijn dagelijks beroep aan het doen was. Niet meer, niet minder. Wij lezen niet, dat deze mens een vloeker, spotter, hoereerder of dronkaard was. Hij zat alleen maar in het tolhuis. Maar meer ook niet! Zijn werk was zijn leven. Hij ging er geheel in op. Van hoevelen onder ons zou dat ook gezegd kunnen worden? Zij leven niet in uitbrekende zonden; gaan misschien netjes naar de kerk en leven verder onberispelijk. Maar God en Zijn dienst hebben verder geen enkele wezenlijke betekenis voor hen. De ontzaglijke eeuwigheid verschrikt niet, de schuld drukt niet, de dienst des Heeren trekt niet, de noodzaak der wedergeboorte weegt niet.

Toen kwam de Heere voorbij. Daar hebt u het stuk der verlossing. Hij zeide tot Hem, zo lezen wij: ‘Volg Mij!’ De Heere bekeert een mensenkind doorgaans door Zijn Woord. Hij spreekt als Machthebbende. Doden zullen horen de stem van de Zoon Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven! Zulk een kracht heeft dat spreken van Christus, dat Mattheüs onmiddellijk opstaat en het tolhuis verlaat. Daar ligt het geld nu. Wat een offer! Lukas schrijft er bij, dat hij álles verlaten heeft; Mattheüs vermeldt dat zelf niet. Het zal hem veel gekost hebben. Maar hij had het er graag voor over. Het heeft hem ook nooit berouwd, de keus van het smalle pad. Hij volgde Hem, staat er tenslotte. Daar hebt u de dankbaarheid. Denk er niet gering over! Het gaat dwars tegen de wil van ons vlees in. Het vraagt een achter Hem komen, een opnemen van het kruis en een verloochenen van zichzelf. De weg die Christus ging, was een weg waarin Hij Zelf steeds meer plaats ging maken voor Zijn bloedige offerande.
Mattheüs heeft ongetwijfeld veel gerekend in zijn beroep. Maar nu moest hij gaan leren op nul uit te komen en alleen schuld over te houden. Dacht hij aanvankelijk, mét Christus zalig te kunnen worden, hij moet gaan leren alleen dóór Jezus zalig te worden. En dat is een groot verschil. Hebt u dat ook al geleerd?

Ds. A. Moerkerken

‘Een lied Hammaäloth, van David’

‘Een lied Hammaäloth, van David’

(Psalm 122:1a)

 

In gedachten zien we ze voor ons. Pelgrims die komen uit alle streken van Israël. Voortreizend in de nacht, terwijl hun pad verlicht wordt door de heldere maan. Zingend om de moed erin te houden. Op weg naar de stad van David en het huis van God. Wat ze zingen? Luister maar!

 

De stammen naar Gods Naam genoemd,

gaan derwaarts op waar elk zich buigt

naar d’ ark, die van Gods gunst getuigt;

waar elk Zijn Naam belijdt en roemt.

 

Jawel, je hebt het goed gehoord: het is een vers uit Psalm 122. Het is een van de bedevaartsliederen. Er staat boven: Een lied Hammaäloth. Letterlijk betekent dat: een opgangslied. De pelgrims zongen deze liederen dus als ze opgingen naar Jeruzalem op een van de grote feesten.

 

Zing je mee?

We keren weer terug naar die pelgrims. Ze komen al dichter in de buurt van de Godsstad. Hun hart is sneller gaan kloppen. Ik zie vaders en moeders onder hen, maar ook kinderen en jonge mensen. Zie ik jou ook? Ben jij ook op weg naar Jeruzalem? Elke zondag ga je naar de kerk. Je hoeft er geen verre reis voor te maken. Maar is er bij jou ook een verlangen in je hart? Zing je mee in de kerk en op de catechisatie? Ik hoop van wel! Misschien zeg je: ‘Ik zing niet met mijn hart. En als je dan meezingt, is het toch eigenlijk gelogen? Ik voel me soms net een huichelaar.’ Daar kan ik me iets bij voorstellen. Ook een dominee moet weleens de preekstoel op terwijl het zo leeg is van binnen.

Maar wat valt het soms mee als de kerkdienst eenmaal begonnen is. Wat kan je soms geraakt worden als je kinderen en jonge mensen ziet meezingen. Wees er maar niet te groot voor en schaam je niet voor leeftijdsgenoten die hun lippen stijf op elkaar houden. Zing maar mee! En vraag intussen of je echt mag leren zingen.

 

Reis je mee?

Wat gebeurt er dan? Dan wordt je zo’n pelgrim! Nee, van nature zijn we dat niet. We zijn gelukzoekers of misschien wel hemelzoekers, maar echte Godzoekers zijn we niet. Bedenk dat toch! Als je geen nieuw hart hebt, ben je niet op weg naar Jeruzalem, maar naar de hel. Sta daar eens bij stil! Je moet getrokken worden uit de Stad Verderf en leren zoeken naar de stad die fundamenten heeft. Kortom, je moet bekeerd worden. Maar… je kunt ook bekeerd worden! De Heere roept je nog met alle ernst! Hij wijst ons de weg naar het hemelse Jeruzalem.

Wie reist er mee? Kom,

Wie heeft lust den HEER’ te vrezen,

’t allerhoogst en eeuwig goed?

God zal Zelf zijn leidsman wezen;

leren hoe hij wand’len moet.

 

Buig je mee?

Wat zijn die mensen – ja, ook die jonge mensen – gelukkig bij wie de rust is opgezegd. Die het bij de wereld niet meer kunnen houden en zich bij Gods volk niet durven rekenen. Ze worden een vreemdeling hier beneden, maar ook een vriend en metgezel van allen die Zijn Naam ootmoedig vrezen. Ze trekken mee naar de plaats ’waar elk zich buigt naar d’ ark, die van Gods gunst getuigt’. Die ark wijst heen naar het bloed van Christus, het bloed dat wast en reinigt van alle zonden. Kun je niet meer zalig worden? Wat een wonder als je voor God leert buigen en de kracht van dat bloed mag ervaren. Dan ga je hier al zingen van Zijn grote liefde, maar dan mag je het straks voor eeuwig doen!

