Een indringende vraag

“Jezus dan zeide tot de twaalven: Wilt gijlieden ook niet weggaan?” (Johannes 6:67)

 

In de synagoge van Kapernaüm heeft de Heiland het Evangelie verkondigd: “Ik ben het Brood des levens” (Joh. 6:48).

De schare, de discipelen en de twaalven hebben geluisterd. Tenslotte besluit de Heere Zijn preek. De schare gaat naar huis. De vele volgelingen van de Heere gaan ook weg. Het wordt leeg en stil in de synagoge. Slechts dertien personen blijven achter. Het zijn de Heere en de twaalf discipelen. “Deze rede is hard.”

Het Woord wordt verworpen. Deze profeet valt tegen. Zijn dienst wordt verlaten. Velen wandelden niet meer met Hem. Verwerping van Zijn Woord en verlating van Zijn dienst is het slot. Ontzaglijke werkelijkheid. “En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos” (Joh. 3:10).
Plotseling spreekt de Heere Zijn twaalf discipelen aan. Vraagt Hij of ze blijven? Haalt Hij de scherpe kantjes van Zijn boodschap af? Spreekt Hij hen met bemoedigende woorden toe? Krijgen de discipelen een compliment voor hun standvastigheid? Nee! Integendeel! “Wilt gijlieden ook niet weggaan?” Op dit kritieke moment plaatst de Heere Zijn twaalf discipelen voor de keus: Weggaan of blijven; volharden of vertragen; belijden of zwijgen; de dood of het leven.

Het Evangelie is een boodschap met twee kanten.
Christus wijst op weggaan of blijven. Hij brengt de boodschap van dood of leven. Hij heeft gewezen op de brede en de smalle weg. De prediking van het Evangelie is een boodschap, die scheiding aanbrengt. Het is tot oordeel of tot voordeel. Het zal onze schuld vermeerderen of wegnemen. Het is van tweeën één. Duidelijk stelt de Heere de twee zijden van Zijn boodschap in het licht. Er is tussen de brede en de smalle weg geen andere weg. Er is haat tegen God of er is liefde tot God in het hart uitgestort. Er is een benodigen van de Zaligmaker of een kunnen leven zonder Hem. De derde weg bestaat niet. Dat is een leugen. “Wilt gijlieden ook niet weggaan?” Christus wijst op weggaan of blijven. Naomi stelde Ruth voor de keus: Moab of Kanaän; de wereld of God. “Keert weder, mijn dochters” (Ruth 1:11-12). Elia heeft Israël voor de keus geplaatst: Baäl of God, weggaan of blijven. Weggaan betekent de dood. Het is de vloek. Het is de verharding. Het is de ondergang. “Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking; Maranatha!” (1 Kor.16:22).
Blijven is het leven: “Die dit Brood eet zal in der eeuwigheid leven” (Joh. 6:58). Klemt dat weleens in ons leven? Raakt de ernst van de boodschap ons?
Velen ergeren zich aan het Evangelie. Velen gaan tenslotte weg. In Adam heeft een mens tegen God gekozen. Hij kiest voor zichzelf. Hij kiest de weg naar de dood. Gewillig en bewust gaat een mens van nature verloren. Hij wil God niet dienen. Hij kan God niet dienen. God dwingt een mens niet tot zonde. De gevallen mens kiest vrijwillig voor de zonde, de duivel en de wereld. Om eigen schuld gaat een mens verloren. Bovendien verwerpt een mens het Evangelie. Het is de Joden een ergernis, de Grieken een dwaasheid. Heil in een Persoon, die Zichzelf vernedert? Redding in een Heiland, die geboren is in een stal? Verlossing door een Verlosser, die Zich laat kruisigen? Onmogelijk, zeggen de wijzen en verstandigen van deze wereld. Op de Areopagus hebben ze ermee gespot. In de synagoge hebben ze zich eraan geërgerd. De mens gaat voor het Evangelie op de loop. Hij is weggelopen bij God. Hij blijft weglopen. Nooit zal een Adamskind, uit zichzelf, terugkeren naar God. Hij gaat liever verloren, dan uit genade behouden te worden. Het Paradijs is verloren. De vloek van de wet doet hem niet beven. Het Evangelie trekt hem niet. Hoe diep is toch de verlorenheid van het mensdom. “Wij hebben u op de fluit gespeeld, en gij hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen, en gij hebt niet geweend” (Matth. 11:17).
Zo gaat elk mensenkind zijn weg. Zo gaat hij weg. Weg bij God. Weg bij de dienst van God. Weg bij het Evangelie van God. Greep de schrik des Heeren u al aan?

Sommigen komen tot de goede belijdenis. Petrus mag namens de andere discipelen de keuze van zijn leven openbaren. Het is de keuze voor God en voor Zijn dienst.

Het is de keuze voor het Evangelie van het Kruis. Het is de keuze van de kracht Gods tot zaligheid, een iegelijk die gelooft. Deze keuze is een wonder. Het is een wonder van Gods opzoekende zondaarsliefde. Het is de keuze die God, in Christus, Zelf heeft gewerkt. Het is Gods eigen werk. Het is het werk van de drie-ënige God. Het gaat terug op het verkiezend welbehagen van de Vader. Dat is de diepe bron. Het is verworven door het lijden en sterven van Christus. Het wordt toegepast door de Heilige Geest.

Ontroerend ogenblik als de zondaar deze keuze mag openbaren. Wat een blijdschap voor de kerk des Heeren. Er is een nieuweling in Sion geboren. Wat een heerlijkheid voor Christus. Het is het loon op Zijn gezegende arbeid. Wat een onbegrijpelijke verwondering voor zo’n ziel. “Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten,… want waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk, en uw God is mijn God” (Ruth 1:16).

Hoe rijk en groot mag Petrus dan getuigen van de zaligheid in Jezus. Tot Wien zullen wij heengaan? Jezus is de enige Zaligmaker! Gij hebt de woorden van het eeuwige leven. Jezus is de volkomen Zaligmaker. Genade is in Zijn lippen uitgestort.
Wat is de keuze van uw hart? Waar ligt uw verlangen? Wat is uw uitzien?

“Want die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van den HEERE. Maar die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen, die Mij haten, hebben den dood lief” (Spr. 8:35-36).

 

Ds. W. Visscher

“Onze zielen gespijzigd…..”:

De dankzegging van het Avondmaalsformulier begint met te wijzen op de weldaden van de Heere: “Geliefden in de Heere, dewijl de Heere nu aan Zijn tafel onze zielen gespijzigd heeft, zo laat ons al tezamen Zijn naam met dankzegging prijzen”. De grond van de dankzegging ligt in de weldaden van God. Het formulier zegt dat de Heere onze zielen met brood en wijn gespijzigd heeft. Houdt de opsteller van het formulier dan geen rekening met mensen die niet in oprecht geloof gekomen zijn? Die zijn er toch ook? Zelfs aan de tafel waar de Heere Jezus aan zat met Zijn discipelen, zat in het eerste deel Judas erbij. Er kunnen mensen komen die zichtbaar de tekenen wel ontvangen, maar die ze niet ontvangen in geloof, maar in ongeloof. Dan zal het ons niet ten zegen zijn. Integendeel, dan zal het oordeel van de verharding over ons komen. Dat is duidelijk, dat leert de Schrift: Die eet en drinkt zichzelf een oordeel. Natuurlijk weten de vaderen dat.

