Christus voorzegt Zijn kruisdood

“Gij weet, dat na twee dagen het Pascha is, en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden, om gekruisigd te worden.” (Mattheus 26:2)

 

In deze woorden spreekt de Middelaar tot Zijn discipelen van Zijn levenseinde. Reeds eerder had Hij daarover tot hen gesproken. Nu zegt Hij: “Gij weet dat na twee dagen het Pascha is”. Dit wisten de discipelen ook wel, maar zij begrepen het niet dat Hij als het ware Paaslam zou geofferd worden.

Het Pascha was door de Heere Zelf ingesteld; zie Exodus 12. Het volkomen Lam dat afgezonderd moest worden en geslacht, wees op Hem. En zoals Israël veilig was achter het bloed van het lam, zo zal Zijn volk veilig zijn achter Zijn bloed. De verderfengel ging in de nacht toen het Pascha werd ingesteld die huizen voorbij, waar het bloed aan de bovendorpel en zijposten van de deuren was gestreken. Zie, dat wees heen naar Christus. Hij zal Zijn bloed laten vergieten, Zijn ziel uitstorten in de dood voor allen die Hem als loon op Zijn arbeid gegeven zijn.

En als Hij dit zegt, is de tijd nabij. “Gij weet dat na twee dagen het Pascha is.” Dan zal Hij geslacht worden. Immers, zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving. Dat spreekt dan ook van de strenge eis van Gods rechtvaardigheid. De mens had gezondigd; in de menselijke natuur moest Hij het lijden van de dood ondergaan. Zo alleen kon Gods recht voldoening krijgen. Hij heeft dit gedaan uit liefde tot de deugden van God en uit liefde tot Zijn volk, die mede in Adams val begrepen waren, om hen te kunnen verlossen van het grootste kwaad en te brengen tot het hoogste goed. Hierin is ook Gods eeuwige liefde geopenbaard.

Wat waren Zijn discipelen blind voor de noodzakelijkheid van Zijn lijden en sterven. Waren zij dan niet door de Heere opgezocht? Hadden ze Hem dan niet lief gekregen? Zeker, maar zij waren blind voor de weg die door de dood tot het leven voerde. Dat was niet alleen zo met de discipelen, want hoevelen zijn er die door God zijn opgezocht in genade en die wel de Middelaar hebben mogen leren kennen, maar toch blind zijn voor de gang van Zijn lijden. Wat daartoe dan nodig is? Wel, dat de Heere Zelf door Zijn Geest de ogen van de ziel daarvoor komt te openen.

Hoe groot is het als Hij bij aanvang mag gekend worden als het Lam van God. Hij, Die geen zonde gekend heeft, noch gedaan, maar Die tot zonde gemaakt is, opdat zij zouden worden rechtvaardigheid Gods door Hem. Hij, Die als een Lam ter slachting is geleid en als een schaap dat stemmeloos is voor het aangezicht van zijn scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open. En om de overtreding van Zijn volk is de plaag op Hem geweest. Hij zonder zonde en dat voor zondaren. Hij zonder schuld en dat voor schuldenaren. Als Gods volk Hem zo mag leren kennen en zien wat hun zonde Hem gekost heeft, dan wordt al wat aan Hem is gans begeerlijk. Hij is dat onbestraffelijke en onbevlekte Lam, Wiens bloed van betere dingen spreekt dan het bloed van Abel. Dat riep om wraak van de hemel, maar Zijn bloed spreekt van verzoening en dat door Zijn voldoening.

Er is geen zaligheid buiten Christus en de ware Kerk leeft door en uit Hem en de Heere is vrij de een meer de geheimen van de zaligheid te verklaren dan de ander. De kleinste in de genade wordt niet uitgesloten. Toch zal het ongenoegzame van alles wat buiten Christus is, worden ingeleefd. Dat de Heere ons het plaatsmakende werk schonk voor Hem, opdat zo de rechte kennis van Hem verkregen werd, ja het een leven werd uit Hem. Dat gaat niet zonder sterven. Hij moest sterven om te leven. Hij sprak: “Gij weet dat na twee dagen het Pascha is en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden om gekruisigd te worden”. De kruisdood moest Hij ondergaan en wilde Hij ook ondergaan. Vrijwillig zal Hij de kruisdood sterven, opdat Zijn Kerk het leren zou te sterven aan de zonde en aan alles wat buiten Christus is, om Gode te leren leven.

Wat is het voor de discipelen een onbegrepen weg die de Heere gaan moest. Later is het licht daarover ook voor hen opgegaan. Toen hebben ze het mogen verstaan, waarom Hij sterven moest. En ook opstaan, zoals er nog onder Gods volk zijn die het met hen en Paulus hebben mogen leren: “Want ik ben met Christus gekruist, en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij, en wat ik nu leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft en Zichzelf voor mij overgegeven heeft”.

Wij zijn van nature vijanden van het kruis van Christus. Het is voor de Jood een ergernis en voor de Griek een dwaasheid, maar voor hen die geloven een kracht van God tot zaligheid. Maar wij leven ook onder het Kruisevangelie dat zegt dat er door Hem genade is voor de grootste der zondaren; dat Hij niet gekomen is om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering. Dat we acht mochten leren geven op zo’n grote zaligheid, opdat we het bloed van Christus niet onrein zouden achten en het Woord van Zijn genade niet zou zijn een reuke des doods ten dode, maar een reuke des levens ten leven. Wij weten de dag van onze dood niet. Die kan zo onverwacht komen. Dat we ons mochten leren haasten en spoeden om ons levenswil.

Christus voorzegt in deze woorden Zijn dood, maar ook dat Hij niet in de dood zou blijven. Hij zou opstaan, ja wat meer is, Hij heeft de plaats der eer ingenomen aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen. En dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode, dat leeft Hij eeuwig.

Al is het dat Zijn volk zo vaak met vrees tegen de dood opziet, het zal toch voor hen zo meevallen. Hij is voorgegaan, Hij heeft de prikkel van de dood weggenomen en daarom zal de dood voor hen een doorgang zijn tot het eeuwige leven.