 

Ds. C. Sonnevelt

Een les van Agur

In de Bijbel lezen we niet alleen hoe we een kind van God kunnen worden, maar ook hoe we op aarde moeten leven. Want dat is toch de belangrijkste vraag van een echte christen: “hoe kan ik tot eer van God leven?” Zoals de dichter zong:

 

Leer mij, o God van zaligheden,
Mijn leven in Uw dienst besteden;
Gij zijt mijn God, vat Gij mijn hand;
Uw goede Geest bestier’ mijn schreden,
En leid’ mij in een effen land. 

 

Laten we deze wens inkleuren vanuit de Schrift. In de Bijbel vinden wij veel onderwijs over ‘hoe wij op aarde moeten leven’. Ik wil u eens meenemen naar de ‘wijsheidsleraar’ Agur. Zijn onderwijs zit wat ‘verstopt’ in het boek Spreuken, te weten hoofdstuk 30. Het enige dat we over hem als persoon weten is hetgeen in het opschrift van zijn spreuken wordt vermeld: ‘De woorden van Agur, zoon van Jake; een last. De man spreekt tot Ithiël, tot Ithiël en Uchal.’ Daaruit blijkt dus dat hij een zoon van een zekere Jake is geweest en dat hij een ‘last’ heeft. Het onderwijs begint met een zelfgetuigenis. Hoor maar wat Agur over zichzelf zegt: ‘Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand, en ik heb geen mensenverstand; En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend’. Daarin erkent Agur dat hij geleerd heeft dat hij een ‘klein’ mens is voor de grote God. Het is een opmerkelijke belijdenis voor een wijsheidsleraar! Agur deelt ons vervolgens mee het belang van Gods Woord en van het gebedsleven.

Als het gaat om de levenslessen, houdt Agur ons telkens een getallenspreuk voor. Hij noemt dan vier zaken, ontleend aan de natuur en het maatschappelijk leven, en komt vervolgens tot een ‘gezamenlijke noemer’. Kleine dieren –zoals mieren en spinnen – komen aan de orde. Maar ook grote dieren vormen voor hem het lesmateriaal. In de verzen 29 t/m 31 houdt de leraar ons de volgende ‘getallenspreuk’ voor: “Deze drie maken een goede tred, ja, vier zijn er die een goede gang maken: De oude leeuw, geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal wederkeren; Een windhond van goede lendenen; of een bok; en een koning die niet tegen te staan is” .

Welke les wil Agur ons met voornoemde beelden geven? We gaan weer op zoek naar de gemeenschappelijke noemer. Wat hebben de beelden gemeenschappelijk? Wel, het gaat hier om het gezag dat van deze beelden uitgaat. De dieren en de koning boezemen ontzag in, ze dwingen respect af. Is de leeuw niet altijd al de koning der dieren geweest? Een mannetjesleeuw met zijn ruige manen… Hij kijkt je aan met ogen die spreken van kracht, van macht, van onoverwinnelijkheid. Met een zekere huiver luister je naar zijn gebrul. Met ontzag volg je een leeuw als het met grote sprongen op zijn prooi afgaat. En dan de windhond, waarbij we mogen denken aan een springend hert. Dat dier kan zich met grote snelheid verplaatsen, is lenig en dwing respect af. Dat geldt ook van een geitenbok, zoals die zich in het rotsachtige gebergte beweegt. Statig geeft het mannetjesdier leiding aan de kudde. En dan de koning. Welk kind denkt niet meteen aan onze koning Willem Alexander – met Prinsjesdag in zijn volle koninklijke waardigheid – in de als het gaat over ‘belangrijke mensen’?

Het is wel verwonderlijk dat in de bijbel met voornoemde beelden ook over (de beloofde) Christus wordt gesproken. We denken aan de leeuw uit Juda’s stam (Openb. 5:5), de geitenbok (Micha 2:13), de ree (Hooglied 2:8-9). En Christus heeft Zich als een koning getoond. Met koninklijke waardigheid en majesteit trad Hij Zijn vijanden tegemoet in de Olijvenhof.

Welnu, zo behoort elk kind van God van deze schoonheid bij zich te dragen. Van nature zijn ook deze mensen melaats, vuil vanwege hun zonden. Maar door de herscheppende arbeid van de Heilige Geest worden zij veranderd en willen ze leven zoals Christus was. Johannes schrijft hierover: “Die zegt dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf alzo wandelen gelijk Hij gewandeld heeft” (1 Joh. 2:6). Zo ‘versieren’ ze – u ook? – de leer van God, hun Zaligmaker, met ‘goede werken’. Zo wandelen ze als ‘kinderen van het licht’ tussen mensen die God niet kennen. Dan mogen ze als een leeuw roemen in hun zwakheden, want in Christus zijn ze zo sterk. En als een geitenbok mogen ze anderen onderwijzen in de weg der zaligheid. Ze tonen zich een koning… want ze zijn van koninklijke bloede geworden. Petrus somt de eretitels op: “Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht” (1 Petrus 2:9). Zo laten ze in de wereld iets zien van de schoonheid in Christus.