Maar de dankzegging is evenzeer een zaak van het geloof als het gebruik van het sacrament dat was. Ze gaan met de ware tafelgenoten een dankzegging houden in het geloof: Dewijl de Heere nu aan Zijn tafel onze zielen gespijzigd heeft…. Hoort u de krachtige taal die de vaderen daarin gebruiken? Dus niet: misschien hebt u wat gekregen; het moet nog maar bekeken worden of u wat gekregen hebt. Nee! Elke arme zondaar die in het geloof belijdt dat zijn verwachting alleen de Heere Christus is, zal geen lege of bedriegelijke tekenen ontvangen. Daar zullen dat teken en zegel hun uitwerking niet missen. Christus is immers de inhoud van die tekenen. Het brood en de wijn wijzen naar het offer van Christus heen. In art. 33 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis staat: “want Jezus Christus is hun waarheid, zonder Wie zij niet met al zijn zouden”. Christus is hun waarheid. Dat is hun verwachting, daarop leunen zij. Dat is het fundament van hun ziel. Daarom zullen die tekenen voor hen ook niet ledig blijven. Zonder Hem zouden zij ijdel, leeg zijn. Daarom zeggen onze vaderen: Dewijl de Heere nu aan Zijn tafel onze zielen gespijzigd heeft… Nu zullen wij voor het gevoel de ene keer meer ontvangen aan het Avondmaal dan de andere keer. Maar onze vaderen waren er sterk van overtuigd dat God door deze tekenen verzegelt en waarmaakt. Wie de belijdenis wil laten spreken, leze art. 35 van de Nederlandse geloofsbelijdenis: “Zo werkt Hij (=Christus) dan in ons, al wat Hij door deze heilige tekenen ons voor ogen stelt; hoewel de wijze ons verstand te boven gaat, en ons onbegrijpelijk is, gelijk de werking van de Heilige Geest verborgen en onbegrijpelijk is”.

Het doet wat, het sterkt uw ziel. Alleen : hoe? Het kan dat u dat achteraf nog meer ervaart dan tijdens de avondmaalsviering zelf. Daarna gaan ze over tot de eigenlijke dankzegging. Dat is een gedeelte uit Psalm 103, de verzen 1 tot en met 4, en vanaf vers 8 tot en met 13. Daarin gaat het steeds over de weldaden van de Heere: over vergeving, genezing, verlossing en over het kronen met barmhartigheid en goedertierenheid. Het tweede gedeelte is genomen, na een inleidende tekst, uit Rom. 8: 32 en uit Rom. 5: 8 – 10. De eerste zin is uit Rom. 8: 32: Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? En in Rom. 5: 8 – 10 gaat het erover wat de Vader schonk, wat de Vader gedaan heeft en hoe Hij Zijn liefde geopenbaard heeft. Want Christus is gestorven en heeft ons met God verzoend toen wij nog vijanden waren.

De dankzegging gaat naar een hoogtepunt, een climax. Aan de ene kant laten ze zien wie wij zijn: vijanden van God. Toen wij nog vijanden waren. Toen heeft God Zijn Zoon gegeven. Toen heeft Zijn Zoon Zichzelf geofferd tot in de dood des kruises. Christus is voor ons gestorven toen wij nog vijanden waren. Wij hebben de genade van God niet opgewekt. Wij hebben er niets aan toegebracht. En kunnen er ook niets aan toebrengen: toen wij nog vijanden waren, is Christus gestorven en zijn wij met God verzoend. Vijanden van God, daarmee zijn wij getekend tot in het diepst van ons hart. Dat zijn we geworden en gebleven. Dat blijft zo, totdat God Zijn liefde in ons hart uitstort. Het wonder is: God ziet naar mensen, naar vijanden om in Christus. En Christus geeft Zich voor vijanden. Dan komt de climax: indien dan Christus voor ons gestorven is toen wij nog vijanden waren, toen wij met God verzoend werden door de dood van Zijn Zoon, veel meer zullen wij behouden worden door Zijn leven.

Hier horen we eerst wat de dood van Christus overtreft. Veel meer, staat er, zullen we behouden worden door Zijn leven. Het gaat om twee dingen: verzoend en behouden. Als vijanden verzoend met God. En behouden worden door Zijn leven. Wat bedoelt de apostel daarmee? Christus is gestorven om aan het recht van Zijn Vader te voldoen. Maar nu leeft Hij in de hemel. En dat leven is evenzeer ten goede van Zijn Kerk als Zijn dood. Ja, zegt Paulus, veel meer nog. Want denk eens in dat Christus in de dood gebleven was? Niemand had dan ooit behouden kunnen worden. Wie had er dan voor hen gebeden? Wie zou hen hebben beschermd en bewaard? Wie had hen geregeerd met Zijn Woord en Geest? Immers niemand. Ze zouden nog omkomen. Christus’ dood is tot verzoening en Zijn leven is tot behoudenis. Hij leeft en daardoor zal Zijn Kerk leven. Hij zal hen behoeden en bewaren en straks tot Zich nemen in heerlijkheid: Ik leef, en gij zult leven. Die levende Jezus zorgt dat Zijn Kerk thuiskomt.

 

wijlen ds. D. Rietdijk

Jezus’ opgaan naar Jeruzalem

“Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal de overpriesters en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen.

En zij zullen Hem de heidenen overleveren, om Hem te bespotten en te geselen, en te kruisigen; en ten derde dage zal Hij weder opstaan.”

(Mattheüs 20:18,19)

Opgaan naar Jeruzalem heeft voor de Jood een bijzondere betekenis. Het betekent niet zomaar “naar de stad gaan”. Nee, er ligt een diepe geestelijke betekenis in. De uitdrukking “opgaan naar Jeruzalem” moet geplaatst worden in het licht van het gaan naar het huis des Heeren om daar voor Gods aangezicht te verschijnen. Juist rond de grote feesten als Pasen en Pinksteren had het gaan naar Jeruzalem een bijzondere betekenis. Het bezoeken van de oude koningsstad stond dan geheel in het licht van het bevel om de Naam van de Heere te gedenken en voor Zijn aangezicht zich te verootmoedigen en de offers te brengen.
Het gaan naar Jeruzalem was opgaan omdat Jeruzalem hoog was gelegen op de heuvels. In het bijzonder denken we daarbij aan de berg Sion waarop de tempel was gebouwd.

Voor de Heere Jezus was het een bijzonder opgaan. Hij gaat al de schaduwen vervullen. Het ene offer waar heel de oudtestamentische eredienst heen wees, gaat Hij brengen.