Houdt dan moed, godvruchte schaar, Hij is getrouw, de Bron van alle goed. Hij zal uw vernederd lichaam veranderen, opdat het gelijkvormig zal worden aan Zijn heerlijk lichaam. Hem, de Enige en Drie-enige God, zij dan ook de eer, de wijsheid, de kracht en de dankzegging tot in der eeuwigheid. Amen.

 

Ds. Chr. van der Poel

Nieuwjaar

 “Welgelukzalig is hij, die de God Jakobs tot Zijn hulp heeft, wiens verwachting op de HEERE, zijn God is.” (Psalm 146:5)

 

Nu we weer een nieuw jaar ingaan zal in menig hart de vraag leven: ‘Wat zal het jaar 2016 ons brengen?’ Eigenlijk zouden we wel vooruit willen zien, om te weten wat er in dit nieuwe jaar gebeuren zal, maar dat kan niet, en dat is maar goed ook. Veel vragen kunnen er intussen in ons hart zijn: ‘Zullen we gespaard blijven? Zullen we ons werk kunnen doen? Zullen we voor bijzondere ziekten bewaard blijven? Zullen er geen grote rampen komen?’  Het is geen wonder dat deze vragen bij ons opkomen, en toch … het antwoord blijft uit. Een onbekende toekomst ligt voor ons. Niemand weet, wat de dag van morgen hem brengen zal. Zeker, het kan iets goeds zijn, en de zegeningen van God zijn nog zo groot en veel. Maar het kan ook iets kwaads zijn; dat ligt ook in de hand van de Heere. Mozes heeft eenmaal gezegd: ‘Het uitnemendste van dit leven is moeite en verdriet’. En daarom zullen we, ondanks het vele goede, toch ook in het nieuwe jaar ons aandeel in het levensleed kunnen verwachten. Er liggen misschien kruisen voor ons klaar, die we niet zullen kunnen ontwijken, wanneer Gods hand ons ervoor plaatst. En daar komt nog iets bij. Het jaar dat we ingaan is nieuw, maar we nemen er ons oude hart, dat tot alle kwaad geneigd is en waarvan het gedichtsel boos is van de jonkheid af aan, in mee. Onze doodsvijanden (zijn het dat voor ons?) zonde, wereld, satan en eigen vlees, zullen alles doen wat mogelijk is om ons in het verderf te brengen. Onze voet zal strikken ontmoeten, die behendig gelegd zijn. Onze boze hartstochten zullen ons niet met rust laten, maar ons vlees zal meer dan eens in ons woelen, zodat we uit moeten roepen: ‘Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods?’  Wanneer we dit alles overdenken, wat is het dan een grote zegen om in alle nood van het leven werkelijk de Heere nodig te hebben, en voor de toekomst het oog te slaan op Hem, van Wie de dichter zegt dat Hij de God van Jakob is. ‘Welgelukzalig is hij, die de God Jakobs tot Zijn hulp heeft, wiens verwachting op de HEERE, zijn God is’. Welgelukzaligen, dat zijn zij, die hun zonden verzoend weten in het bloed van Christus, en die nu de God van Jakob tot hun Hulp hebben.  De mens van de wereld, in en buiten de kerk, heeft daar geen oog voor. In zijn oog is iemand welgelukzalig die zich alles veroorloven kan wat zijn hart begeert. En toch geeft dit geen geluk, en nog veel minder zaligheid. Roem en kennis, eer en geld, zijn wel dingen van waarde, maar ze laten het hart onbevredigd en brengen het ware geluk niet aan. Met handenvol goud is geen rantsoen te betalen voor de zonde. Ja, we kunnen met alle schatten van de aarde ons leven nog met geen minuut verlengen.  En daarom … welgelukzalig is alleen die mens, die de God van Jakob tot zijn hulp heeft, wiens verwachting op de HEERE, zijn God is. Die God, van Wie we zo dikwijls zingen: ‘Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naad’ren van de dood, volkomen uitkomst geven’. Al is de toekomst dan nóg zo donker, Hij kan uitkomst geven. In het volgende vers van deze psalm wordt immers van de Heere gezegd: ‘Die de hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat in dezelve is’.  Wanneer we Jakobs God tot onze Hulp hebben, dan hebben we geen zwakke, maar een machtige, nee een almachtige Helper. Hemel en aarde zijn door Hem geschapen, en Hij bestuurt en leidt al wat erin is naar Zijn welbehagen. En daarom: gelukkig als we naar Hem mogen vluchten met al onze noden voor tijd en eeuwigheid. Naar Hem, om ook al onze zonden voor Hem neer te leggen en te smeken: ‘Verzoen de zware schuld, die ons met schrik vervult, bewijs ons eens genade’. Hij kan helpen, want alles in de hemel en op de aarde is aan Zijn macht onderworpen. Hij kan u vóór alles en tégen alles bewaren, al naar het Hem goeddunkt. En de Heere wil ook helpen en uitkomst geven. Daar wijst de dichter op als hij van zijn God zegt: ‘Die trouwe houdt in der eeuwigheid’.  O, wij moeten dikwijls klagen over onze ontrouw. Maar hoog boven deze ontrouwe wereld troont de God der waarheid, Die trouwe houdt in der eeuwigheid. We kunnen ons op Zijn Woord altijd en overal verlaten. Dan kan de nood in het nieuwe jaar niet zó hoog gaan, of Hij bevestigt Zijn Woord: ‘God, Die helpt in nood, is in Sion groot’.  Zeker, ook in het nieuwe jaar zullen we door onze zonden, ons Zijn gunst weer onwaardig maken. Maar wanneer we als arme zondaren op de knieën worden gebracht, dan zullen we het ondervinden dat de Heere ons wil helpen, dat Hij trouw houdt in der eeuwigheid. En Hij zal ook helpen en uitkomst geven, wanneer we Hem in waarheid nodig hebben.  De dichter geeft in deze psalm als het ware een lijst van ellendigen die door Hem geholpen worden. Hij doet de verdrukten recht. Hij geeft de hongerigen brood. Hij maakt de gevangenen los. Hij opent de ogen der blinden. Hij richt de gebogenen op. Hij heeft de rechtvaardigen lief. Hij bewaart de vreemdelingen. Hij houdt de wees en de weduwe staande. Hij … vul hier uw eigen diepe nood in. En laten allen die hun naam hier lezen, het bij Hem zoeken, Die helpen kan, wil en zal! Hij zal u, ondanks uw algehele onwaardigheid, niet begeven en niet verlaten. ‘Welgelukzalig is hij, die de God Jakobs tot Zijn hulp heeft, wiens verwachting op de HEERE, zijn God is’.
Willen we echter tot dat welgelukzalige volk behoren, dan zullen we alle verwachting van onszelf moeten verliezen. Ja, dan zullen we ons léven moeten verliezen, om het in Gods hand te geven. Hoe wordt dat in praktijk gebracht? Door als een hulpeloze in onszelf naar de Heere te vluchten met de belijdenis: ‘Heere, hier ben ik; ik kan van mijzelf niets goeds; ik ben een arm, ellendig en ongelukkig zondaar; maar Heere, ontferm U over mij, en schenk mij Uw genade’. Daartoe is nodig dat wij bij de Heere op school komen. Dat we wederom geboren worden, en de Heilige Geest tot een Leidsman in ons hart hebben. Dan zijn we werkelijk welgelukzalig!  Neen, dat wil niet zeggen dat het alles vreugde zal zijn. Want het staat vast: al schenkt de Heere ons in het nieuwe jaar de volle maat van Zijn zegeningen, moeite en verdriet blijven ook niet uit. Maar toch, welgelukzalig het volk, dat de HEERE vreest! Hij zal in dit moeilijk leven, Zijn volk en erfdeel niet begeven. Al schreit dan mijn oog, al bloedt mijn hart, al klaagt mijn mond, toch zal ik U prijzen, O HEERE, mijn Hulp en mijn Verwachting.

