Het zicht op de Losser

“Voorts zeide Naomi tot haar: Die man is ons nabestaande; hij is één van onze lossers. En Ruth de Moabietische zeide: Ook, omdat hij tot mij gezegd heeft: Gij zult u houden bij de jongens, die ik heb, totdat zij de ganse oogst, die ik heb, zullen hebben vol­eindigd.”   (Ruth 2:20b – Ruth 2:21)

 

‘Van je familie moet je het maar hebben’, zo hoor je wel eens mensen zeggen als ze door een van hun familieleden benadeeld zijn. God bedoelt het precies andersom. Hij wil dat we elkaar tot steun zijn. Naomi weet dat ook. Zij kent de wetten van Israël. Ze ziet er Gods ‘weldadigheid’, Zijn verbondstrouw in, dat Hij Ruth bij één van de lossers heeft gebracht. Haar ogen glinsteren. Ongekende perspectieven gaan voor haar open. ‘Luis­ter Ruth’, zegt ze, ‘Boaz is één van onze lossers.’ Ruth heeft niet direct begrepen wat dat betekent, maar dat zal Naomi zeker aan haar schoondochter uitgelegd hebben.

Het losserschap houdt in dat de leden van eenzelfde familie elkaar moesten helpen en beschermen. Het familielid op wie in het bijzonder deze taak rustte werd de ‘losser’ genoemd. Hij moest er volgens de wet van de HEERE voor zorgen dat de bezit­tingen van verarmde familieleden niet verloren gingen of dat deze terug gekocht konden worden. De HEERE wilde dat elke fami­lie zijn ‘voorvaderlijk erfdeel’ zou behouden in het beloofde land. Dat was een onderpand van het hemelse Kanaän. De losser kocht voor een verarmd gezin, dat zijn erfdeel had moeten verko­pen, dit alles weer terug. Zo zorgde God voor Zijn volk.

Met de taak van de losser kon het zwagerhuwelijk (leviraat) verbonden worden. Dat hield in dat een zwager of ander fami­lie­lid de kinderloze weduwe huwde. Als er dan uit die verbin­tenis een kind werd geboren, stond dat op naam van de overle­dene. In hem leefde de kinderloos gestorven man dan toch voort. En zo zou zijn nageslacht de toekomst van de Messias kunnen meebeleven. Ook op deze instelling van de HEERE vestigt zich de stille hoop van Naomi.

Al deze ‘schaduwen’ in Israël zijn vervuld in de Heere Jezus. Hij werd onze bloedverwant. Hij nam ons vlees en bloed aan uit de maagd Maria. Hij is de grote ‘Losser’, de Verlosser en Zalig­maker, Die Zijn leven gegeven heeft ‘tot een losprijs voor velen’. Mocht u zo wel eens hoop krijgen door het zicht op de gewilligheid van deze Losser? Het is zo heerlijk om met blijd­schap ‘aren te mogen oplezen’ op de akker van de meerdere Boaz. Heerlijk is het om te mogen leven onder het vriendelijk oog van de Verlosser. Nog heerlijker is het om te mogen weten dat je het eigendom bent van Hem.

Naar die zekerheid moet je in het leven met de Heere toegroeien. Voor de discipelen was dat tijdens de omwandeling van Christus op aarde ook niet allemaal direct duidelijk. Maar toen veel van Zijn volgelingen Jezus verlieten en de Heere aan Zijn discipelen vroeg of ze ook niet wilden heengaan, kwam toch het hoge woord eruit. Uit aller naam antwoord Petrus: “Heere, tot Wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden van het eeuwige leven. En wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God” (Joh. 6:68-69).

Naomi noemt Boaz één van de Lossers! Wij weten dat Christus de enige Losser is. Zoals Petrus het zegt: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.” Toets uw eigen persoonlijk geeste­lijk leven eens aan die belijdenis. Heere Jezus, U bent mijn Profeet. Ik zit zo graag aan Uw voeten. Ik snak altijd weer naar Uw onderwijs. En als ik in Uw ogen vol diepe liefde kijk, roept mijn hart uit: O, Liefste, mijn Liefste, mijn alles.