Is er in uw en jouw leven ook zoveel schoonheid te zien? Of moeten mensen zeggen: nou, weinig van te merken dat hij of zij een christen is? Dat geeft een worsteling. Dat is waar. Want het jagen naar de het volmaakte leven, naar het zijn van een lichtend licht in deze wereld, geeft confrontaties met ‘de oude mens’. Het al door Paulus gehoorde klacht ‘als ik het goede wil doen, ligt het kwade mij bij…’. In de stilte wordt er daarom heel wat afgeworsteld en hebben ze zoveel reden om over zichzelf te klagen. Daarom bidden ze ook dagelijks: ‘o Zoon maak ons Uw beeld gelijk’ en moeten ze strijden om in te gaan. Maar het gaat de goede kant op. De overwinning ligt vast, in Hem, De Leeuw uit Juda’s stam, in de Koning van de Kerk. Daarom toch zingen: “Wij gaan ten hemel in en erven koninkrijken”.

Ds. W.A. Zondag

Op zoek naar één ziel

Er is een Joods gezegde: Wie één enkele Joodse ziel redt, heeft volgens de Schrift een hele wereld gered. Hoeveel rijker is het Evangelie dat in het bijzonder na Pinksteren mocht worden verkondigd. Dat vanwege de offerande van één Mens, de Zoon van God, een heel volk zal worden behouden. Het was in feite een (onbedoelde) profetie van de hogepriester Kajafas: “En gij overlegt niet dat het ons nut is, dat één Mens sterve voor het volk, en het gehele volk niet verloren ga” (Joh. 11:50). Dat was profetisch gesproken: niet het hele ‘menselijke geslacht’ zal verloren gaan… Eén deel zal behouden worden, zalig worden. En daarvoor zal Eén Man lijden en sterven. Plaatsvervangend. Als Borg en Middelaar. Van Hem heeft Johannes de Doper getuigd: “Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt”. Zien… zaligmakend geloven… in Hem! Wie gaan dat doen? Dat begint al in de Vrederaad van God. Het zijn mensen Die God van eeuwigheid af heeft liefgehad. Jeremia mocht deze eeuwige liefde vertolken: “De HEERE is mij verschenen van verre tijden. Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid” (Jer. 31:3). En de Goede Herder zoekt hen op in de (genade)tijd opzoekt. Ja, ze worden opgezocht, één voor één. Deze opzoekende zondaarsliefde is zo zichtbaar in de geschiedenis van de kamerling (Handelingen 8). Filippus moest er een grote gemeente (Samaria) voor gaan verlaten. “En een engel des Heeren sprak tot Filippus, zeggende: Sta op en ga heen tegen het zuiden, op den weg die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, welke woest is” (Hand. 8: 26).

Maar kan dat wel, een grote gemeente verlaten terwijl je niet weet waar je precies naar toe moet? Ja dat kan. Als God het zegt. Dat was voor Filippus voldoende. “En opdat de mensen tot het geloof worden gebracht, zendt God goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde boodschap, tot wie Hij wil en wanneer Hij wil; door wier dienst de mensen geroepen worden tot bekering en het geloof in Christus, den Gekruisigde.” (Dordse Leerregels 1: 3). Wat is de ziel van één zondaar veel waard in Gods ogen. Jezus ging er speciaal voor naar delen van Tyrus en Sidon om de Kananese vrouw Zijn weldaden te schenken. En Hij ging speciaal door Samaria om de vrouw bij de waterput te zaligen. Zo gaat Filippus op weg naar … één ziel. Luisterend naar Zijn stem. Precies op tijd, op Gods tijd, staat hij op een kruising. Er komt een wagen voorbij. In de wagen zit een machtige buitenlander, een kamerling. Dat is iemand die vanwege zijn hoge positie aan het koninklijke hof onvruchtbaar was gemaakt. Een ‘gesnedene’. Deze man was in zijn thuisland een Godszoeker geworden. Hij wilde een voor hem nog zo onbekende God aanbidden in Jeruzalem en had er een lange, gevaarlijke reis voor over. Maar in Jeruzalem wordt hem duidelijk gemaakt dat er geen toegang voor hem is tot God. De tempelpolitie houdt hem tegen. Want in de Schrift staat: “Die door plettering verwond of uitgesneden is aan de mannelijkheid, zal in de vergadering des HEEREN niet komen” (Deut. 23: 1). Een buitengeslotene… Geen plaats bij God voor een onvruchtbaar mens. We lezen niet dat de man opstandig is geworden. Integendeel zelfs. Hij keert terug maar met Gods Woord in zijn hand. Die ingespannen bestudeert hij – op een verlate weg die naar het zuiden gaat – de boekrol van Jesaja.

En dan – terwijl de kamerling het niet meer begrijpt – geeft de Heilige Geest het Filippus te kennen: ‘ga toe en voeg u bij dezen wagen’. Filippus loopt met grote snelheid op de wagen af en hoort de kamerling uit de profeet Jesaja lezen. Er komt een gesprek op gang naar aanleiding van de door hem gestelde vraag: “verstaat gij ook hetgeen gij leest?”. De man op de wagen geeft te kennen dat hij behoefte heeft aan een uitlegger. Hij smeekt (“hij bad”) Filippus naast hem te komen zitten en hem te onderwijzen. Hij is nu precies bij de kern aangekomen van het Oude Testament. De heenwijzing door Jesaja naar het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt. “En de plaats der Schriftuur, die hij las, was deze: Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is voor dien die het scheert, alzo doet Hij Zijn mond niet open” (Hand. 8: 32). Over dat onderwijs staat er zo treffend: “en beginnende van diezelve Schrift, verkondigde hem Jezus”. En zo mag de vreemdeling uit Afrika tot het zaligmakende geloof komen. Hij wordt op eigen verzoek gedoopt en daarna lezen we zo treffend: “hij reisde zijn weg met blijdschap”. Dat is een vrucht van de Heilige Geest. Vreugde in God, blijdschap in het hart, als de Geest het verzoeningswerk van Christus gaat toepassen, gaat bekend maken aan een dorstig hart. Dan wordt het waar: “Wat blijdschap smaakt mijn ziel, wanneer ik voor U kniel”.