Ook valt ons hier op dat Hij Zichzelf de Zoon des mensen noemt. Het is de oudtestamentische titel voor de Messias (Daniël 7:13). Gods enig geboren Zoon gaat de weg van het offer. De Koning wordt knecht. De gang welke Hij hier maakt zal Hem het leven kosten. Hoor hoe nauwkeurig de trappen van Zijn lijden worden voorzegd. Ga het maar na in de tekst: “overgeleverd, ter dood veroordelen, bespotten, geselen, kruisigen, ten derde dage weder opstaan”.

Leerden wij Hem volgen in Zijn vernedering? Wat denken wij van Zijn opgaan naar Jeruzalem? Christus Zelf sprak van het geven van Zijn leven als een “rantsoen voor velen”. Daarom wordt Hij overgeleverd en gedood. Achter de overpriesters en de Schriftgeleerden die hier hun hand in hebben, zien wij de hand van de Vader. God Zelf geeft Zijn Zoon over in de dood des kruises. Zo is God de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende.

Niet alleen de Joden zullen hun aandeel hebben in de dood van Christus. Ook de heidenen zullen betrokken zijn bij Zijn ondergang en dood. We zullen moeten denken aan de Romeinen. In dat verband spreekt Christus ook van de kruisiging.
Wat zullen de discipelen geschokt geweest zijn bij het horen van deze dingen. Hun geliefde Meester zal in Jeruzalem door de geestelijke leiders van het volk overgeleverd en ter dood veroordeeld worden. De gehate Romeinen zullen Hem doden aan het kruis. Het kan niet anders of deze boodschap moet uiterst confronterend voor de discipelen geweest zijn.
De vraag is of ook wij door deze woorden geschokt worden. Of zijn we al zo gewend aan de boodschap van het lijdensevangelie dat het ons onberoerd laat?

Niet alleen spreekt Christus hier voor het eerst over Zijn dood als de kruisdood. Hij spreekt hier ook over Zijn opstanding: “En ten derden dage zal Hij weder opstaan”. De dood zal het laatste niet zijn! Op overlevering en dood zal opstanding volgen.
Laten we ons ook eens afvragen wat deze woorden voor Jezus Zelf geweest zijn. Het moet niet alleen voor de discipelen schokkend zijn geweest maar dat was het ook voor Jezus Zelf.

Hij wist wat er in Jeruzalem zou gaan gebeuren. Heel precies kende Hij de weg die Hij moest gaan. Deze voorkennis bracht al diep lijden met zich mee. En hoewel Hij het kruis al ziet staan, toch gaat Hij op naar Jeruzalem. Wat een overgave! Dat dodelijke uur wat Hem in Jeruzalem wacht, is Hem volmaakt bekend en toch wil Hij gaan. Wat een gewilligheid in het hart van de Borg. Hierbij moeten we denken aan de woorden van de profeet Jesaja: “Ik ben niet wederspanning, Ik wijk niet achterwaarts. Ik geef Mijn rug dengenen, die Mij slaan, en Mijn wangen degenen, die Mij het haar uitplukken; Mijn aangezicht verberg Ik niet voor smaadheden en speeksel”.

Wat wordt deze Borg en Middelaar dierbaar als wij gaan verstaan dat wij de toegang tot God niet kunnen maken. Dat wij vanwege onze zonden voor Zijn aangezicht niet verschijnen kunnen. Welke offers wij ook meebrengen, zelfs het beste offer van een gebroken hart en verslagen geest, niets kan voldoening geven aan Gods eisend recht.
Hoe rijk is voor dezulken het geloofsgezicht op Christus, Hem de lijdensweg in gewilligheid te zien maken. Zijn plaatsbekleding predikt verzoening van de zonde.

Uit de reactie van de discipelen blijkt wel dat ze deze dingen niet verstonden. Om het lijden van Christus recht te verstaan is het nodig te leren dat er vanwege de waarheid en rechtvaardigheid van God op geen andere manier voor de zonde kan worden betaald dan door de dood van de Zoon van God.
Voor zondaren die zijn vastgelopen voor het aangezicht van een heilig en rechtvaardig God klinkt hier het vertroostend Evangelie van de Zoon des Mensen Die overgeleverd wordt om onze zonden en opgewekt wordt tot onze rechtvaardigmaking.

Ds. W. Harinck

Een genadig onderscheid

‘Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op den Naam des HEEREN betrouwen.’ (Zefanja 3:12)

 

De profeet Zefanja, die leefde in de tijd van Jeremia, heeft een ernstige boodschap aan het volk moeten brengen. Hij heeft gesproken over de dag van Gods toorn. Vervolgens lezen we in hoofdstuk 2 dat hij heeft opgeroepen tot bekering!

Maar… in het midden van het volk dat van de Heere afwijkt, is er ook nog een ander volk. Dat is dat ellendige en arme volk waar de profeet in hoofdstuk 3 over schrijft: ‘Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk, die zullen op den Naam des Heeren betrouwen.’

Dat volk is ellendig, omdat het God kwijt is. Hebt u dat al mogen leren door het werk van de Heilige Geest? Als de Heere in het leven komt, leren we zien dat we uitlandig zijn. Dat we zonder God op de wereld zijn. Dan gaat ons geweten ons aanklagen en de wet veroordeelt ons! Misschien vraagt iemand: Kennen Gods kinderen dan enkel ellende en verdriet? Zeker niet. Ze genieten vreugde en zaligheid als ervaren wordt dat de Heere van hen afweet. Dan zingen ze: ‘En hebt ellendigen dat land, Bereid door Uwe sterke hand, O Israëls Ontfermer!’ Dan is er geen ellende, maar zaligheid.

En toch … toch worden zij genoemd een ellendig en arm volk. Weet u waarom? Na zo’n gezegende tijd waarin zij mogen zingen van verwondering, kan er weer een andere tijd komen. Die kan bijvoorbeeld komen als de Heere nader gaat ontdekken, als de schuld steeds meer gaat drukken, of als de vraag in het hart leeft: Is deze Zaligmaker op Wie ik heb mogen zien, nu ook mijn Zaligmaker? En zelfs als deze rijke geloofs-wetenschap ontvangen mag worden, blijft Gods volk in zichzelf ellendig en arm. Ook dan horen we Paulus klagen: ‘Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?’ Ze hebben geen volkomen geloof. Ze zijn en blijven arm aan godsvrucht, geloof, hoop en liefde. Hun bidden kunnen ze menigmaal geen bidden noemen. Hun danken stelt hen schuldig. Ze zijn arm aan gerechtigheid en heiligheid. Ze krijgen de Heere in alles nodig. Onze tekst zegt het: ‘Die zullen op den Naam des Heeren betrouwen.’

Het volk in Babel had heel wat verloren: Jeruzalem, de stad van de Heere, de tempel, het huis van de Heere, de priesters van de Heere en het altaar van de Heere. Maar o wonder van genade, ze hielden de Naam des Heeren over. De Naam des Heeren betekent Jehova Zelf. God houdt Zijn volk over en dat volk houdt God over. Dat volk zal op Zijn Naam betrouwen.