Maar ik neem ook mijn toevlucht tot u als mijn Priester, barmhartige Hogepriester. Van uw offer aan het kruis moet ik het hebben. Van Uw vergevende liefde moet ik leven, want ik heb zoveel zonden gedaan. ‘Voor U kniel ik neer, zondig en onrein; o Jezus raak mij aan, van U wil ik zijn.’

Dan begeert u Hem echter ook tot Koning over uw leven. U wilt Hem dienen en voor Hem leven. Hij krijgt alles voor het zeggen in uw leven. En als u zo uw van liefdesmart over de zonde gebroken hart voor de Heere Jezus mag uitstorten, komt er ook iets van de ware aanbidding van deze Koning.

Daar ontvangt u het zicht op de Losser en daar worden uw ogen zalig van het zien.

Als Naomi spreekt over de Losser, komt er bij Ruth weer zoveel in haar gedachten: ‘O ja, hij heeft tot mij gezegd¼’ Nu gaat er bij haar een licht op over die onbegrijpelijk voorkomende houding van Boaz. Ruth bevestigt wat Naomi haar verteld heeft. Haar bevin­dingen op de akker van Boaz worden duidelijk door het onder­wijs van Naomi.

Vanuit het woord van Boaz ziet Ruth de weg, die de HEERE met haar ging. De HEERE heeft haar uit Moab geleid. Hij bracht haar op de akker van Boaz en zo in de tegenwoordigheid van hem, die naar de wet een van de lossers was. Heilige blijdschap en verwondering doorstroomt haar hart. De HEERE zal Zijn werk, dat Hij in haar leven begon, ook voltooien. Ja, er is toekomst in Israël, ook voor haar. Zij hoopt op zijn woord.

Ziet u de lijn naar uzelf? Misschien voelt u zich wel een klein beetje zoals Ruth. Wat is het rijk en heerlijk als u mag zien op de gewilligheid van de Heere Jezus om u voor Zijn rekening te nemen. Wat een diepe liefde en vaste hoop bloeit er op uit de bodem van Zijn belofte. Het woord van Boaz: “Hij heeft tot mij gezegd.”

Onze bevinding komt op vanuit het woord en rust op het woord. Hij heeft gezegd! Het onderwijs van anderen mag licht geven over onze weg, maar het woord van Gods belofte is de enige grond van onze hoop. De belofte van het Evangelie houdt in: wie in de gekruiste Christus gelooft, heeft het eeuwige leven (D.L.­II,5). Hij is gewillig. Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten (Hebr. 13:5).

Ga maar gewoon door om dagelijks aren te rapen op de akker van Boaz, bukkend en bede­lend, maar met Zijn toestemming en onder Zijn belofte. “Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlos­sing mijns aangezichts, en mijn God” (Psalm 42:12).

 

Ds. C. G. Vreugdenhil

Vol verwondering over Gods trouw en goedheid

Gezegend zij, die u gekend heeft!” “Toen zeide Naomi tot haar schoondochter: Gezegend zij hij den HEERE, Die Zijn weldadigheid niet heeft nagelaten aan de levenden en aan de doden!” (Ruth 2:19m en 20a)

 

Wat kan het voor een weduwe of weduwnaar vertroostend zijn als mensen laten merken dat zij begrip hebben voor haar of zijn nood. Zeker als er in die hulp een verbinding is aan te wijzen naar de geliefde over­ledene, die nog zo vaak in de herinnering tegenwoor­dig is. Dat mag Naomi hier ontdekken voor haarzelf en voor Ruth.

Daar staan ze, de twee weduwen, samen gebogen over een efa gerst. Naomi en Ruth, een schoonmoeder met haar schoondochter. Soms kunnen schoondochters en schoonmoeders niet zo goed met elkaar opschieten. Dat hoor je als ze met elkaar in gesprek zijn. Over en weer klinken verwijten. Of er wordt alleen maar gezwegen. Ze ontlopen elkaar. Dan ontbreekt de gestalte van de liefde.

Naomi en Ruth zijn met hartelijke liefde aan elkaar verbonden. Dat kwam ook omdat ze dezelfde God hadden lief gekregen. Dan ligt het zwaartepunt van de gespreksstof niet in jezelf en je eigen belangen en jaloezie, maar in God.