Al bijna twee duizend jaar na Pinksteren mag dit werk voortgezet worden. ‘Voort met het Woord”. Zaait aan alle wateren. “En gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judéa en Samaría, en tot aan het uiterste der aarde” (Hand. 1:8). Opdat mensen uit de duisternis worden getrokken tot het licht. Schapen en lammeren die moeten worden toegebracht tot de kudde van Christus. Ze mogen worden geweid in het Woord Gods en moeten worden gehoed tegen dwalingen. Daartoe mag ook het zendingswerk dat vanuit onze gemeenten mag worden gedaan, dienen. Maar ook tot ons komt de vraag vraag: waar zijn uw zonden? Er zijn maar twee mogelijkheden. Of u draagt ze nog zelf of ze zijn weggedragen door het Lam Gods. Als u ze zelf nog draagt, zoek dan toch het Lam, zoals de kamerling Hem zocht. Nu is Hij nog te vinden. In de weide van Zijn Woord. En als u Hem wel mag kennen, blijf dan dicht bij Hem. Leef met en uit dit Lam. Begeer met Paulus: “Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende, of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden” (Filipp. 3: 10-11). Om zo achter de overste Leidsman op de loopbaan te lopen “vergetende hetgeen dat achter is, en strekkende mij tot hetgeen dat voor is” en jagen “naar het wit tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus”.

 

Ds. W.A. Zondag

Daar ontvangt de pelgrim nieuwe kracht

Toen kwamen zij te Elim, en daar waren twaalf waterfonteinen en zeventig palmbomen; en zij legerden zich aldaar aan de wateren.  

(Exodus 15:27)

 

Elim was een zeer aangename plaats. Twaalf waterfonteinen en zeventig palmbomen werden er gevonden. Midden in de woestijn gaf de Heere Zijn volk rust. Daar was het koele, verfrissende water, dat de dorst leste. Daar at men de smakelijke voedzame dadels.

Sommige verklaarders zien hier een duidelijke heenwijzing naar Christus. Ten eerste is Hij de Plaats waar de moede pelgrim mag uitrusten. Wat wordt Hij begeerlijk en onmisbaar voor de zondaar die ontdekt wordt aan de bittere wateren van de zonde, ongerechtigheid en Godsgemis. Ten tweede schenkt Christus, net zoals de palmboom zijn ver­kwikkende vruchten geeft, de vruchten van Zijn kruisverdienste. Als die geproefd worden, roept de bruid uit: “Ik heb grote lust in Zijn Schaduw en zit eronder en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet”. Ten derde, gelijk de palmboom Zijn bladeren niet afwerpt, zo is er ook bij Christus altijd bedekking te vinden. Bij Hem zijn zondaren altijd welkom. Zijn Deur, Zijn Hart is nooit gesloten. Ten vierde kunnen we wijzen op de gestalte van de palmboom. Roept de bruid niet, ziende op Zijn gestalte, in aanbidding uit: “Gij zijt de Schoonste onder de kinderen der mensen”. Ten vijfde, om niet meer te noemen, zoals de palmboom na het kappen van zijn takken in schoner vorm opgroeit, zo heeft ook Christus na Zijn bitter lijden en sterven, meerder heerlijkheid ontvangen. Hij ontving een Naam boven alle naam. Wat was het een aangename tijd voor Israël, toen het mocht drinken van het frisse water en onder de palmbomen bescher­ming tegen de brandende zon vond. Welk een plaats is Elim! Dáár waar de Heere is, daar is het goed! In Elim zit het hebreeuwse woordje El d.i. God verborgen. God was daar! Hij zorgde voor 12 waterfonteinen en 70 palmbomen. Voor elke stam was er een bron, een fontein en voor elk van de 70 oud­sten, de vertegenwoordigers van het volk, die met Mozes lei­ding gaven aan het volk, was er een palmboom.

Het is een troostboodschap voor alle geestelijke pelgrims. Op de reis naar het hemels Kanaän ontbreken de Mara’s, maar óók de Elims niet. De Elims zijn door Christus verdiend.

Hij was voor de Zijnen in Mara. O, hoor Hem klagen: “Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe”. Hij ondervond Mara toen Hij in de diepste verlatenheid uitriep: ’Mijn God, Mijn God waarom hebt Gij Mij verlaten?’

Daarom kan er een Elim zijn! Daar drinken dorstigen van het water des levens en wordt hun ziel verkwikt. Daar worden de harpen van de wilg gehaald en nieuwe liederen gezongen. Liede­ren van aanbidding en verwondering. Daar ont­vangt de pelgrim nieuwe kracht. Het geloof wordt er gesterkt, de hoop verleven­digd, de liefde weer aangewakkerd.

Kent u /jij deze Elims? Thuis onder het lezen en onderzoe­ken van het Woord of onder de prediking, als er zielenvragen worden opgelost. Als op de kansel wordt verkondigd wat in de binnenkamer geschiedt. Als de Heere Zijn Woord opent in het moegestreden zondaarshart en de zoetheid en kracht ervan ervaren wordt. Dan zingt het hart:

Een dag is in Uw huis mij meer

Dan duizend daar ik U ontbeer;

Wat kan het dan goed zijn in het huis des Heeren of aan Zijn Tafel, als het oog op de Gastheer is gericht. Welk een Elim als bij de doopsbediening het geloof mag zien op Christus’ bloed dat van alle zonde reinigt. E­lims, dat zijn de plaatsen waar de Heere de schuldverslagene apart neemt en Hem toefluistert: ’Zie, hier ben Ik’. ‘Vreest niet, staat vast en ziet het Heil des Heeren’. Nee, dan zijn er geen vijanden te bekennen en is er geen woestijn te zien. Dan wordt ervaren:

Daar zal ons ’t goede van Uw woning

Verzaden, reis op reis.