Het woord ‘betrouwen’ wijst op ‘toevlucht nemen, ergens tegenaan leunen’. De dichter van Psalm 36 zingt: ‘Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.’ Dat overblijfsel mag door genade tot de Naam des HEEREN hun toevlucht nemen. Ze begeren het van Hem te verwachten. Ze zijn afgebracht van het steunen op eigen wijsheid, geloof, hoop en liefde, of bekering. Maar zij smeken: ‘Verlaat niet wat Uw hand begon, o Levensbron, wil bijstand zenden.’ Ze komen bij God terecht. Zijn Naam wordt hun énige pleitgrond en het centrum van die Naam is Christus. Zo wordt Hij de Rots van hun betrouwen, Wiens werk alleen volkomen is. In en door Hem is er gemeenschap mogelijk tussen een heilig en rechtvaardig God en een schuldig volk. Wat is het groot als we bij Hem mogen schuilen, als we op Hem mogen betrouwen. Dan zullen we uitroepen: ‘Heere, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.’

In dat betrouwen ligt ook: ‘Het is goed dat men hope en stil zij op het heil des HEEREN.’ Op die Naam mag Gods kind leunen zoals de bruid uit het Hooglied, van wie staat: ‘Wie is zij die daar opklimt uit de woestijn, en lieflijk leunt op haar Liefste?’ Deze Liefste heeft haar liefgehad met een eeuwige liefde. Daarom trekt Hij Zijn bruid. Hij maakt haar ellendig en arm, opdat Hij voor haar alles zal worden. Van nature leunen we op eigen kracht en vermogen. En ook na ontvangen genade is er zoveel wat de rechte schuilplaats niet is. Daarom maakt en houdt de Heere dat overblijfsel ellendig en arm. Totdat… de eeuwige morgen aanbreekt. Dan zijn de uitlandigheid en de armoede voorbij. Dan mogen ze ingaan in het paleis van de Koning. Dan wordt vervuld: ‘Die hier bedrukt met tranen zaait, Zal juichen als hij vruchten maait.’ Dan zullen zij de vruchten genieten die Christus verworven en verdiend heeft. Verworven in een weg van bitter lijden en sterven. Hij moest teruggeven wat Hij niet geroofd had. Wij hebben Gods Naam door het slijk gesleurd, vertrapt en niet op de juiste waarde geacht. Maar God zorgt ervoor dat Zijn Naam zal klimmen uit het stof. Hij verheerlijkt Zijn Naam in diepgevallen zondaren. En omdat Hij die Naam in hun leven gaat openbaren en bekendmaken, komt er van hún kant een betrekking op die Naam, ja dan wordt door de genade van het geloof die heerlijke Naam hun leven en zaligheid. Die Naam staat dan in het middelpunt van hun leven! ‘Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen…’

 

Ds. B. van der Heiden

Een leidsman tot Christus

“En hij leidde hem tot Jezus” (Joh. 1:43a)

Het is een onvergetelijke dag geweest voor Andreas. Samen met zijn zielenvriend Johannes heeft hij de Zaligmaker mogen vinden. Door middel van de prediking van Johannes de Doper was er in het hart van Andreas en Johannes behoefte ontstaan aan de kennis van de Zaligmaker. Hoe verrassend is die behoefte vervuld! Het heeft de verwachting van die beiden ver overtroffen. Johannes schrijft er tientallen jaren later in zijn ouderdom nog over alsof het pas is gebeurd. Hij zegt: “Het was omtrent de tiende ure.” De tiende ure is ongeveer vier uur in de middag. Maar Johannes en Andreas mogen de rest van de dag ook bij de Heere Jezus blijven.

Zodra Andreas echter de Zaligmaker heeft gevonden, zoekt hij eerst zijn broeder Simon op, met wie hij niet alleen een bloedband, maar ook een geestelijke band mocht hebben. Hij moet hem op de hoogte brengen van wat hem te beurt is gevallen. Hij weet dat Simon er ook naar uitziet dat hij die Zaligmaker zal mogen leren kennen voor eigen hart en leven. Zodra Andreas zijn broer ziet, roept hij hem toe: “Wij hebben gevonden…” Aan dat vinden is wel een zoeken, vragen en worstelen in het gebed vooraf gegaan, om die door God beloofde Zaligmaker te mogen leren kennen en persoonlijk te ontmoeten. Wat is er een uitzien, een verlangen, een begeren geweest, en nu onverwacht heeft de Heere het geschonken.

“Wij hebben gevonden!” Wat klinkt er een blijdschap door in die woorden. Wat is dat een heerlijk getuigenis. Mag u het ook zeggen? Alleen ware gelovigen mogen zo de Heere Jezus vinden. Zij zijn door een waar geloof met Hem verenigd geworden in de wedergeboorte, maar in hun hart is ook een begeerte gewekt om Hem te mogen ontmoeten. Wat een voorrecht als ons dat te beurt valt! Wanneer het aan onze kant onmogelijk is geworden om met God verzoend en in Zijn gemeenschap hersteld te worden, om dan Hem te mogen leren kennen. Andreas zegt tot Simon: “Wij hebben gevonden de Messias”, dat is de Gezalfde, de Christus. Hij heeft hier zeker nog niet de diepte gepeild van de betekenis van deze woorden. Er is nog heel veel onderwijs van de Zaligmaker nodig om recht te verstaan wat hij hier belijdt. Maar toch mag hij deze belijdenis in waarheid uitspreken, uit de grond van zijn hart.

Er zijn ook in onze dagen mensen die zich zo gedrongen voelen om anderen tot Jezus te brengen. Maar het schijnt dat ze zelf die Zaligmaker nooit hebben ontmoet. Om anderen tot Jezus te leiden, is echter nodig dat wij zelf door Hem geleerd worden. Maar wie Hem gevonden heeft, wil Hem ook bekendmaken aan anderen. Dat is een heilige vanzelfsheid. Dan zeggen we niet: ‘Ja, maar ik heb geen vrijmoedigheid.’ We zien hier de schuchtere Andreas de vrijmoedige Petrus leiden. Dan zeggen we ook niet: ‘Een ander heeft meer gaven dan ik, die moet het maar doen…’ Nee, dan luisteren we naar het woord van de apostel: “Een iegelijk, gelijk hij gave ontvangen heeft, alzo bediene hij dezelve aan de anderen.”

Hoe heeft Andreas Simon geleid? Overeenkomstig hetgeen hij nodig had. Dát is een les. Andreas heeft Simon niet moedeloos gemaakt op de manier zoals men weleens hoort: ‘O, zolang je dit niet weet of dat niet kent, moet je er maar niets van denken.’ Er zijn mensen die tot een bepaalde stand in het geestelijk leven alles wegslaan. Maar dat hoort niet. Naarmate de Heilige Geest ontdekt, komt er plaats in het hart voor Christus. Anderzijds heeft Andreas Simon ook niet opgehouden op de weg. Hij heeft niet gezegd: ‘Maar Simon, dat is toch ook een wonder dat jij behoefte hebt om tot die Zaligmaker te gaan…’ Helaas gebeurt dat maar al te veel, tot schade van het geestelijke leven. Dan legt men elkaar de handen op, in plaats dat men tracht elkaar een leidsman tot Christus te zijn.