Zeker, die twee vrouwen spreken wel over gewone dagelijkse dingen, maar ze zien dat alles tegen de achtergrond van de zorg en de leiding van de HEERE. Dat geeft een diepere dimen­sie aan hun blijdschap: die milde handen van de hemelse Vader.

Wat een meeleven is er met elkaar. Wat een gesprekspunten als je vers 19 helemaal leest. Wat een dankbaarheid. Daar staat die zak met 36 liter gerst. En dat op de avond van de eerste dag dat Ruth er opuit was gegaan om aren te lezen. Dit is heel bijzon­der. Naomi is klein van verwondering. Ze stelt de ene vraag na de andere. Waar ben je geweest? Bij wie heb je aren opgelezen? Ze is zo onder de indruk van Gods goedheid dat ze zelfs, voordat Ruth haar vragen kan beantwoorden, de weldoener bij de HEERE aanbeveelt: “Gezegend zij, die u gekend heeft.”

Dat woordje ‘kennen’ wijst hier op een goede aandacht geven aan, een liefdevol omgaan met. Naomi beseft dat het hier niet alleen maar een kwestie is van toestemming geven. Ze ziet hier de goedheid van de HEERE achter. Die heeft in dit alles laten zien dat Hij van hen afweet. Wat is de HEERE goed. In de reactie van Naomi klinkt dezelfde verwondering door als bij Ruth, toen ze zich voor Boaz ter aarde boog en zei: “Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat gij mij kent” (vers 10)?

Spreken over Gods goedheid! Ja, mooi is dat als twee godvrezende mensen belangstellend met elkaar spreken over de dingen van het dage­lijks leven, terwijl je in alles merkt dat God voor hen het belangrijkste is.

Dan is de diepste grond van je gesprek met elkaar uiteindelijk toch het Woord van God. Daar is de akker van Boaz een beeld van. En het aren rapen van Ruth is een heenwijzing naar het bezig zijn met Gods Woord. Wie daar niet mee bezig is, verachtert in de genade. En wie er wel zijn tijd aan besteedt, mag groeien in de genade en de kennis van de Heere Jezus.

Spurgeon geeft ons, als het hierover gaat, de volgende waarschu­wing: “Veronachtzaam nooit het Woord van God. Dat zal uw hart verrijken met onderwijzing, verrijken met verstand en dan zullen uw woorden, wanneer zij uit uw mond vloeien, zijn als uw hart: rijk, gezalfd en aangenaam. Vul uw hart met rijke, edelmoedige liefde en dan zal ook de stroom, die uit uw hand vloeit, net zo rijk en edelmoedig zijn als uw hart. Ga, o christen, naar de grote mijn van de rijkdom, namelijk Gods Woord, en roep de Heilige Geest aan, opdat Hij uw hart rijk moge maken tot zaligheid. Dan zal uw leven en uw omgang met uw naaste voor hem tot zegen zijn. Dan zal uw gelaat zijn als dat van een engel van God.”

Spreken over Gods goedheid en Gods liefde loopt uit op de lofprijzing van Zijn grote Naam: “Gezegend zij, Die u gekend heeft.”

Door de intense belangstelling van Naomi aangespoord, vertelt Ruth aan haar schoonmoeder bij wie ze heeft gewerkt. Ze is op het land geweest van Boaz. Ze praat niet over de maaiers en de andere raapsters. Ze is helemaal vol van Boaz, onder wiens vleugels zij als een rechteloze de toevlucht genomen had (vers 10). Met verwondering heeft Ruth mogen zien hoe het hart van die man was aangeraakt door de liefde en de barmhartigheid van de God van Israël. En dat heeft op zijn beurt weer haar hart ge­raakt.

Kunt u daar inkomen? Mocht u zo wel eens worden aangeraakt door de ‘meerdere Boaz’, Die ons ook de liefde van God open­baart? Wie echte liefde mag opvatten voor de Heere Jezus zal ook graag over Hem spreken. Dan gaat er een wereld voor je open. In Hem is de liefde van God geopenbaard. En als je iets van Zijn gewilligheid en zondaarsliefde mag zien, komt er blijdschap in je hart. Wat krijg je Hem nodig om met God verzoend te worden. Zo groot kan uw schuld en zonde niet zijn, of Hij kan en wil u eruit verlos­sen. Bij Hem bent u in goede handen.