Maar Israël kon niet in Elim blijven. Ze moes­ten verder. Elim is immers Kanaän niet. En tussen Elim en het land der rust ligt weer de woes­tijn. Maar Elim is wel profetie hoe het in Kanaän zal zijn. Daar zal de Israëliet zitten onder zijn wijnstok en vijgeboom. Dat wijst op bestendige rust.

Maar op reis naar het hemels Kanaän schenkt de Heere Elims aan Zijn kinderen, opdat ze onderweg niet zouden bezwijken. Maar ook, opdat het heimwee opgewekt zou worden naar de volkomen­heid.

“God des levens, ach wanneer

Zal ik naad’ren voor Uw ogen,

In Uw huis Uw Naam verho­gen”.

Dat wil zeggen: ‘Heere, wanneer zal ik U echt alleen bedoelen? U alleen de eer geven? Wanneer zal ik er zelf definitief tussenuit zijn? Wanneer zal de zonde geen scheiding meer maken tussen U en mijn hart? O de Heere geve naast de mara’s, ook de elims, opdat met een zeker dich­ter kan worden ingestemd:

“Kom reisgenoten,’t oog omhoog en ’t hart naar boven.        

Hier beneden is het niet.

‘Ware leven, lieven, loven is toch daar men Jezus ziet”.

 

Ds. B. van der Heiden

Genoeg

“Mijn genade is u genoeg.” (2 Korinthe 12:9a)

Paulus’ leven was een leven door het geloof. Dat is altijd een leven waarin verloochening van eigen waardigheid, kracht en wijsheid wordt beoefend. Deze verloochening van wat van onszelf is, heeft allereerst betrekking op de zaligheid, op het ingaan in het hemelse Kanaän. Maar ook op allerlei omstandigheden in het persoonlijke en het ambtelijke leven. Het is een moeilijke les, een zware les, die vlees en bloed ons niet leren, maar waarin de Heere de Zijnen oefent.

Die les heeft ook Paulus geleerd. Hij spreekt daar openhartig van in dit hoofdstuk. Hij had eens een rijke openbaring van de Heere ontvangen. Door de Heilige Geest mocht hij een blik slaan in de hemel. Zelf noemt hij het een opgetrokken zijn in het paradijs. Daar waar Christus in de heerlijkheid Zijns Vaders is opgenomen en vanwaar Hij Zijn Koninkrijk doet komen en alles bestuurt. En nu loopt Paulus het gevaar te denken meer te zijn dan andere mensen. Zo dreigen mensen zich te verheffen op bijzondere gaven en zegeningen.
Maar nu gebeurt er iets in Paulus’ leven. Daardoor wordt hij eraan herinnerd dat hij een gewoon mens is. Hij ontvangt iets of ondergaat iets dat hem bijzonder hindert bij zijn werk. Wij weten niet wat dat geweest is en het doet er ook niet toe. Het is een grote beproeving: een engel des satans die hem met vuisten slaat. Zo’n beproeving kan zeer bitter zijn. Het wordt voor Paulus ook een scherpe doorn in het vlees. Dat is een onbegrepen weg. En wat kan satan dan wroeten. Wat kan hij het vlees aanzetten, waardoor de waaroms naar boven komen. Juist wie verstaat en gelooft dat de Heere alles bestuurt, kan zo’n strijd hebben met de weg die de Heere houdt.

En toch is er in die strijd maar één weg: het gebed. In alles ermee bij de Heere terechtkomen. Zo vraagt Paulus of de Heere hem ervan wil verlossen. Tot driemaal toe smeekt hij erom. En op dit gebed geeft de Heere antwoord. Het is een antwoord dat Paulus kracht geeft om te dragen wat de Heere hem oplegt. Want Hij regeert in alle dingen, ook in wat Hij toelaat en doet overkomen.
De Heere zegt tot hem: Mijn genade is u genoeg. En de Heilige Geest grift het in zijn ziel en geeft hem geloof om dit te aanvaarden. Letterlijk staat er: Genoeg voor u is Mijn genade. Het woord “genoeg” staat voorop. Daar komt het ook op aan. De mens van toen en van nu heeft niets meer en niets minder nodig dan Gods genade. Paulus had die al ontvangen. De Heere laat hem dat weer zien en geloven. Steeds dieper mag hij de rijkdom ervan verstaan.
Want die genade is onuitputtelijk rijk. Ze spreidt zich over Paulus heen als een veilige tent. Zijn hele leven en zijn toekomst zijn eronder geplaatst. De Heere acht Zijn genade genoeg voor Paulus en voor allen die Hij met Paulus voor Zijn rekening neemt. Zou Hij niet weten wat goed is in alle nood en zorg? Hij leert de Zijnen er genoeg aan te hebben, als ’t geloofsoog op Hem is gericht. Dan willen we niet wijzer zijn dan de Heere en buigen ze in onderworpenheid aan Zijn wil. Dan zwijgt Aäron stil, dan heeft Asaf aan Zijn God genoeg.
Deze genade is genoeg om door kruis en druk heen te helpen, ja ook door droefheid en gemis. Die blijven wel bestaan, maar beheersen Gods kind niet meer. Er staat niet bij welke genade hier bedoeld is. Dat behoeft ook niet. Het is het geheel van de zegeningen die de Heere om Christus’ wil schenkt. Daar behoort alles toe wat voor het leven en sterven nodig is. Ook wat nodig is als ons leven beknot is of afgebroken schijnt te worden. Van deze genade geldt hetzelfde als van de godzaligheid: die is tot alle dingen nut. Zij heeft de belofte voor het tegenwoordige en het toekomende leven. Het is een grote winst met vergenoeging.