Zou Simon geen bezwaren geopperd hebben? ‘Andreas, ik ben zo’n groot zondaar, ik heb het veel erger gemaakt dan jij. Dat jij de Heere hebt mogen vinden, is wel een wonder, maar dát kan ik nog verstaan. Maar zou het voor mij wel kunnen?’ O, dan zou Andreas zeker gezegd hebben: ‘Broer, ga maar mee en houd moed. Hij is gekomen om zondaren te zaligen.’ Mogelijk heeft Simon nog tegengeworpen: ‘Ja, maar zal ik wel door Hem ontvangen worden?’ Ik twijfel er geen moment aan dat Andreas dan gezegd zou hebben: ‘Houd maar moed, Simon, want als de Heere mij wilde ontvangen, dan wil Hij jou zeker ontvangen.’ Wat is het zalig geweest voor Simon om bij Jezus te komen. Dat is hij nooit vergeten!

En wat is het voor Andreas groot geweest om zijn broer bij Hem te mogen brengen. Want wat is het een zalig werk als ons vergund wordt om een ander tot Jezus te mogen leiden. Dat kunnen Gods knechten, de ambtsdragers en Gods kinderen bevestigen! En als zij dan aan het eind van hun leven komen, en ze mogen weten dat de Heere hen ook dienstbaar heeft gesteld voor anderen, wat mag daar dan voor hen een troost in liggen. Is het ook uw uitzien?

Ds. R. Boogaard (1921-2013)

Rondom de jaarwisseling

“Het is geschied” (Openbaring 21:6m)

 

Geliefde lezer, alles heeft zijn bestemde tijd. Wat wordt dat bevestigd wanneer het afgelopen jaar bijna is voorbijgegaan. Nog enkele weken, dagen of uren (als u dit leest) scheiden ons en dan is ook deze jaarkring opgerold op de rol der eeuwen. Het is in de wonderlijke raadsvervulling Gods met al zijn wel en wéé voorbij. Zo gaat het leven van een mensenkind naar Gods eeuwig Woord naar het einde. Uren, dagen, maanden, jaren vliegen als een schaduw heen. Doch wie onzer doordenkt dat ook de tijd ééns zal ophouden? Immers wanneer een jaarkring is voorbijgegaan, rekent een mens weer voor het komende jaar. Hij rekent vooruit, jaren vooruit. Maar wie rekent met de eeuwigheid? In Gods eeuwige raadsvervulling wilde de Heere de tijd inschakelen. Het was naar Gods welbehagen om in die gestelde tijd Zijn gemeente op te zamelen uit alle geslachten, talen en natiën. Met de schepping der wereld begon die tijdsbedeling. Straks is de tijdsbedeling ten einde. Wanneer de storeloze eeuwigheid zal worden doorleefd, zal Adams geslacht het beleven dat het voor de eeuwigheid geschapen is. Het is Johannes, de Apostel der liefde, die op Patmos dit beluisterd heeft uit de mond Gods. In Openbaring 21 vers 5 deelt hij dat aan ons mede. „Die op de troon zat zeide.” Als God spreekt, dan heeft Johannes geleerd te luisteren. Daarvoor heeft de Heere hem in het uur der wedergeboorte de oren geopend. Immers, van nature hoort de mens niet. Dan is hij horende doof. Wat heeft Johannes gehoord? Het is geschied! De Heere wijst Johannes op het laatste oude jaar op de aarde. Dan zal het zijn: het oude is voorbijgegaan, ziet het nieuwe komt. Ik maak alle dingen nieuw, heeft de Heere tot Johannes gezegd. Dat wijst erop dat alles verdwijnen zal. Dat alles zal vergaan. Hier op de aarde is niets bestendig. U ziet dat om u heen. Vertering, verrotting, vergankelijkheid. En wie staat er bij stil? Wie zoekt de dingen die eeuwig en bestendig zijn?  Dit getuigenis is een betrouwbaar getuigenis. Het is de God van hemel en aarde, Die ons dit heeft laten verkondigen. Het is de eeuwige besluitende God, Die ons deze boodschap laat brengen. Het is geschied! Het wil zeggen, dat de tijd is aangebroken dat alles voltooid is. Het woord „geschied” wijst ons immers op iets dat voorbij is. Het is verleden geworden, een onherroepelijk verleden. Wanneer wij het jaar terugzien, dan is er veel dat tot het verleden behoort. Wie ziet in deze ogenblikken niet terug? En hoevelen zien dan met smart terug? Wat een lege plaatsen, de lege stoel, de lege plaats aan de tafel, de lege plaats in het hart. Kom, hebben wij in het afgelopen jaar ook de lege plaats in ons hart gevoeld vanwege het doorleefde Godsgemis? Het is geschied! Dat wijst op het voltooien van het werk ‘Gods. Wat is dan voorbij? Het werk Gods tot verlossing. Het werk Gods der voorzienigheid. Het werk Gods van Gods kerk op aarde. Het is geschied! Dat is, dat de prediking van vrije genade niet meer gebracht wordt. Dan wordt niet meer opgeroepen tot bekering. Dan is het nooit meer: „Bekeert u, bekeert u gij afkerige kinderen.” Dan zullen in de weg van de voorzienigheid de middelen der genade niet meer gevonden worden. Dan zullen op de zondagen de deuren van Gods huis niet meer open zijn om te nodigen. “Kom ga met ons en doe als wij, Jeruzalem dat ik bemin, Wij treden Uwe poorten in”. Dan zal er niet meer op worden gewezen, dat het bloed van het Lam Gods reinigt van de zonde. Dan zal de prediking ophouden. Het zaad van het Woord Gods wordt niet meer gezaaid. Dan zal ook een godvruchtige vader niet meer vermanen om de paden der zonde te verlaten. Dan zal een bezorgde moeder niet meer wijzen op de beminnelijke dienst van God. Dan zullen ouders niet meer voor God gebogen liggen om te bedelen om de behoudenis van hun zaad. Dan wordt niet meer gewaarschuwd, dan is het voorbij. Hoe zal het dan zijn?  Het is geschied! Elk jaar is voor ons een teken, dat het einde komt. Ook het einde van onze tijd nadert. Dan houden onze werken op. Dan houden onze woorden op. Dan houden onze gedachten op. En dan, er is een gedenkboek voor Gods aangezicht. Het is geschied! Aan het einde van elk jaar maken wij onze balans op. Dan sluiten wij het boekjaar af. Als wij nu ook dit jaar van ons levensboek afsluiten, wat zal ons eindcijfer  zijn? Zullen wij deze balans voor God kunnen verantwoorden? Dan mocht het einde van het jaar dat aan ons voorbijging een slotsom hebben. De slotsom waar Gods kerk door het geloof bezitter van is. Namelijk de geloofswetenschap, dat al hun zonde en te kort, al hun gebrek en dwaasheid is bedekt in de volmaakte wandel en arbeid van Christus, Die met Zijn dierbaar bloed voor al hun zonde volkomen betaald heeft. Die uit al het geweld des duivels heeft verlost. En alzo bewaart, dat zonder de wil Gods geen haar gekrenkt worde. Dat volk heeft bij het afscheid van het oude een geloofsgezicht op het nieuwe. Zij zullen instemmen, mag u en jij dat ook al instemmen?