‘Zalig hij, die in dit leven,

Jakobs God ter hulpe heeft;

Hij, die door den nood gedreven,

Zich tot Hem om troost begeeft;

Die zijn hoop, in ’t hach ‘lijkst lot,

Vestigt op den HEER’, zijn God’.

 

Ds. J. Driessen

Alle dingen nieuw

“En Die op de troon zat, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw.” (Openbaring 21:5)

Een nieuw jaar is begonnen. Wij gaan het in, maar wat het ons brengen zal weten we niet. De tijdsomstandigheden zijn niet rooskleurig. De wereld waarin wij leven, kraakt aan alle kanten. Het is een somber toekomstbeeld, dat ons voor ogen staat. We zullen ons erg vergissen, als we dat ontkennen.

Er is echter ook het Woord. Daarin lezen we van God, Die op de troon zit. Dat is op zich voor de kerk des Heeren een grote troost bij de ingang van het nieuwe jaar. Daar het oog op te mogen vestigen door het geloof, doet moedig verder gaan.  De Heere regeert!

We zouden soms kunnen denken dat de boze machten maar kunnen doen wat zij willen. Maar Die op de troon zit, Die heeft het laatste Woord. Het is de genadetroon van God vanwaar Hij door de Heere Jezus alle dingen regeert. De scepter van het wereldbestuur ligt in de doorboorde handen van Sions eeuwige Koning. Daar ligt de scepter goed, daar ligt hij veilig en vast. En hoewel het soms lijkt alsof alles verkeerd gaat en satan overwint, de grote Koning leidt alle dingen naar Zijn grote einddoel: de komst van Zijn Rijk.

Zalig is hij of zij, die voor de genadescepter van Koning Jezus leerde buigen. Zalig ook degene, die van de schuld van het oude jaar bij Hem in ootmoed belijdenis mocht doen. Die zal zeker de gouden scepter van de Koning zich zien toegereikt in het Woord van Zijn genade. En de genade van de Heere Christus is vergeving en leven, eeuwig leven. Het volk van God heeft toekomst!  In de wereld hebben zij wel verdrukking, maar Christus heeft de wereld overwonnen. De Koning heeft het laatste Woord. Hij is de Alpha en de Omega. Hij is de Eerste en de Laatste. Die op de troon zat zei: ‘Ziet, Ik maak alle dingen nieuw.’ Alle aandacht eist het Woord op. Ziet, let erop, geef daar alle aandacht aan, zo wil de tekst zeggen. De Heere wil dat Zijn volk dit ene in het oog houdt: Ik, de Heere, maak alle dingen nieuw.

Niet alleen een nieuw jaar, dat met de seizoenen voorbij zal gaan, geeft God. Nee, het gaat om veel meer. De hemelen die er nu zijn en de aarde die er nu is, zullen voorbijgaan. Nieuwe hemelen zullen er komen en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont.

De mensen die daarop wonen zullen, zullen vernieuwd zijn. Zij zullen een nieuw hart hebben. Van het oude boze hart zal niets meer over zijn. Er zullen daar geen liefdeloze mensen meer zijn. Er zullen zeker geen goddeloze mensen meer zijn. De dood zal er niet zijn en geen rouw of gekrijt. Er zal geen verdriet zijn. God zal alle tranen van hun aangezicht afwissen. Dat zal Hij met eigen hand doen. Het heimwee van de liefde zal dan gestild zijn. Er zal daar wel blijdschap zijn. Eeuwige hemelse vreugde zal er zijn. Zij (behoren wij daar ook bij?) zullen in Uw Naam zich al de dag verblijden. Uw goedheid straalt hen toe. Daar volkomen vreugde te genieten, doordat zij Christus zullen zien, van aangezicht tot aangezicht. En zij zullen aan Hem gelijk zijn.

Dan zijn alle dingen nieuw gemaakt.

 

Ds. D. Rietdijk

Immanuël

“En gij zult Zijn Naam heten Immanuël.”

(Mattheüs 1:23)

 

Immanuël betekent in onze taal: God met ons. lmmanuël zegt ons dus dat wij op de Middelaar zien mogen. Niemand heeft ooit God gezien, de eniggeboren Zoon heeft Hem ons geopenbaard.

Wat zien wij daar? God met ons! Het geloof durft het nauwelijks te geloven, nochtans is het waar. De heilige en rechtvaardige God is met de zondaar één geworden. Hij is met Zijn volk, hoe goddeloos, hoe zondig, hoe onrein ook in Zichzelf, tevreden. Hijzelf is de eerste geweest. Dat was Zijn geweldige liefde. Hij heeft het middel gevonden, om de ganse vijandschap weg te nemen. Er is geen kloof meer tussen God en de uitverkoren zondaar. Het is alles van Gods zijde gekomen. Hij heeft Zichzelf verheerlijkt. Hij heeft hierin al Zijn deugden tentoongespreid. Dat was Zijn welbehagen.