Paulus heeft er genoeg aan om verder te kunnen. U, die de Heere leerde kennen, kunt ermee verder, om uw roeping en taak te volbrengen, ook in nood en moeite. Zo leert de Heere geheel van Hem afhankelijk te zijn. Dat is vaak geen gemakkelijke, maar wel een profijtelijke weg. Daarbij kan de Heere soms het ene wegnemen om te leren van de Ene, van Zijn genade te leven.

Bij de Heere is nog een volheid van genade. Kreeg u die al nodig? U wordt niet uitgesloten van de nodiging ertoe, tenzij u zichzelf uitsluit. Er is vergevende en ondersteunende genade, ja alles wat u ontbreekt. Doet uw mond wijd open, zegt de Heere, en Ik zal hem vervullen.

Ds. H. Paul

Leven in de Dode Zee

‘en zij zullen gezond worden, en het zal leven, alles, waar henen deze beek zal komen’. (Ezechiël 47:9b)

 

Door middel van een visioen wil de Heere Zijn knecht Ezechiël duidelijk maken dat Hij het is, Die Zijn Kerk bouwt en in stand houdt.

De profeet ziet een tempel die aan het heiligdom in Jeruzalem doet denken. Van onder de drempel van dit heiligdom vloeit een stroom van levend water, waardoor het werk van de Heilige Geest gesymboliseerd wordt.

Ezechiël zag dit water vloeien vanonder de drempel, maar de eigenlijke bron ervan kon hij niét zien. De levenwekkende Geest komt uit de hémel, maar de brón is onzichtbaar. Die bron is het liefdehart van God. Uit Zijn eeuwige barmhartigheid en liefde tot verloren zondaren, vloeit de stroom van goddelijke genade en verzoening, en dat op grond van het volbrachte werk van Christus. De arbeid van Zijn ziel was nodig om het water van Gods Geest te laten vloeien tot doemwaardige zondaren, opdat het welbehagen van God door Zijn hand gelukkig zou voortgaan.

Wat is het noodzakelijk dat dit levendmakende water ook neerdaalt op de dorre akker van óns hart, opdat wij uit onze dorheid en doodsheid zullen ontwaken. Want anders zal er geen léven zijn, maar slechts een eeuwige dóód. Wanneer de Heere echter die Geest op dode zondaren doet neerdalen, dan moét de dood uit het hart wijken; dan moét het leven komen, en zien we wonderen van genade gebeuren.

Dat mocht Ezechiël zien. De stroom uit het heiligdom verbreedt en verdiept zich steeds meer, zodat de profeet er tenslotte niet meer in kan staan. Het wijst hem en ons op de voortgang van het Koninkrijk van God in de wereld, en in het persoonlijk leven van de gelovige.

Levenwekkend vloeit die stroom al verder voort, om tenslotte uit te komen in de Dode Zee, en zelfs dáár het leven te brengen.

De Dode Zee is ontstaan na het oordeel van de Heere over Sodom en Gomorra. Niets kon er in leven. De vissen die er in zwommen vanuit de Jordaan, vonden er de dood.

Maar nu hoort Ezéchiël dat zelfs dáár, in de Dode Zee, het leven komt. Zó groot is de kracht van dit levendmakende water, dat de vissen blijven leven, en overal langs de Dode Zee vissers zullen staan, die een grote menigte van vissen, grote en kleine, zullen vangen.

Wat een heerlijke prediking van Gods genade is dit. Immers, ons hart is van nature aan een Dode Zee gelijk. Wij zijn zó diep gevallen, dat we dood zijn in zonden en misdaden. Er groeit geen enkele vrucht in ons leven tot eer van God. En het vreselijke is, dat we daar van nature geen erg in hebben. Evenwel: de levendmakende wateren vloeien naar de Dode Zee!

Wat is dat ook een bemoedigende prediking voor allen wier ziel schreeuwt naar de waterstromen; die geen weg meer zien tot het leven; die rondóm zich en ín zich de dood vinden. Hoor: de HEERE doet wonderen, en Hij maakt van een Dode Zee weer een lusthof van God.

Wat een bemoedigende prediking, ook met het oog op de arbeid in het Koninkrijk van God.

Ezechiël ziet vissers staan van En-gedi tot aan En-eglaim toe; daar zullen plaatsen zijn tot uitspreiding der netten (vs. 10). Dat schijnt een hopeloos en uitermate dwaas werk te zijn! Wie gaat er nu vissen aan de Dode Zee? Dan weet je bij voorbaat dat je niets vangt.

Maar door de dwaasheid van de prediking wil de Heere dóde zondaren doen horen de stem van de Zoon van God, en die ze gehoord hebben zullen leven.

Paulus ging het Evangelie verkondigen aan de dode zee van Klein-Azië en Europa. En Lydia, de stokbewaarder, en vele anderen, werden gevangen in het net van Gods genade.

En nóg worden de netten uitgespreid. In de prediking! Wat is dat een voorrecht! Maar ook in allerlei ander werk in de gemeente. Bent u, ben jij, al gevangen in het net van Gods genade?

Is deze stroom van levenwekkend water op de dorre akker van uw (jouw) hart neergedaald?

Smeek de Heere aanhoudend om het levendmakende water van Zijn Heilige Geest.

Als dat neerdaalt op de dorre akker van ons hart, dan zullen de vruchten daarvan in ons leven openbaar komen.

We kunnen over onszelf alleen maar klagen, en met de apostel zullen als Gods kinderen het leren: “ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods?”

O, dit moet ons uitdrijven tot Hem, Die gezegd heeft: “uw vrucht wordt uit Mij gevonden”, om het in die weg dan óók te leren: “ik dank God door Jezus Christus, onzen Heere”.

Die levende band met Christus is zo nodig, om alleen uit Hém te leren leven!

Wanneer wij zelf niéts geworden zijn en Christus ons álles is; wanneer Hij ons is geworden tot wijsheid, gerechtigheid, heiligheid en volkomen verlossing, dan zal er iets van Ezechiëls profetie gezién worden in ons leven. Dan vinden we hét Leven.