 

Gij maakt eerlang mij ‘t levenspad bekend.
Waarvan in druk, ‘t vooruitzicht mij , verheugde.
Uw Aangezicht, in gunst tot mij gewend.
Schenkt mij in ‘t kort verzadiging van vreugde.
De lieflijkheên van ‘t zalig hemelleven,
Zal eeuwiglijk Uw rechterhand mij geven
.

 

Ds. P. Blok

Een schat in de hemel

“Tot een onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u …” (1 Petr. 1:4)

 

Van de apostel Petrus zijn ons twee zendbrieven bewaard gebleven. De eerste brief is waarschijnlijk geschreven in de periode tussen het jaar 62 en het jaar 68 na Chr. Hij schrijft vanuit Babylon (1 Petr. 5:13). Men gaat er wel van uit dat hij hiermee de stad Rome bedoelt. In deze stad zou hij de laatste jaren van zijn leven hebben doorgebracht. De tweede brief is duidelijk aan het eind van zijn leven geschreven (ca 68 na Chr. stief hij de marteldood). Petrus wist dat zijn einde naderde. Zijn lieve Meester, zo schrijft hij, had hem geopenbaard dat zijn aardse tempel spoedig afgebroken zal worden (2 Petr. 1:14). En dat is de voor apostel een belangrijke reden om zijn lezers nogmaals indringend te wijzen op de rijkdom die een ware christen heeft in Jezus Christus. De Heere Jezus had immers tegen zijn discipel Petrus gezegd: ‘en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders’ (Lukas 22:32b). Hij moet zijn broederen versterken in de strijd, in de aanvechtingen, in de vervolgingen die ze moeten meemaken. Welnu, de tot het geloof gekomen heidenen verkeren in moeilijkheden. De joden keken op hen neer en zeiden: ‘wij alleen zijn Gods uitverkoren volk, wij zijn het zaad van Abraham’. En de heidenen maakten de christenen ronduit belachelijk: hoe kun je nu in een gekruisigde Koning geloven? De wereld op z’n kop… Het was ‘de Jood een ergernis en de Griek een dwaasheid’ (1 Kor. 1:23). Christenen werden als tweederangs burgers beschouwd, zoals we dat nu ook zien in landen als Pakistan waar afgelopen maandag het proces tegen de christin Asia Bibi werd voortgezet. Bepaalde burgerrechten werden hen ontnomen. En het perspectief was bepaald niet gunstig. Langzaam maar zeker ging het in verschillende landen richting een vervolging van de christenen. Zij konden de steun van Petrus zo goed gebruiken. Vandaar deze brieven. Afkomstig van een ervaringsdeskundige, van iemand die precies weet wat lijden in deze tegenwoordige wereld inhoudt.

Petrus wijst erop dat het lijden wezenlijk is voor het leven van een christen. Daarom trekt hij een lijn van het lijden van Christus naar het lijden van Christus’ volgelingen. Wie de Zaligmaker volgt, moet het kruis leren dragen (1 Petr. 2:21, 3:18, 4:12). Ze moeten daarbij letten op de wijze waarop Christus het lijden heeft aanvaard. En zoals Hij gesterkt is door de vreugde die Hem was voorgesteld. Zó heeft Hij het kruis willen dragen en de schande willen verachten. Daaraan moeten ze elkaar en zichzelf herinneren. Het lijden is maar kort, de vreugde straks is voor eeuwig. “Die na kortstondig ongeneugd, mij eindeloos verheugt…”. In dat verband benadrukt Petrus ook de christelijke hoop, door Paulus de ‘helm der zaligheid genoemd’. Door de opstanding van de Heere Jezus zijn de ware gelovigen namelijk wedergeboren tot een levende hoop (1 Petr. 1:3). Er ligt een schat op hen te wachten, ‘een onverderfelijke en onbe-vlekkelijke en onver-welkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u’ (1 Petr. 1:4). Jezus sprak over deze schat tegen de rijke jongeling: “En gij zult een schat hebben in den hemel” (Markus 10:21). Niemand kan bij die schat komen, om de schat te verderven. Wat een voorrecht. Op aarde kunnen schatten vergaan. Sierraden kunnen kwijt raken of gestolen worden. Motten kunnen kleding doen vergaan. Een prachtig huis kan door een aardbeving veranderen in een puinhoop. Een beurscrisis kan in een ogenblik het hele aandelenvermogen doen verdampen. Een bank, waar ons spaargeld op staat, kan ‘omvallen’ zodat dat een paar jaar geleden dreigde te gebeuren met onder meer ABN AMRO. Nog niet zo lang geleden hoorden we van mensen die een heel aantal bitcoins (digitaal betaalmiddel) hadden gespaard. Maar ze waren de wachtwoorden kwijt of hadden de wachtwoorden op een harde schijf staan die niet meer was terug te vinden. Iemand in Engeland had zijn harde schijf met bitcoins ter waarde van wel 20 miljoen euro in de kliko gedumpt en was ten einde raad. Hij overwoog serieus om heel de vuilnisbelt te laten afgraven. Vergelijk dat eens met de hemelse erfenis, zie zoveel heerlijker is dan al het aardse goud bij elkaar. De hemelse heerlijkheid – het hemelse Jeruzalem dat straks zal neerdalen op de aarde, zoals het wordt geschilderd in Jesaja 11 en in Openbaring 21. Het is de plaats waar het Lam in Zijn volle heerlijkheid is. Dáár zal Hij de kinderen van God verlichten, weiden en leiden. Woorden schieten te kort. Johannes schrijft verrukt: “De stad was zuiver goud, zijnde zuiver glas gelijk”…. “En de twaalf poorten waren twaalf parelen, een iegelijke poort was elk uit één parel; en de straat der stad was zuiver goud, gelijk doorluchtig glas” (Openbaring 21:21). Een zon is niet meer nodig. Een maan evenmin. “Want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars” (vers 23).

Lezer, bent u, ben jij erfgenaam van die schat in de hemel? Verkregen in de weg van de wedergeboorte (1 Petr. 1:3) waardoor we een vreemdeling op aarde werden en gingen uitzien naar de Stad die fundamenten heeft? Zonder het ‘mijnende geloof’ in de verdienste van Christus kunnen we geen aanspraak maken op deze schat, op deze erfenis. Maar als er een druppel bloed van deze Borg op onze ziel is gesprengd, zijn we erfgenamen van deze schat. En zullen we Hem, onze Bruidegom, zien van aangezicht tot aangezicht.

Daar zal Zijn volk weer wonen naar Zijn raad,
God eeuwig hun Zijn volle gunst betonen;
Daar zullen zij, Gods knechten met hun zaad,
Zij, die Zijn naam beminnen, erf’lijk wonen.

(Psalm 69:14b ber.)