Immanuël, wat zegt ons dus die Naam? Dit: Wat ons van God gescheiden hield, dat heeft God Zelf uit het midden weggedaan; wat ons uit de hemel hield, dat heeft Hij weggenomen; wat ons in de dood hield, dat heeft Hij vernietigd; wat ons in de hel hield, heeft Hij verhouwen; wat ons aan de zonde ketende, heeft Hij verbroken; het handschrift, dat tegen ons was, heeft Hij in het vuur geworpen; de prikkel des doods zal ons niet meer verwonden, de overwinning der hel zal niets meer tegen ons vermogen. Met het oog op Immanuël zingt Gods volk van de overwinning. In de tent van de rechtvaardigen is een stem van gejuich en van heil. Immanuël: God met ons!

Is er nog nood, hebt u nog te vrezen bij deze Naam, o, al gij treurigen te Sion, gij volk, in wiens hart de gebaande wegen zijn? U die klaagt, dat daarbinnen in het hart alles overhoop ligt, dat in het hart alles verstoord, woest en ledig is, dat niets dan zonde en dood in het hart zitten, niets dan duisternis op de afgrond ligt. U, die in duisternis en schaduw des doods gezeten bent, zie omhoog. Hij is het Licht des levens. Al zegt uw hart enkel ‘neen’, laat u Zijn Woord gewisser zijn, dan alle twijfel die u kwelt, omdat u zo zondig bent.

Immanuël, wat zegt het? Van eeuwigheid heb Ik u liefgehad. Hier is oorzaak u te verblijden. Is Hij u niet genoeg? Waar Hij met u tevreden is, wilt u het niet zijn met Hem? Op Hem gezien! Immanuël! Hoe kan Hij dat zijn? O, Hij heeft onze ziekten op Zich genomen, Hij heeft onze smarten gedragen. Hij neemt onze zonden weg. Hij neemt de last van ons af en legt die op Zich, op Zich neemt Hij onze gehele schuld.

Waarom bent u zo mager, gij kinderen van Immanuël? Moedig de sprong gewaagd in de zee van vrije genade. Er is geen gevaar, men valt, men zinkt in de armen van eeuwige ontferming en grote barmhartigheid. Hij is met u! Immanuël. God met ons, welk een Leidsman op onze pelgrimstocht! Immanuël van de jeugd aan, Immanuël in de ouderdom. Immanuël bij Zijn grijze dienaren, Immanuël bij de zuigelingen, Immanuël in het leven, Immanuël in de dood. Eeuwig, eeuwig zullen wij in Zijn zalig licht die Naam noemen: IMMANUËL.

O, gij kinderen der wereld, wat hebt u er dan aan dat u de vader der leugen tot uw leidsman hebt verkozen. O, mocht u toch, terwijl het nog tijd is, aan de duivel de dienst opzeggen en u aan de voeten van Immanuël neerwerpen. Bij Hem is de eeuwige vreugde. Wie Immanuël versmaadt, zal vallen en verbroken worden.

 

Dr. H.F. Kohlbrugge

Een woord uit het hart

“Simon Petrus dan antwoordde Hem: Heere, tot Wie zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.” (Johannes 6:68)

Dit woord wijst op een tere liefdesband. De discipelen zijn van harte aan de Heere verbonden. Dat is met de schare niet zo. Velen vinden in hun godsdienst en strenge onderhouding van de wet, het leven. Ze hebben genoeg aan hun voorrechten, deugden en plichten. Daarom keren ze zich van Christus af. Aan Zijn woorden hebben ze geen behoefte, maar met Petrus en de andere discipelen is het anders. Ze kunnen Zijn woorden, ja Christus Zelf niet meer missen.

Voor Hem heeft Simon zijn visnet verlaten en Levi zijn tolhuis achter zich gelaten. De liefde Gods is in hun hart uitgestort. Ze hebben, door genade, de Messias, de Beloofde der vaderen gevonden, van Wie Mozes en de profeten spraken. De brug naar hun vroegere leven, ook in godsdienstig opzicht, is opgehaald. Ze kunnen buiten Hem niet meer leven. Is dit ook uw taal? Zegt u het Simon Petrus na: ‘Heere, tot Wie zullen we anders heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens!’ Waarin vindt u het leven, uw vreugde en blijdschap?
Helaas zijn er velen die hun leven en vermaak in de wereld vinden. De wereld zegt: ‘Pluk de dag, je leeft maar één keer. En straks bij de dood is alles voorbij. Dood is dood.’ Wat zal het een ontnuchtering zijn als straks het tegendeel ervaren zal worden. De Bijbel noemt iemand die zegt dat er geen God is een dwaas. Maar al zeggen we het niet, houden we in onze handel en wandel, woorden en werken rekening met God? De Prediker zegt zo ernstig: ‘Verblijd u, o jongeling (en dat geldt ook ouderen) in uw jeugd, en laat uw hart u vermaken in de dagen uwer jongelingschap, en wandel in de wegen uws harten en in de aanschouwing uwer ogen; maar weet dat God om al deze dingen u zal doen komen voor het gericht.’