Ruth begint dat inmiddels te beseffen. In Boaz komt de God van Israël op haar toe. Vol verwondering zitten moeder en schoon­dochter bij elkaar. En als dan in het uitvoerige verslag van Ruth de naam van Boaz valt, ziet Naomi een diep geheim oplich­ten. Opnieuw barst ze in een loflied uit: “Gezegend zij hij de HEERE, Die Zijn weldadigheid niet heeft nagelaten aan de leven­den en de doden.” O Ruth, dat je toch bij Boaz terecht gekomen bent.

Naomi ontdekt Gods vinger in heel dit gebeuren. Ruth kwam wel ‘bij geval’ op de akker van Boaz, maar dat is echt geen toeval geweest. Ze is helemaal onder de indruk van Gods wonderlijke leiding. De HEERE heeft Ruth bij één van de lossers gebracht. Daar zit meer achter. Die zak met gerst krijgt nu voor haar een nog rijkere betekenis. Hoe ver dit geheim echter nog zal strekken in de heilsgeschiedenis, daar heeft zelfs Naomi geen flauw vermoeden van. Ja, onze God is machtig om meer dan overvloedig te doen, boven al wat wij bidden of denken (Efeze 3:19).

Naomi roemt in Gods ‘weldadigheid’. Dat is Zijn verbondstrouw. Haar ogen glinsteren en ongekende perspectieven gaan open voor haar. Ze ziet af van de mensen en ze ziet op tot God. God krijgt de eer. Als ‘losser’ kan Boaz hen uit de armoede helpen. En als ‘familie­lid’ kan hij er door het ‘zwagerhuwe­lijk’ voor zorgen dat de naam van de overledenen op aarde zal voortleven. De Heere is de doden niet vergeten: Elimelech, Machlon en Chiljon. Gods trouw is wonderbaar.

Mag u ook zeggen dat de Heere Jezus dierbaar voor u gewor­den is? Let er ook op hoe belangrijk wezenlijke belangstel­ling voor elkaar is en hoe je daardoor geestelijk verder geleid kunt worden.

Wij hebben heb alle goeds verzondigd. Maar Jezus heeft al die genade voor ons verdiend. Geprezen zij deze Boaz, Die mij kende en mij droeg in Zijn hart aan het kruis. Geprezen zij God, Die mij heeft liefgehad met een eeuwige liefde. Geprezen zij de Heilige Geest, Die dat allemaal schonk in mijn hart, toen mijn armen tekort bleken te zijn om het te grijpen. Ere wie ere toekomt. Gode alleen de eer.

 

Ds. C. G. Vreugdenhil

De mededeelzaamheid van het geloof

“… en haar schoonmoeder zag, wat zij opgelezen had; ook bracht zij voort, en gaf haar, wat zij van haar verzadiging overgehouden had.” (Ruth 2:18)

 

Als de dag ten einde is en het tijd wordt om naar huis te gaan, dorst Ruth eerst nog het opgelezen koren. Het is een rijke buit: ongeveer 36 liter gerst. Dat had ze te danken aan de goedgeefs­heid van Boaz. Met z’n tweeën kunnen ze daar zeker vijf dagen van leven. Ja, Ruth is mededeelzaam. Dat is altijd de vrucht van Gods genade. Lees meer

Geloofsovergave

“Als het nu etenstijd was, zeide Boaz tot haar: Kom hierbij en eet van het brood… en hij langde haar geroost koren, en zij at, en werd verzadigd…” (Ruth 2:14)

 

Zondag 3 september zal weer een voorbereidings-dienst gehouden worden voor de bediening van het Heilig Avondmaal. Als je weet dat de liefdesmaaltijd van Christus er aankomt, ben je daar in gedachten meer mee bezig dan anders. De meditatie over Ruth op de akker van Boaz kan ons daarbij helpen. U bent vast wel eens werkzaam met de vraag of het Heilig Avondmaal ook voor u is. Aan het Heilig Avondmaal reikt Christus als het ware eigenhandig Zijn vlees en bloed uit. Het Avondmaal wordt op gezette tijden bediend, naar de instelling van Christus. Het hangt niet van onze behoefte af. Het is Zijn liefdesbevel. Lees meer