 

Ds. W.A. Zondag

Jezus opzoekende zondaarsliefde

….en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelve vindt? (Lukas 15:4)

 

Het is een overbekend beeld dat de Heere Jezus gebruikt in Zijn preek. Een oosterse herder telt zijn kudde met honderd schapen. Eén wordt gemist. Het is afgedwaald, weg gezworven van de herder en van de kudde. En dat om eigen schuld. Arm dier. Zonder herder blijft het ronddwalen. Totdat het te pletter valt in een diepe ravijn of verscheurd wordt door een roofdier. Het is verloren.

Aangrijpend beeld van onze werkelijkheid. Zonder God en zonder Christus en hoop in de wereld, verloren. Van uit ons zelf is er niets meer aan te doen. Ontzettend. Verloren. Dat ga ik leren door het ontdekkende licht van de Heilige Geest. Daarvoor leer ik buigen: verloren. En God doet geen onrecht als Hij me in mijn verlorenheid laat liggen.

Onuitsprekelijk wonder, als de grote opzoekende goede Herder het verlorene zoekt. Hij laat de kudde achter en gaat dat ene, afgedwaalde, verloren schaap zoeken, met een bewogen, kloppend hart, vol liefde.

En de zoektocht is niet zonder gevaren… Nee, de Herder gaat dezelfde weg als het eigenwijze, domme schaap. Zo daalt Hij in de verlorenheid van mensen, om het welbehagen van Zijn Vader te verheerlijken. Hij is gekomen, de mensen in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Wat daalt Hij laag af om verloren schapen op te zoeken, op te rapen en zalig te maken. Hij daalt af tot in de dood, tot in de dood van het kruis. Voor verloren schapen, die vastgelopen, vuil en uitgeput en ten dode opgeschreven zijn. Hij is altijd de Eerste. Hij is steeds weer de Eerste. Door Woord en Geest trekt Hij ze. Hij zoekt en… vindt. Om ze terug te brengen in de zalige gemeenschap van Zijn Vader.

Vol liefde en ontferming draagt de herder het schaap in zijn armen en op zijn schouder. De plaats van troost, vrede en rust. En zo gaat Hij de weg terug, stap voor stap. O, die weg, die dwaalweg van de herder vandaan… Smartelijk voor de ziel. Die weg moest Hij ook gaan. Wat worden de zonden dan bitter. Wat worden Zijn armen dan zoet en zalig. Weer terug naar de schaapskooi.

De Heere Jezus is de grote Herder der schapen. Hij zoekt nog. Hebt u Zijn stem al gehoord? Dan kan het niet anders of u hebt ook gezien hoe verloren u bent. Dat gaat immers samen op? Het is verloren. Dat doorleeft u. Maar Hij zoekt nog het verlorene op, totdat Hij hetzelve vindt.

Hij wordt nog gevonden van hen, die uit en van zichzelf nooit naar Hem zullen vragen. En… mijn natuur blijft: dwaalziek. De beste plek is de schouder en de borst van de Herder. Daar is het goed. Daar is het zoet. Daar stemt u in met David: De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. (Ps. 23:1)

 

Ds. D.W. Tuinier

Ananias en Saffira

“En er kwam grote vreze over de gehele gemeente en over allen die dit hoorden.” (Handelingen 5:11)

 

Wanneer wij de geschiedenis van Ananias en Saffira lezen dan is dat altijd weer zeer ingrijpend. Temeer wanneer wij bezien onder welke omstandigheden deze geschiedenis gebeurde. Het was immers in de eerste Christengemeente te Jeruzalem dat dit ingrijpende gebeuren plaats vond. In deze gemeente heerste grote liefde en saamhorigheid. De Geest des Heeren deed daar in rijke mate Zijn werk. Velen werden er toegebracht tot de Gemeente die eenmaal zalig zal worden. In die gemeente leefden ook Ananias en Saffira. Zij waren ook onder de indruk gekomen van de prediking van de apostelen. Er was uiterlijk ook niets op hen aan te merken. Wanneer men hen oppervlakkig gadesloeg dan waren het sierlijke leden. Niemand die hen verdacht van huichelarij. Toch werd het echte werk des Geestes in hen gemist. Ze hadden de naam dat zij leefden, maar zij waren dood. En dat kwam op een ingrijpende wijze aan het licht. Wat gebeurde er? We lezen in vers 1 en 2: ‘En een zeker man met name Ananias, met Saffira zijn vrouw, verkocht een have. En onttrok van de prijs, ook met medeweten van zijn vrouw, en bracht een zeker deel en legde dat aan de voeten van de apostelen’. Op zichzelf was daar niets op tegen. Ze werden niet gedwongen om een have te verkopen. En ook werden ze niet gedwongen om het gehele bedrag van de opbrengst weg te geven. Maar wat was dan wèl de zonde die ze bedreven? Wel ze wilden laten voorkomen alsof ze wel het gehele bedrag aan de voeten van de apostelen neergelegd hadden. Hoe lag het nu eigenlijk bij Ananias en Saffira? Och, bij het verkopen van die have werden ze niet gedreven door de liefde tot God maar door de liefde tot zichzelf. Ze hadden maar één ding op het oog en dat was hun eigen eer. Ze wilden graag een naam hebben in het midden van de gemeente. En gedreven door die zondige begeerte gingen ze zover dat ze dachten niet alleen de gemeente en de apostelen te kunnen bedriegen, maar zelfs ook de Heere te kunnen bedriegen. Heel hun godsdienst was alleen maar schijn. Het was niet anders dan liefde tot zichzelf. Wat roept deze geschiedenis ons toch op tot zelfonderzoek. Het staat immers niet voor niets in de Bijbel. Wat is het hart van een mens toch arglistig en bedrieglijk. Waaruit bestaat onze godsdienst? Waar komt ze uit voort?  Uit de liefde tot God of uit de liefde tot onszelf? Spreken we over schuld en verdorvenheid omdat we daar werkelijk onder gebukt gaan of doen we dat om onszelf vroom voor te doen tegenover de mensen? Och we kunnen de mensen nog wel bedriegen maar de Heere laat zichzelf niet bedriegen. Daar komen Ananias en Saffira achter. De Heere gaat de apostel Petrus verlichten door Zijn Geest zodat hij de boze daad van deze mensen doorziet. In het derde vers lezen we: ‘Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij de Heilige Geest liegen zoudt en onttrekken van de prijs des lands?’ Hierin komt wel duidelijk uit dat het werk van Ananias en Saffira duivelswerk was. We kennen het vervolg van de geschiedenis; beiden zowel Ananias als Saffira vallen dood ter aarde. Zo in de eeuwige rampzaligheid. Wat een ontzettend ingrijpend gebeuren. Het heeft een hele diepe indruk gemaakt op de gehele gemeente. Daarom lezen we: ‘En er kwam een grote vreze over de gehele gemeente en over allen die dit hoorden’. Een grote vreze staat er. Dus ze waren niet zomaar een beetje geschrokken, maar ze waren bezet met een grote vreze. Waar zal die vreze nu over gegaan zijn? Wel die vreze is gegaan over zichzelf. Die mensen hebben niet laag neergekeken op Ananias en Saffira, maar het is tot verwondering geworden dat zij daar niet dood ter aarde nederlagen. Want er is immers een volk op aarde die inleven dat ze zo’n bedrieglijk hart hebben. Wanneer de Heere het niet verhoedt, dan zijn ze in staat zichzelf en anderen te bedriegen. Dan worden ze bang voor zichzelf. Och, geliefde lezer, wanneer wij nu deze geschiedenis horen, komt er dan ook een grote vreze over ons? Dat was wel zo bij allen die dat hoorden. Dat zijn mensen, die zuchten aan de Troon der genade: ‘Heere maak me toch waar en houdt mij toch waar.’ Maar voor zulken mag toch gelden wat de spreukendichter eens heeft gezegd; ‘Welgelukzalig is de mens die geduriglijk vreest.’