Ds. J. Driessen

Een rijke bemoediging

‘Ik ben de Opstanding en het Leven’

(Johannes 11:25)

 

Jezus’ zelfgetuigenis behoort tot de bijzonderheden van het Johannesevangelie. In zeven ‘Ik-ben’-uitspraken, onderstreept Christus Zijn Zoonschap en Messiasschap. In het Grieks hebben deze uitspraken nog meer zeggingskracht omdat het woordje ‘ik’ wordt herhaald. ‘Ik, Ik ben de Opstanding en het Leven’.

De Joden in de dagen van Jezus omwandeling op aarde hebben goed begrepen dat deze manier van spreken ver gaat. Ze hebben deze uitspraken van Jezus verstaan vanuit het Oude-Testament en een verband gelegd met de Zelfbenaming van God. Wanneer Mozes naar de Israëlieten wordt gezonden en hij de Heere vraagt, wat hij zal moeten antwoorden wanneer de Israëlieten zullen zeggen: ‘hoe is Zijn Naam?’ antwoordt de HEERE: ‘Alzo zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: IK ZAL ZIJN heeft mij tot ulieden gezonden’ (Ex. 3:14).

In de zogenaamde ‘Ik-ben’-uitspraken presenteert Jezus Zichzelf als Gods Zoon. Hij heeft deel aan het goddelijk Wezen. Hij is Gods Gezalfde, de Christus.

Daarom riepen juist deze uitspraken zoveel verzet op bij de overpriesters en de Farizeeën.

Tegenover het ‘Ik-ben’ van Jezus stond hun ongeloof. Terwijl Hij Zich openbaarde als de Opstanding en het Leven handhaven zij hun verzet. En wij? Leerden wij buigen aan Zijn voeten? Eren wij Hem in Zijn verhoging als de Opstanding en het Leven?

Bij het graf van Lazarus spreekt Jezus deze bekende woorden: ‘Ik ben de Opstanding en het Leven’. Vooral met Pasen worden deze woorden vaak aangehaald. Maar wat betekent deze uitspraak? Het mag ons niet ontgaan dat Jezus dit van Zichzelf zegt. Te midden van verdriet en rouw, ja in de confrontatie met dood en graf, spreekt Christus van opstanding en leven.

Hij maakt opstanding en leven persoonlijk. Hij zegt: ‘Ik ben’! Hij Zelf is Opstanding en Leven! Dit is Pasen. Jezus is dood geweest maar weer levend geworden. Hij leeft tot in alle eeuwigheid. Zijn geschiedenis is in de dood niet geëindigd. Zijn weg hield in het graf niet op. Zijn weg en Zijn werk zijn opstanding en leven. De dood kon Hem niet houden. Als de Opstanding en het Leven zal Hij de dagen verlengen en het welbehagen des Heeren zal door Zijn hand gelukkig voortgaan. Hij is opgestaan. Ten derden dage, met Pasen, triomfeerde Hij over dood en graf. Hij heeft de poorten van de dood open gebroken. Hij overwon degene die het geweld des doods had, namelijk de duivel. Nooit zal de dood over Hem heersen want Jezus Christus heeft het eeuwige leven! Hij kan zeggen: ‘Ik ben de Opstanding en het Leven’.

Wat betekent: ‘Opstanding’? Wat betekent: ‘Leven’? Hoe actueel zijn deze vragen. Het leven van mensen en beesten wordt immers aan alle kanten bedreigt. Euthanasie, abortus, uitroeien van beesten…het raakt de fundamenten van het leven. Schrikbarend komt in al deze ontwikkelingen uit dat de gevallen mens niet meer weet van het leven is. Maar zie wat God doet. Tegenover val plaatst Christus opstanding. Tegenover dood het leven.

De zonde heeft de val en de dood teweeg gebracht. In Adam zijn wij allen gevallen en de dood en de verdoemenis zelf onderworpen. Diep is het verderf waarin wij gevallen zijn. Nooit kan de mens in eigen kracht uit de diepe afgrond van de zonde en de dood opklimmen. Maar zie wat God nu heeft gedaan. Hij heeft Zijn Zoon gezonden. Christus daalde af in de diepten van onze verlorenheid. Om de zondeval en de dood te niet te doen, kwam Christus in de wereld. Hij raapt zondaren op uit de diepte van de val en brengt zondaren terug tot het leven. Ziet u de heerlijkheid van Christus? De gepastheid van Hem te midden van de verschrikkingen van zonde en dood?

Hij Die de Opstanding en het Leven is maakt dode zondaren levend. Doet opstaan uit de geestelijke dood. Gunt leven aan zielen. Met dat werk gaat Christus door. Nog trekt Hij zondaren uit de duisternis. Ook heden is Hij onverminderd de Opstanding en het Leven. Wat is dat tot bemoedigen van hen die het leven in eigen hand niet meer kun houden. Die belijden moeten midden in de dood te liggen. Wat ligt er in dit ‘Ik ben’ een rijke troost voor de Kerk. Want Gods levendgemaakte volk kan zo bestreden door het leven gaan. De overblijvende zwakheid, de onvruchtbaarheid van ons bestaan, de ongelovigheid van ons hart, de verdorvenheid van ons vlees, de verzoekingen van de wereld, de moeiten van het leven, de macht van de wereld…er is zoveel wat de schouders naar beneden drukt. Sla het oog op Hem. Jezus leeft. Vrees niet. Hij heeft de schuld verzoend, de dood gedood, de vijanden overwonnen, want Hij is de Opstanding en het Leven!