De bedelstand van het geloof

“Als zij nu opstond, om te lezen, zo gebood Boaz zijn jongens, zeggende: Laat haar ook tussen de garven oplezen, en beschaamt haar niet.” (Ruth 2:15)

Wat is Boaz goed geweest voor Ruth. Zomaar onverdiend had ze daar gezeten tussen de maaiers aan de maaltijd. Ze was verwonderd en verbaasd. Ze mocht niet alleen de aren oprapen als het armenwerk, maar ze mocht ook eten en drinken uit de hand van Boaz. Naast de bedelstand kent het geloof ook de adelstand.
Zo mogen we naast het gewone aren rapen op de velden van het Evangelie ook genieten aan de maaltijd van Jezus’ lijden en sterven. Zo nauw is deze gekruiste Koning met Zijn kinderen verbonden, dat Hij met ze aan één tafel wil zitten. Zo, dat Hij ze ‘Zijn geliefde kinderen en erfgenamen’ noemt. Dat is de adelstand! Lees meer

Een kamerheer die God zoekt

‘En ziet. Een Moorman, een kamerling, en een machtig heer van Candece, de koningin der Moren, die over al haar schat was, welke was gekomen om te aanbidden te Jeruzalem.’ (Hand. 8:27)

 

Filippus de Evangelist werkt in Samaria. Hij was uit Jeruzalem komen vluchten in verband met de vervolging van de christenen. In Samaria preekte Hij over de Heere Jezus Christus, de Messias, Die in de wereld gekomen is om verloren mensen te redden van de ondergang.
Lees meer

Een Pinkstergemeente die God prijst

‘En prezen God, en hadden genade bij het ganse volk. En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden’ (Handelingen 2:47).

 

Wat is de eerste christengemeente in Jeruzalem een gezegende gemeente. In Handelingen 2 vers 42 staat dat de eerste christenen ‘volhardende waren in de gebeden’. En… bidden is ook lofprijzen, dat zien we hier. Als wij onze zorgen en behoeften aan de Heere voorleggen, wordt Hij daar ook in verheerlijkt. Als we de Heere nodig hebben is dat tot Zijn eer. Alle aanroeping van Gods Naam is tot verheerlijking van God. Maar ‘prijzen’ is toch nog meer dan bidden. Als we God aanbidden, hebben we niets meer nodig, dan zijn we helemaal gericht op de verheerlijking van Zijn Naam. Lees meer

Want Hij moet als Koning heersen

Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij alle machten aan Zijn voeten heeft onderworpen.

(1 Kor. 15:25)

 

In 1 Korinthe 15 bejubelt Paulus de overwinning op de machten en op de dood. Daar is Hij dus nog steeds mee bezig. De eindoverwinning van Christus is pas bij de wederkomst, maar de definitieve beslissing is gevallen op Paasmorgen. Lees meer

Houd de opgestane Christus in gedachten

‘Houd in gedachtenis dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, Welke is uit het zaad van David, naar mijn Evangelie’. (Tim. 2 vers 8)

 

Paulus schrijft aan zijn geestelijke zoon Timotheüs. Het Woord van onze tekst komt uit de pen van een ter dood veroordeelde. En dat wist hij. Het is geen wanhoopskreet, maar een woord vol moed en geloof. Woorden uit de laatste brief die Paulus in zijn leven geschreven heeft voor hij de marteldood stierf; vanuit de gevangenis in Rome. Hij heeft wel meer vastgezeten omwille van het Evangelie. Hij kende, om zo te zeggen, de klappen van de zweep. Letterlijk en figuurlijk. Maar nu zal het met een aantal zweepslagen niet aflopen. Paulus weet dat dit het begin is van het einde, namelijk zijn terechtstelling, zijn dood. Op een andere plaats zegt hij: ‘Ik zal als een drankoffer geofferd worden’. Dat betekent: ze zullen hem letterlijk een kopje kleiner maken. Zijn bloed zal vloeien als een drankoffer. Hij zal onthoofd worden. Als een drankoffer geofferd worden. Dan zegt Paulus niet: ‘Arme ik’, maar hij zegt in vers 9: ‘Het evangelie om het welk ik verdrukkingen lijd, tot de banden toe als een kwaaddoener. Maar het Woord Gods is niet gebonden’. Hij juicht. Hij zegt niet: ‘Mensen, heb allemaal eens even medelijden met mij’ maar hij zegt: ‘Mensen, ik zit wel gevangen en mijn hoofd gaat er af, maar het woord van God gaat door. Want de Koning leeft. Het woord Gods is niet gebonden’. Een ironische uitdrukking. Hij in de gevangenis. Zijn handen zijn gebonden. Zijn mond is gesnoerd. Maar het Woord van God is niet gebonden. Dat is vrij en dat maakt mensen vrij.