 

Wijlen ds. P. Melis

Is het goed met mij?

“Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken?”

(Job 13:9a)

 

Het is onder ons een bekende uitdrukking als er gezegd wordt, dat we met God in rekening staan. Maar beseffen we wel wat dat betekent? Inderdaad, we staan met God in rekening. We zijn verantwoording schuldig aan Hem. Eens zullen we voor Zijn rechterstoel staan. En hoe zullen we het dan maken? Zal het goed zijn als Hij u zal onderzoeken? Job heeft deze vraag gesteld aan zijn vrienden. Die vrienden die hem kwamen opzoeken toen hij op de ashoop zat in al zijn ellende, hebben het hem niet gemakkelijker gemaakt. Meeleven kan heel goed doen, maar mensen kunnen de pijn van onze wonden ook nog erger maken. Mensenwoorden kunnen nieuwe wonden aan onze wonden toevoegen. Wat kunnen we elkaar striemen met onze woorden. Dat deden die vrienden van Job. Ze veronderstelden dat Job zijn ellende aan zichzelf te danken had. Er moest wel veel zonde in zijn leven zijn. Die had de Heere nu gestraft. Ze gingen als het ware op de rechterstoel van God Zelf zitten en van hun eigengemaakte hoogte bekritiseerden zij Job in al zijn ellende. In plaats van naast hem te staan, gingen zij boven hem staan. Als reactie daarop stelt Job nu deze vraag. Met andere woorden: Mijn vrienden, jullie zijn nu wel zo druk met mij en jullie beschuldigen mij, maar hoe is het met jullie zelf? Jullie vergeten jezelf toch niet? “Zal het goed zijn als Hij u zal onderzoeken”? We zijn zo vaak druk met anderen en we vergeten onszelf. We staan zo vaak klaar om anderen te beoordelen en te veroordelen, maar we vergeten onszelf te veroordelen. Hoe is het met ons? Staan wij niet allen persoonlijk met God in rekening? Zal de Heere niet over ons leven oordelen? Zal het goed zijn als de Heere met Zijn oordeel over ons leven komt? De vraag van Job is dan ook een indringende vraag, niet alleen voor zijn vrienden, maar ook voor ons. Hoe staan we tegenover de Heere? Hoe is ons leven? Niet alleen onze woorden, want die vrienden van Job spraken zoveel rechtzinnig schijnende woorden, maar ons leven. De Heere weegt ons leven. O hoe zal het zijn als Hij ons zal onderzoeken? Die God kent de meest verborgen schuilhoeken van ons hart. Hij weet onze gedachten. Hij ziet onze verborgen zonden. Er is niets wat Hem ontgaat. Als Hij ons zo onderzoekt en doorzoekt, wat blijft er dan over? Dan blijft er alleen zonde over. Dan staan we zo schuldig voor Hem. We hebben Hem niet gegeven wat Hem toekomt. We hebben de zonde zo liefgehad. We wilden onszelf niet verloochenen. We gingen onze eigen wegen. We meenden beter te zijn dan anderen, maar we zagen onze eigen zonden niet. Al waren we uiterlijk misschien degelijk en rechtzinnig, ons hart was niet voor de Heere. We zochten alleen onszelf. Hebben we onszelf zo al leren zien? Als de Heere in ons leven komt, dan gaan we dat leren. Dan gaan we onszelf enigermate leren zien, zoals de Heere ons ziet. Dan houdt alle zelfhandhaving op. Dan kunnen we ons niet meer beter voelen dan een ander, maar dan staan we persoonlijk als schuldige mensen tegenover God. Ja, dan zou het niet an-ders dan rechtvaardig zijn, als de Heere ons voor eeuwig verstoten zou. Zal het goed zijn als de Heere ons onderzoekt? Daar moeten we hier in dit leven een antwoord op leren geven vanuit het diepst van ons hart. We moeten hier leren, dat het niet goed is, als de

Heere ons onderzoekt. Want als we dat straks leren, voor Zijn rechterstoel, dan is het voor altijd te laat. Vraag of de Heere het u leren wil. Het kan nog. Het is nog genadetijd. De Heere roept u nog tot Zich. Weet u, wat zo’n wonder is? Dat er Eén is, bij Wie alles wel goed was. Die Ene is Christus. Hij kon zeggen: ‘Wie overtuigt Mij van zonde?’ Hij was volmaakt goed, in Zijn werken, in Zijn woorden, in Zijn gedachten. Heel Zijn leven beantwoordde aan het doel van de Schepper. Hij heeft God volmaakt verheerlijkt. Toen de Vader het werk en het leven van Zijn Zoon onderzocht, ontbrak er niets aan. Daarom is Hij opgestaan uit de dood en opgevaren ten hemel. Wat een wonder, dat het werk van Christus volmaakt en goed is. Daarom kan het voor mensen, die moeten zeggen: ‘Als de heilige God mij onderzoekt, dan is het niet goed. Dan moet Hij mij voor eeuwig wegdoen vanwege mijn zonden.’ Ach, in onszelf kunnen we voor God nooit bestaan. Wat is nodig? Het geloof, waardoor we met Christus worden verenigd. Het geloof waardoor we onszelf leren veroordelen en God leren rechtvaardigen, maar waardoor we ook tot Christus leren vluchten. Hoe kom ik aan dat geloof? De Heere werkt het Zelf door Woord en Geest. Laat het uw gebed zijn, of de Heere het ook u geven wil. Als we door het geloof met Christus worden verenigd, dan wordt Zijn volbrachte werk ons toegerekend. Dan ziet God mijn zonden niet meer, maar alleen nog de gerechtigheid van Christus. Dan, dan alleen, maar dan ook zeker, is het goed, als de Heere ons zal onderzoeken. Wanneer is het goed? Als er niets meer ligt tussen God en mijn hart. Als alle zondeschuld is opgeruimd. Dat is het werk van de Zaligmaker. In Christus is een slecht mens goed, volmaakt goed, in Gods Heilige ogen. Waarom? Omdat, toen de Heere Christus onderzocht, alles goed was. ‘Jezus, Uw gerechtigheên, Die zijn mijn dekkleed, die alleen!’

 

ds. J.J. van Eckeveld