Anderen zijn tevreden met een uitwendige godsdienst. Maar dan houdt u het, net als de schare, bij Jezus niet uit. Dan komt er ergernis als Hij spreekt over de noodzaak van verzoening door voldoening. De boodschap van onze schuld en verlorenheid wekt verzet. Als Christus over geestelijke blindheid spreekt, vragen de geestelijke leidslieden of zij ook blind zijn. Er komt vijandschap als de Zaligmaker de onmogelijkheid aanwijst om door eigen kracht de gemeenschap met God te bewerkstelligen. Ook vandaag zijn er velen die de leer van de radicaliteit van de genade verwerpen. Zij willen wel van een helpende Zaligmaker, maar niet van een volkomen Verlosser horen. Dat komt omdat ze ten diepste eigen verlorenheid niet peilen. Wie hierin onderwijs krijgt, gaat anders tegen deze zaken aankijken. Dan is de verkiezing niet langer een muur, maar een poort. Zonder verkiezing is er geen zaligheid. In de ontmoeting met de Zaligmaker en het proeven van de zaligheid wordt tegelijk het wonder van de verkiezing aangebeden. In de hemel is er het eeuwige loflied op het wonder van de verkiezende liefde van de Drieenige God. Van dat loflied worden op aarde de eerste tonen geleerd, door jongeren en ouderen die leren dat alleen in Christus het ware leven te vinden is. Voor hen worden Christus’ woorden van levensbelang. Ze worden woorden des levens en daarom ook onmisbaar. Ze kunnen er niet meer buiten en zijn verlegen om het Evangelie dat van genade en vrede spreekt. Ze zeggen met David: ‘Zeg tot mijn ziel, Ik ben uw heil.’ Hoe zalig is Zijn spreken als alle hoop op behoud door eigen werken en verdiensten ons ontvalt en niemand, behalve deze van God gegeven Zaligmaker, onze ziel kan bevrijden van zonde en dood. Als Hij in de verlorenheid van het leven Zich openbaart als de Weg, de Waarheid en het Leven. Hoe troostrijk zijn dan Zijn woorden in ons hart: ‘Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven.’
Welk een zaligheid wordt er gesmaakt als de Heilige Geest ons ook verzekert van de vergeving van onze zonden en een genaderecht schenkt op de hemelse erfenis. De Heere spreekt altijd door Zijn Woord.
Hoe staat u tegenover dat Woord? Kunt u uw Bijbel wel missen? Als dat zo is, bent u eigenlijk diepongelukkig. Het Woord is immers het instrument van de Geest. De woorden van God moeten ons onmisbaar worden. Gelukkig de jongere, de oudere die met Petrus mag zeggen: ‘Heere, tot Wie zullen we anders heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.’

 

Ds. B. van der Heiden

Vergeet nooit een van Zijn weldadigheden

“Of veracht gij de rijkdom Zijner goedertierenheid en verdraagzaamheid en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt?” (Romeinen 2:4)

Als u dit onder ogen krijgt, worden de jaarlijkse dankdagen weer gehouden. Hoewel het in alles openbaar komt dat de Heere een twist heeft met de inwoners der aarde, schenkt Hij ons dit nog. Moeten we ons niet verwonderen over al het goede dat de Heere ons doet toevloeien. We hebben ieder voor zich alle reden om neer te zinken aan de voeten des Heeren.

Maar ware dankbaarheid is geen vrucht van onze akker. We beseffen onze afhankelijkheid niet en we zien Gods geopende hand niet. Wat zou het een voorrecht zijn, wanneer we last kregen van ons ondankbaar hart. Ook Gods kinderen moeten vermaand worden: ‘Vergeet nooit een van Zijn weldadigheden’.

De woorden van onze overdenking zijn een vraag. God komt tot ons met een vraag van zelfonderzoek: ‘Of veracht gij de rijkdom Zijner goedertierenheid?’ Betoont de Heere Zijn goedertierenheid niet hierin, dat we nog mogen leven?

Hoe dikwijls vlogen de pijlen des doods vlak langs ons heen? Ze troffen een vriend, een kind, wij bleven gespaard. Wat een onderscheid heeft de Heere gemaakt, waar geen onderscheid was. Van die goedertierenheid getuigt ook onze gezondheid. Wie haar moet missen, mist voor het leven heel veel.

Hij klaagde: ‘De vossen hebben holen, de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd kan neerleggen’.

Heeft de Heere ons als natie niet vele bewijzen van Zijn goedertierenheid geschonken? In zoveel landen wordt er bloed vergoten en wij mogen nog in vrede leven. Andere volkeren op de aarde werden door het oorlogszwaard getroffen en ons ging de Heere tot hiertoe voorbij. Die rijkdom komt ook uit daar we mogen leven in het licht van het Evangelie. Velen horen die boodschap nooit. Echter tot ons komt de Heere dag aan dag in het gewaad van Zijn Woord. Ook dit jaar werden we geroepen, genodigd en gelokt. Wat hebben we met die boodschap gedaan?

Wat is de Heere verdraagzaam en lankmoedig geweest. Wij hebben Gods gebod overtreden, onze schuld groter gemaakt, wat is God groot, dat Hij in Zijn lankmoedigheid het oordeel heeft uitgesteld. En wat is nu Zijn oogmerk daarmee?

Wat bedoelt Hij met de openbaring daarvan? Het moet bij ons komen tot waarachtige bekering, want een mens stelt zijn bekering altijd uit. Hoe nodig is het dat ons hart geraakt wordt, vertederd en verbroken. Dat wij ons leren kennen als een verloren zondaar of zondares voor God.

Als Gods Geest ons bearbeidt, leren we onszelf kennen als van God afgevallen en de duivel toegevallen.

Dan kunnen we niet begrijpen dat God zo goed voor ons is. Dan staat Zijn grote goedheid tegenover onze slechtheid. Dan worden wij verbroken en verslagen, dan smeken we: ‘Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent’. Dan hebben we aan de zegeningen niet meer genoeg, dan gaat het om God zelf. Wat een wonder wanneer zo één nog zalig kan worden. Dan weidt onze ziel daar met een verwonderend oog.

Dan wordt er een dankdag gehouden op de puinhopen van ons bestaan, maar dan mag er ook gestameld worden: ‘Ik dank U HEERE! dat Gij toornig op mij geweest zijt, maar Uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij’.

Ds. A.J. Gunst

Bijna bewogen

Gij beweegt mij bijna een Christen te worden.
(Handelingen 26 vers 28b)

Paulus is gevangengenomen en naar Cesarea gebracht. Na de verantwoording voor Felix, de stadhouder moet hij zich voor diens opvolger Festus verantwoorden om welke reden hij gevangengenomen is. Daarbij wordt Paulus genoodzaakt zich op de keizer te beroepen. Terwijl hij nog in Cesarea verblijft, brengt koning Agrippa met Bernice een bezoek aan Petrus. Deze wil diens advies wel inwinnen, wat hij met Paulus moet doen. Agrippa wil daaraan wel voldoen, maar wil dan ook eerst Paulus horen.