 

Ds. W. Harinck

Eén minuut voor twaalf

Het koningsspel is nog niet uitgespeeld. Ruw worden twee gevangenen uit hun cellen gehaald. Ze moeten dienen als adjudanten. Voor de Koning der Joden. Want een koning heeft recht op adjudanten. “Kom, vandaag is het Koningsdag. En jullie mogen de Koning vergezellen”. De soldaten schaterlachen. Alleen de gedachte al, hoe vermakelijk…! Met gebogen hoofden, hun kruispalen dragende, gaan ze de weg naar de executieplaats. “En toen zij kwamen op de plaats, genaamd Hoofdschedelplaats, kruisigden zij Hem aldaar, en de kwaaddoeners, den een ter rechter-, en den ander ter linkerzijde” (Lukas 23:3). Drie kruispalen op een rots… De duivel lacht ook als hij kijkt naar de twee kwaaddoeners. Nog even, en ze zullen voor altijd bij hem zijn. Maar… hij heeft misgerekend. Hier wordt de ‘helse moordenaar’ in een moordenaar beschaamd… Want al het is een minuut voor twaalf: het is nog niet te laat. En een van deze moordenaars wordt als een vuurbrand uit het vuur gerukt. Nee, aanvankelijk is daar werkelijk niets van te zien. Beide moordenaars doen mee met het bespotten van de Koning. Mattheus schrijft: “En hetzelfde verweten Hem ook de moordenaars, die met Hem gekruisigd waren”.

Maar er komt een grote verandering – het wonder van de wedergeboorte – bij één van de kruispalen. Hoe? Zoals de Heere het altijd doet. Namelijk door Zijn Woord, toegepast door Zijn Geest. De woorden van Christus (de kruiswoorden) worden in het hart van de moordenaar gebracht. En dat hart wordt geopend. Dan gaat de hand op de mond. Het wordt stil aan dat ene kruis. Ja toch… hij gaat weer spreken. Maar wat een verschil met zojuist. Hij komt tot een schuldbelijdenis en spreekt zijn collega-moordenaar aan: “vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt”. Hij heeft gezien de ‘grootheid van zijn kwaad’. Hij ziet dat in dat hij en z’n makker bijna zijn aangekomen in de eeuwige rampzaligheid. Hoor maar: “En wij toch rechtvaardiglijk; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan”. De Heere wacht op een belijdenis uit onze mond. Een belijden van schuld en van strafwaardigheid. Voor zulken valt het zo mee als ze om genade gaan bidden, gaan bedelen. Want nu richt de moordenaar zich tot de Koning, de Zone Gods. Hij noemt Hem ‘Heere’. Dat is wat! De gekruisigde aan te spreken als de Kurios. Daarvoor heb je geloofsogen nodig. Want helemaal niets wees er (meer) op dat hier Gods Zoon hangt. “Een Man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht”. Ook niet door de moordenaars. Maar nu door deze ene wel. Hoe dat kan? Gods werk! De Heere gaf hem geloofsogen. En toen verwachtte hij het alleen nog maar van deze gekruisigde Kurios. Hoor hem nu bedelen: “Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn”. Wat een gebed! Hij vraagt niet om een goede plaats in het Koninkrijk Gods. Hij vraagt niet om van het kruis verlost te worden. Hij vraagt slechts om een gedachte. Als U straks in Uw heerlijkheid bent, en ik in mijn verlorenheid, zou u dan aan mij willen “denken”? Dat is alles. En dat was al meer dan hij verdiend had… De één bidt om een kruimel brood, de ander om één wenk, weer een ander om één woord en deze om één gedachte. Wonderlijk, tegen zulken zegt de Meester: “groot is uw geloof”. Zulke bedelaars hebben een groot geloof. Want ze verwachten niet veel, maar alles van Jezus. Voor zulke onwaardige bedelaars (en dat blijven ze!) valt het mee, nu en straks. De moordenaar zou het hebben moeten aanvaarden als Jezus zou hebben gezegd: “man, zeker nu nog snel willen binnenglippen na een verzondigd leven. Maar zo gaat dat niet!”. Maar dat zegt het Lam Gods niet. Nee hoor maar. “En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn”. Hier wordt voor de moordenaar waar: “God heeft gedacht aan Zijn genade!”. Als God in Christus denkt aan een mens, dan is dat een ontfermend gedenken. Dan is dat een vergevend gedenken…

HEER, door goedheid aangedreven,
Zijt Gij mild in ’t schuldvergeven.
Wie U aanroept in den nood,
Vindt Uw gunst oneindig groot.

Hier toont Christus reeds de kracht en de vrucht van Zijn dood. Hij toont dat Hij recht had om uit kracht van deze zoendood, zondaren tot de eeuwige heerlijkheid te leiden. Hij toont Zich de Heere van het Paradijs, Die alleen de sleutel van de hemel heeft. Hij, de gekruiste Jezus, is de weg naar de hemel. Zo is de ladder des hemels die door Adam was verbroken weer hersteld door Christus aan het kruis. Deze moordenaar zal van het kruis opklimmen in het paradijs, in de derde hemel, en dat is met Jezus. En Jezus? Die blijft Dezelfde. “Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid” (Hebr. 13:8). Ook voor mensen die de schaduwen van de dood op zich zien afkomen. Tegen wie artsen moeten zeggen: ‘helaas we kunnen niets meer voor u doen’. Weet dat er een Arts is De zegt dat Hij gekomen is voor zondaren, voor zieken, voor ongeneeslijk zieken. En wat heeft Hij voor hen? Wie zich met de tollenaar uit de gelijkenis – biddend ‘wees mij zondaar genadig’ – tot Hem wendt, zal het ervaren: “wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen”. En dan maar meezingen:

Die God is ons een God van heil;
Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil,
Ons ’t eeuwig, zalig leven;
Hij kan, èn wil, èn zal in nood,
Zelfs bij het naad’ren van den dood,
Volkomen uitkomst geven.

 Ds. W.A. Zondag