Het zou begrijpelijk geweest zijn als we van Paulus in deze situatie niets meer gehoord hadden. Je zou zeggen: ‘Dat is heel menselijk als je toch je doodvonnis te horen hebt gekregen’. Als de dokter tegen je zegt: ‘Meneer, mevrouw, ik kan echt niets meer voor u doen, u bent ongeneeslijk ziek.’ Dan stort misschien uw hele wereld in elkaar. U bent nergens meer. Velen sluiten zich af. Er is geen contact meer met hen mogelijk. Of mensen vinden in die omstandigheden nog maar één persoon belangrijk en dat zijn ze zelf. Alle tijd en aandacht eisen ze op voor zichzelf. Alles draait om hen. Begrijpelijk, maar niet christelijk. Paulus zegt: ‘Noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden. Niets en niemand, wat er ook gebeurt, zal me kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus’. Dat is even rijk. Paulus dient een levende Koning en Die leeft in hem. Hij sluit zich niet af voor anderen. Hij trekt niet alle aandacht naar zichzelf toe. Hij heeft juist in deze omstandigheden belangstelling voor anderen, voor mensen om hem heen.

Voor de voortgang van het koninkrijk van God, voor de vreesachtige Timotheüs die zegt: ‘Hoe moet ik nu verder in die moeilijke gemeente van Efeze?’ Nee, niet dat Paulus de dood verdringt. Dat moet je nooit doen, dan steek je je kop in het zand. Maar hij is klaar met de dood. Paulus weet dat hij het eigendom van Christus is. Wat is dat rijk. En juist in de gevangenis als hij niet meer preken kan, schrijft hij zijn brieven. Dan gaat hij niet zitten treuren, maar dan pakt hij zijn pen en schrijft hij aan Filippi en aan Kolosse en aan Efeze en aan Timotheüs. Als hij met zijn mond niet verder kan, doet hij het met zijn pen. Want het Evangelie moet verder. Het woord van God is niet gebonden.

De jonge Timotheüs werkt op dat moment in Efeze. De wereldstad Efeze waar verschillende culturen en godsdiensten elkaar ontmoeten. Efeze dat bekend is om de mysterie-godsdiensten en de tempel van Diana, de godin van de Efeziërs. Net zoiets als Amsterdam. Ontucht en goddeloosheid. Die mysterie-godsdiensten zijn te vergelijken met de New-Age-godsdienst. In die stad tierde het onkruid van de ontucht en allerlei zonden. En in die omgeving moest Timotheüs de gemeente van Christus dienen. Allerlei kwade invloeden kwamen op de gemeente af. De satan probeert de gemeente weg te trekken van het vaste fundament. En daarom schrijft Paulus vermanend en bemoedigend. Hij geeft allerlei concrete, praktische raadgevingen: ‘Timotheüs, je moet niet zo vreesachtig zijn. Je moet je niet schamen voor het Evangelie’.