Zo ontvangt Paulus de gelegenheid zich voor Agrippa te verantwoorden. Hij getuigt van zijn roeping en de opdracht die de Heere hem gegeven heeft om de heidenen het evangelie te verkondigen. Agrippa heeft met aandacht het woord van Paulus aangehoord en het heeft hem niet onberoerd gelaten. Hij staat niet zo vreemd tegenover wat de stadhouder als razernij betitelt. Het geslacht van de Herodessen weet van Johannes de Doper, de vriend van de Bruidegom. Ze hebben Jezus gezien op Zijn kruisgang en het gerucht van de apostelen vernomen. Ze weten van de groei van de gemeenten. Agrippa gebruikt het woord “christen” en blijkt ingewijd te zijn in de ontstaansgeschiedenis van de kerk.

Hij is uit het geslacht van hen die van het Woord weten. Nu wordt hem het Evangelie aan het hart gelegd. De deur der genade staat voor hem nog open, de gezant van de Heere tracht hem te dwingen om in te gaan. Agrippa geraakt in tweestrijd. Er gaat iets uit van de man vóór hem, waarvan hij onder de indruk komt. Zal hij opstaan en zich gewonnen geven? Zal hij uitroepen: wat moet ik doen om zalig te worden? Neen, voor de beslissende stap deinst Agrippa terug.

Waarom? zouden we kunnen vragen. En dan weten we dat Paulus slechts een mens is, die plant, maar afhankelijk is van de wasdom van de Heere. Hij kan het hart niet veranderen. Zonder de werking van de Heilige Geest zal het Woord niet levendmaken. Maar de waarheid heeft ook nog een andere zijde: Agrippa wil niet, hij verhardt zich en kiest tegen de Heere. Hij wil Mozes’ keus niet. Het verloren gaan is niet allereerst een lot, maar het heeft altijd een geschiedenis achter zich. Een geschiedenis van een ingaan tegen de roepstemmen.

Ook bij Agrippa is er iets dat de bewogenheid onderdrukt en overwint. Hij ziet Paulus wel als christen, maar in een keten, hij draagt de smaadheid van Christus’ kruis. Hij hoort Festus’ kritiek: gij raast Paulus. Hij weet Bernice naast zich aan wie hij met vele zondenbanden is verbonden. Het christen worden brengt de eis met zich mee zijn begeerlijkheden te kruisigen, maar die koestert Agrippa. Hij zou misschien wel christen willen worden, als hij Agrippa kon blijven. Hij zou ’t leven willen winnen, zonder er iets bij te verliezen. Wat ontbreekt hier?

Het leven zonder God is hem geen last. Hij haat de zonde niet als zonde tegen God. Hij kent geen droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt. De rechtvaardige zal nauwelijks zalig worden. Maar een geveinsde die deze droefheid zeker niet kent zal, ondanks zijn hoop behouden te worden, niet zalig worden, zolang hij erin volhardt. Er is een wezenlijk onderscheid tussen de ware- en de schijn-christen. De oprechte kan de vuurproef van een ontdekkende prediking doorstaan en wenst dat hetgeen waarop hij zijn hoop vestigt, getoetst wordt aan Gods Woord. Hij wil weten dat Gods werk in hem waarheid is en wenst op een vast fundament gebouwd te worden. Ook wil hij zalig worden in een weg, waarin God aan Zijn eer komt, zonder dat Zijn deugden gekrenkt worden. Hij heeft de Heere nodig en zoekt Hem in het verborgen. Het geloof werkt door de liefde en het verandert en vernieuwt de oprechten. Daardoor kent hij ook de strijd tegen de zonde als zonde, ook met hetgeen daarvan in hem opwelt.
De nabij-christen is bevreesd voor de gevolgen van de zonde. Hij is als iemand die bang is om te eten, omdat hij bevreesd is dat het hem slecht bekomt. Zo is de nabij-christen bang voor de straf en heeft strijd met de dodelijke zonden, maar niet met hetgeen in zijn gedachten leeft. Uiterlijk kan hij de weg ten hemel gaan en tot grote hoogte komen. Onder de ontdekkende prediking zal hij geen acht slaan op wat tot toetsing wordt voorgehouden.

Er is geen moeilijker werk dan een mondchristen te bekeren, al is bij de Heere alles mogelijk.
De oprechte is bevreesd en helaas traag om de beloften van het evangelie op zich toe te passen voor wie ze toch juist bedoeld zijn. Maar de Heere is de Eerste en de Laatste en weet wat van Zijn maaksel te wachten is.

Lezer(es), is verlangen naar oprechtheid ook kenmerk van uw leven? Dan weet de Heere waar het u om te doen is en zal Hij u niet beschaamd laten staan. Vraag maar veel ontdekkend licht en zoek uit Zijn Woord het onderwijs te ontvangen dat tot de kennis van de enige grondslag van zaligheid leidt namelijk de gekruisigde Christus.

 

Ds. H. Paul

Worden als een kind

“En zeide: Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.”
(Matth. 18:3)

De Heere Jezus is met Zijn discipelen op weg naar Kapernaüm. Onderweg hebben de discipelen woorden met elkaar. Wij zouden zeggen: Hoe is het toch mogelijk? Kinderen van God, wandelende met de Heere Jezus op de weg en dan woorden onder elkaar. Wat komt het hier toch ook weer uit dat Gods kinderen ook mensen blijven. Mensen met een hoogmoedig bestaan. Want de “woorden” die ze onder elkaar hadden, gingen erover wie van hen de meeste zou zijn. Ze hadden het wellicht bedekt gedaan. Misschien wel gedacht dat hun Meester het niet hoorde. Maar wanneer zij in Kapernaüm gekomen zijn, gaat de Heere Jezus ernaar vragen: “Waarvan had gij woorden onder elkander op de weg?” En dan gevoelen die discipelen het wel hoe verkeerd en vleselijk ze bezig geweest waren. Want dan lezen we in het Markus-Evangelie: “Doch zij zwegen; want zij waren onder elkander in woorden geweest op de weg, wie de meeste zou zijn.” Ze zijn beschaamd vanwege die ontdekkende vraag van hun Meester. De meeste te willen zijn. Het leeft in ons aller hart. Het is ten diepste de zonde die we bedreven in het paradijs: als God te willen zijn. Wat heeft die zonde van het hoogmoedige hart al veel verwoesting aangebracht. Ook in het leven van de Kerk des Heeren. Het leeft hier onder de discipelen van de Heere Jezus. Maar wat is het nog groot dat hun Meester erover begint. Wanneer het aan de discipelen had gelegen, dan hadden ze het maar liever verzwegen. Maar de Heere gaat het ontdekken. Dat is tot schaamte en schande van de discipelen, maar aan de andere kant is het zo nodig, opdat het ingeleefd zou worden wie een mens blijft, ook na ontvangen genade. Kennen wij ook die ontdekkende lessen van die Grote Meester? Wat leggen ze toch de schuilhoeken van het hart bloot. Dan worden er zaken in het licht gesteld die wij maar liever verborgen hadden willen houden. Maar wat een zegen om aan onszelf ontdekt te worden, voor het eerst of bij vernieuwing.