In hoofdstuk 1 vers 7 en 8 staat die vermaning: ‘Want God heeft ons niet gegeven een geest der vreesachtigheid maar der kracht en der liefde en der gematigdheid. Schaam u dan niet der getuigenis van onze Heere noch mijns die Zijn gevangene bent maar lijd verdrukkingen met het Evangelie naar de kracht van God’. Hij moet zich niet schamen voor het Evangelie, niet zo vreesachtig zijn. Paulus zegt: ‘Je moet betrouwbare mensen aanstellen, die de gemeente samen met jou kunnen leiden en dienen en onderwijzen’. In het vervolg lezen we heel concreet wat er tegen opkomt in de gemeente. Woordenstrijd, goddeloosheid en de dwaalleer van Hymeneüs en Filétus, die zeiden dat de opstanding der doden al geschied was in geestelijke zin. Twistvragen in de gemeente, strikken van de duivel. Ja, Paulus weet waarover hij praat en schrijft, want hij kent die gemeente van Efeze heel goed. Met veel zegen heeft hij daar zelf het werk mogen doen. Paulus kent ook Timotheüs heel goed. Hij had veel met hem op. Dat kun je aan alles merken. Er is een soort vader-zoon verhouding ontstaan. Hij noemt hem in zijn brieven ook steeds mijn zoon. Timotheüs is de geestelijke zoon van Paulus. En ik denk dat Paulus meer afwist van deze zoon in het geloof dan menig vader vandaag de dag van zijn bloedeigen kind. Op lange zendingstochten waren ze samen opgetrokken. Onderweg hadden ze alle tijd om met elkaar te praten. Ze gingen te voet. Ze hebben de harten voor elkaar geopend. Ze wisten wat er leefde in het hart van de ander, namelijk de liefde tot Jezus. En de liefde tot het koninkrijk van God. Om jaloers op te worden. Als toch zo alle vader-kind-verhoudingen eens waren. Praat u veel met uw kinderen over de dienst van de Heere, vaders?

Vanwege die nauwe band gaan in deze brief vaderlijke trouw en broederlijke liefde hand in hand. Paulus wist van Timotheüs dat hij soms te bescheiden was. En vaak overging tot vrees, angst en onzekerheid. Hij voelde zich niet opgewassen tegen de problemen in de gemeente van Efeze. Hij had echt bemoediging nodig. Vandaar deze warme, bemoedigende brief. ‘Timotheüs, verzaak je opdracht niet. Let in de strijd maar op Hem, Die in de strijd is voorgegaan en Die heeft overwonnen. Houd Jezus voortdurend voor ogen en in je hart’. Timotheüs: ‘houd in gedachtenis dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, uit het zaad van David, naar mijn evangelie. Denk daar steeds aan. Vergeet het toch niet. Je hoeft niet bang te zijn want Jezus leeft. Jezus zorgt in al je strijd en moedeloosheid en als je denkt dat je werk geen zin meer heeft bij al je moeite en je lijden, we hebben een Heere Die leeft. Houd dat in gedachtenis, dan kun je de strijd aan die de verkondiging van het evangelie altijd met zich mee brengt’.

Die strijd zal er altijd zijn. Onherroepelijk. Want de machten en de krachten in de wereld zullen zich tegen het koninkrijk van God verzetten en tegen de uitbreiding daarvan. Laat echter het centrale thema in de verkondiging steeds zijn: ‘Jezus leeft!’ En leef er zelf ook uit. Mijn Jezus leeft! Mijn Koning weet van me af. Hij leidt mijn leven. Alles ligt in Zijn doorboorde handen. Het kan niet misgaan. Het kan Hem niet uit de hand lopen. Hij geeft me kracht. Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij! Hij overwon alle machten en krachten, de zonde en de hel en de dood en alle vijanden. Hij maakte sommigen zelfs tot vrienden. Het Woord is geladen met de opstandingskracht van de Heere Jezus. Hij schept het leven, midden in de dood. ‘Houd in gedachtenis dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt.’ In hoofdstuk 1 vers 10 zegt Paulus eigenlijk hetzelfde over de opstanding van Christus. ‘Jezus Christus Die de dood heeft te niet gedaan en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie.’

Ds. C. G. Vreugdenhil

Jezus geeft Zich over aan God

 

‘Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardig oordeelt; Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout.’ (1 Petrus 2:23-24a)

 

Jezus is het grote voorbeeld. Petrus spreekt hier tegen de slaven, die zich van alles moesten laten aandoen. Het zou helemaal geen wonder zijn, als die mensen ook eens een keer dat onrecht zouden willen vergelden. Niet doen, zegt Petrus. Niet op de mensen kijken, die u dat onrecht aandoen. U moet naar Jezus kijken. Hij schold niet terug, Hij dreigde niet. Volg het voorbeeld van de grote Meester.

Ziet u dat die twee niet te scheiden zijn? Hij heeft voor ons geleden, zegt Petrus. Maar hij zegt ook: Hij heeft ons een voorbeeld nagelaten. Dat mag ook best even voor het voetlicht komen. Hij is ons voorbeeld tot navolging. En we kunnen Hem alleen maar navolgen, als we met Hem verzoend zijn. Rechtvaardiging en heiliging zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden.