Maar de Heere Jezus ontdekt niet alleen de kwaal, Hij wijst ook het middel tot genezing aan. “Voorwaar zeg Ik u, indien gij u niet verandert en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.” Daar staan de discipelen. Ze wilden allemaal zo graag groot worden. Maar, zegt de Heere Jezus, om in het Koninkrijk der hemelen in te kunnen gaan, moet u klein worden. Wat een les! Dat was nu juist hetgeen zij niet graag wilden. Dat is de weg die tegen ons bestaan ingaat. Maar het is de weg die geleerd wordt op de leerschool van de genade. Immers, het is ook de weg geweest die de Borg moest gaan. Hij was de Gróótste, maar Hij werd de Minste. Om nu Zijn voetstappen te mogen leren drukken. Dat is nooit meer het werk van de mens, maar het is het werk van Gods Geest in de mens. Om nu in kinderlijke afhankelijkheid, in kinderlijk vertrouwen, in kinderlijk opzien tot de Heere en in ootmoedigheid des harten onze weg te mogen gaan. Dat is hetgeen de Heere Jezus Zijn discipelen als medicijn gaat voorhouden. Het medicijn tegen het hoogmoedige hart. Dan mag de gedurige bede wel zijn: Heere, maak me klein en houd me klein.
Het was een vernederende les die de Heere Jezus hier aan Zijn discipelen gaf. Die les heeft hen beschaamd en bedroefd gemaakt over hun eigen bestaan. Maar de Heere was zo trouw in hun leven door ze langs deze weg weer op hun plaats te brengen. Moge deze les ook in ons midden nog tot verootmoediging zijn. En dat in waarheid beleefd zou mogen worden hetgeen de dichter van Psalm 131 heeft gezegd: O Heere! Mijn hart is niet verheven en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk.”

 

Ds. P. Melis

Weer naar school

‘En Mozes werd onderwezen…’

(Handelingen 7 vers 22a)

Het is nu de tijd dat de scholen weer beginnen. Dat kan voor een kind een heel ingrijpende gebeurtenis zijn, vooral als het voor het eerst naar school moet. De veilige geborgenheid bij moeder wordt verlaten en het kind moet de grote, vreemde wereld in.
Zo was het zeker voor Mozes, over wiens schoolopleiding Stefanus hier in zijn rede spreekt. Mozes heeft verschillende leerscholen doorlopen in zijn leven. We zouden kunnen spreken van de school in Egypte, van de school in Midian en van de school in de woestijn. Elk van die drie ‘opleidingen’ duurde zo’n veertig jaar. Stefanus spreekt hier alleen van de eerste leerschool: die van Egypte. Mozes was drie jaar oud toen hij voor het eerst naar school moest.

Vraag niet wat dat voor zijn moeder Jochebed heeft betekend! ’t Was al zo’n ingrijpende zaak toen zij haar lieve kind drie maanden oud, neer moest leggen in het hoge riet aan de oever van de Nijl.
Drie maanden waren voorbijgegaan, waarin zij haar kind had moeten verbergen, dag en nacht, voor de speurhonden van Farao. Zij heeft het gedaan in het geloof, lezen wij in Hebreeën 11. Dat allerheiligst geloof, dat met Christus verenigt, dat een vaste grond is der dingen die men hoopt en een bewijs der zaken die men niet ziet, dat geloof deed haar handelen! In datzelfde geloof heeft zij mogen ontdekken, dat haar kind schoon was. Schoon voor God, staat er eigenlijk in de rede van Stefanus. Nee, het was maar geen moedertrots die haar schoonheid deed zien in haar kind; het waren de ogen van het geloof, waarmee zij het werk van God in dit jonge kind kreeg te zien en waarmee zij iets aanschouwde van de schoonheid, die God in Christus in dit kind gelegd had. Wonderlijk wél had de Heere het gemaakt, daar aan de oever van de rivier. Wat was het meegevallen! Het schreien van het pas ontdekte kind had het hart van Farao’s dochter vermurwd. Zij had dit kind tot haar zoon aangenomen. En Jochebed had nog drie jaar voor de jonge Mozes mogen zorgen.

Met hoeveel liefde, met hoeveel gebeden en met hoeveel tranen zal zij haar kind hebben omringd! Tot het moment kwam, dat zij hem wéér af moest staan… Misschien nog wel moeilijker dan de eerste keer. Een kind van drie jaar, zeggen de moeders, is het meest aanhankelijk. Dán zijn ze het liefst, die kleinen. En dit kind moest ze overgeven… Nu niet aan de krokodillen van de Nijl, maar aan het Egyptische hof. Wat is erger? Zij wist dat Mozes naar een school zou moeten gaan, waar met de God van zijn ouders niet gerekend, maar gespot werd. Veel wijsheid zou hij er opdoen, maar de vreze des Heeren, die het beginsel der wetenschap is, was er niet in tel. Hoe zou het gaan?
Hoe zal het gaan? ’t Is de bange vraag van veel ouderharten, die hun kinderen, klein of groot, voor het eerst of opnieuw, af moeten staan. Het is met Mozes goed gegaan. Hij werd onderwezen in ál de wijsheid der Egyptenaren. Dat was heel wat in die dagen. Sterrenkunde, wiskunde, geschiedenis, rechten, medicijnen … Wat heeft hij er later een báát bij gehad, daar in die woestijn, die veertig lange jaren!
Maar het grootste wonder: hij heeft daar op school het geloof mogen behouden.
Dat geloof deed hem uiteindelijk weigeren een zoon van Farao’s dochter genaamd te worden en verkiezen liever met Gods volk kwalijk behandeld te worden dan voor een tijd de genieting van de zonden te hebben…

 

Ds. A. Moerkerken

Jehovah is Koning

“De HEERE regeert, dat de volken beven. Hij zit tussen de cherubim” (Psalm 99:1)

 

Deze Psalm begint met een machtige uitspraak: De HEERE regeert. Jehovah, de God van het verbond met Israël, is Koning. Hij is niet alleen een Koning ver weg in de hemelse heerlijkheid. Hij is Koning te midden van Zijn volk, want: Hij zit tussen de cherubim. Hij heeft Zijn troon in het midden van Israël neergezet en zit als Koning op de Ark van het verbond tussen de cherubim.

De HEERE regeert, zegt de dichter van deze Psalm. Hij houdt de teugels van het wereldbestuur in Zijn hand. Hij bestuurt alle dingen. Hij doet dit te midden van het woeden van de volken. Zo willen de beste taalkenners hier het woord beven verstaan. Zij verwijzen naar Psalm 2:1, waar we lezen: Waarom woeden de heidenen en bedenken de volken ijdelheid. Het is de machtige boodschap van Psalm 99 dat de Heere regeert in het midden van de woedende volken. Volken, die volgens Psalm 2 woeden tegen de Heere en Zijn Gezalfde.
De boodschap van Psalm 99 is een rijke troost te midden van alle dreiging en onrust. Het is het houvast van de kerk van alle eeuwen geweest. En de Heere geve, dat het ook ons houvast mag zijn.
We kunnen wel zeggen, dat we in onze dagen temidden van woedende volken leven. Regiems zijn omver geworpen; nieuwe machten zijn opgestaan; het evenwicht verstoord en zekerheden weggevallen. Er hebben waarschijnlijk nog nooit in zo’n korte tijd zulke verschuivingen van machten in onze wereld plaats gevonden. Er heersen overal grote spanningen(…). Het bezet ons met onzekerheid en vrees. We zien waartoe de mens in staat is, als God Zijn weerhoudende hand van ons wegneemt.
De boosheid van Satan en de verdorvenheid van de mens zijn twee geweldige machten. Wanneer die niet meer door God in de toom gehouden worden, gebeuren er vreselijke dingen. We zien dan dingen gebeuren die op de eindtijd wijzen. Waar is in zo’n wereld nog houvast te vinden? Het ware houvast is alleen te vinden in wat Psalm 99 zegt: De HEERE regeert. Niet de duivel, maar de Heere regeert. Jehovah is Koning!

Dit maakt het echter voor velen niet gemakkelijker, maar moeilijker. Moet ik bij alles wat er gebeurt, denken dat God regeert? Kan er onder de regering van God dan zoveel kwaad gebeuren? Waarom verhindert Hij dit niet? Waarom laat God dit allemaal gebeuren? Op al die vragen omtrent de Godsregering heeft de dichter van de Psalm maar één antwoord, namelijk: Hij is heilig! Het is als het ware door heel de Psalm geweven. Steeds is het antwoord: want de HEERE, onze God is heilig. Dit antwoord moest voor ons voldoende zijn. Het leert ons dat God nooit iets doet wat met Zijn heiligheid in strijd is. Al begrijpen wij veel dingen niet, maar dit moeten we weten: De HEERE is heilig. Voor het geloof is dit genoeg. Het zegt: Bij U mijn God is het onrecht nooit gevonden. De psalmdichter weet vooral ook één ding met zekerheid. De HEERE regeert! Hij regeert te midden van de woedende volken en te midden van al de raadselen van ons leven. Hij weet nog meer. Hij zegt: Hij zit tussen de cherubim.
De troon waarop Jehovah als Koning zat, was de Ark van het verbond in het Heilige der heiligen. Op het deksel van de Ark stonden twee cherubim, twee engelenfiguren. Met hun vleugelen vormden zijn een soort baldakijn boven de troon van God. Tussen deze engelenfiguren was God als Koning gezeten op Zijn troon. Hij zat tussen de cherubim op het deksel van de Ark. Dit deksel was Zijn troon. Op dit deksel sprengde de hogepriester jaarlijks het bloed van het zondoffer. De Schrift spreekt daarom over Gods troon als de genadetroon. Vanaf deze genadetroon, zo zegt Psalm 99, regeert de HEERE. De verzoende God regeert onze wereld. Justinus de Martelaar voegde aan de woorden van Psalm 99 toe: De HEERE regeert, vanaf het hout. Hij bedoelde vanaf het kruis van Golgotha. God is gezeten op een troon waarop het bloed der verzoening is gesprengd. Van zo’n troon komt vergeving voor het schuldverslagen hart; kracht om het kruis te dragen en houvast temidden van het woeden der volken.

De verzoende God regeert. Hij regeert vanaf een troon waarop het bloed van Christus is gesprengd. Het wil zeggen dat God de dingen alzo regeert, dat Gods gemeente de door Christus verworven zaligheid zal verkrijgen. Het wil zeggen dat allen die schuldverslagen bij deze genadetroon schuilen niets te vrezen hebben. Van een God Die op een genadetroon zit, komt voor Gods gemeente een rijke troost. De HEERE regeert, betekent voor hen dat alle ding tot hun zaligheid dienen zal. Zelfs het woeden van de volken en het blazen der tirannen.

Gods kinderen mogen daarom zeggen: Rust mijn ziel, uw God is Koning!

De HEERE regeert! Jehovah is Koning! Niet de duivel, noch de geweldhebbers der aarde, maar God regeert. Maar zal die regering ons tot zaligheid zijn? Dan moeten wij als een doodschuldig zondaar tot Zijn genadetroon komen met geen andere bede dan: O God! Wees mij zondaar genadig! Het zal zo meevallen voor allen die vrezend en bedroefd over hun zonden tot Gods genadetroon de toevlucht zoeken. Tot hun verwondering zullen zij zien: Er is bloed op Gods troon. Het bloed van Jezus Christus, dat betere dingen spreekt dan Abel. Maar wie weigert voor Gods troon te buigen, zal ervaren: Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter. Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat. Kust daarom de Zoon opdat Hij niet toorne en u op de weg vergaat.

 

Ds. C. Harinck