Daarom moeten christenen Hem ook navolgen. De Heere Jezus heeft het gezegd: “Een discipel is niet meer dan zijn meester.” Christus’ lijden zet zich voort in het lijden van de Zijnen. Christus’ strijd zet zich voort in de strijdende Kerk. Zijn littekens zetten zich voort in de littekens van Zijn Kerk. Dat hoort bij de wetten van Zijn rijk.

De gelovigen zijn ‘slachtscha­pen’ van Christus, zegt Petrus: als u verdrukt wordt en benauwd, kom dan maar heel dicht achter uw Meester aan, want daar is het zo goed. Daar mag u gemeen­schap hebben aan het lijden van Chris­tus. Daar mag de navolging van Christus u opnieuw opleiden tot de verzoening door Hem in het offer dat Hij bracht.

Het is genade bij God als u lijdt, terwijl u goed doet. Genade bij God, gunst bij God, een voorrecht. Dan worden we waardig gekeurd om Zijns Naams wil smaad te dragen. Dan dragen we de littekens van Christus. Dat heeft geen verzoe­nende kracht, maar dat is vanuit de verzoening, die Christus heeft aange­bracht. Om naar het voorbeeld van Jezus onschuldig te lijden en Hem zo enigszins gelijkvormig te worden.

Zeker, we struikelen vaak op die weg. We beschuldigen iedere dag onszelf. Dat komt omdat we weer zonden doen. Omdat we nooit kunnen zijn, zoals we eigenlijk willen zijn: heilig, net als Jezus.

En wat is deze lijdende Christus gescholden! De fari­zeeërs zeiden van Hem: Hij is een vraat en wijnzuiper, een vriend van tollenaren en zondaren. Hij is een hoerenkind. Wij zijn niet uit hoererij geboren. Hij werpt de duivelen uit door Beëlzebul, de overste van de duivelen. Hij verleidt het volk. Tenslot­te is Hij van godslastering beschuldigd en op grond daarvan ter dood veroordeeld.

Hoe is Hij gescholden! Daar hangt Hij aan het kruis. Zijn handen en voeten zijn vastgespijkerd aan de ruwe kruispaal. Dan nog zeggen de omstanders: Anderen heeft Hij verlost, dat Hij nu Zichzelf verlosse, indien Hij de Zoon van God is. Al die scheldwoorden heeft Hij Zich moeten laten welgevallen. Hij zweeg.

Doet u dat ook? Er zijn mensen met een heel zachtmoedig karakter. Dat is een zegen, maar op een gegeven moment is de grens bereikt en houdt het geduld op. Dan zeggen wij: nu is het klaar, nu kan ik het niet langer meer verdragen. Dan komt er bij de meest zachtmoedige mens toch wel eens een woord uit, waar hij later toch spijt van heeft. Een mens hoeft toch niet alles te slikken.

Toch eigenlijk wel, als het gaat om de Naam van Jezus. Want van Hem lezen we dat als Hij geschol­den werd, dat Hij niet terug schold. En als Hij leed, dat Hij niet dreigde. Dat had Hij kunnen doen. We horen soms van christenen die geslagen worden en niets terug doen. Zij beantwoorden de haat met de liefdegeur van Christus. Zij zien op Jezus en verdragen de slechtste behandeling.

Zelfs aan het kruis bad Hij voor Zijn beulen die de spijkers door Zijn handen sloegen: ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zijn doen.’ Hij schold niet terug, maar Hij deed wel dit: ‘Hij gaf het over in de handen van Dien, Die rechtvaardig oordeelt’. Hij legde het allemaal in de handen van Zijn alwetende God en Vader. Hij wist het: eens zal al het kwaad gestraft worden. Eens zal het recht van God zegevie­ren.

Ook daarin is Hij het voorbeeld, voor allen die moeten lijden en het kruis moeten dragen om de Naam van Christus. Hij zegt: neem het recht niet in eigen hand. Sla niet terug! God zal Zelf recht doen. Als ons onrecht is aangedaan kan dat wel eens van een kant komen, waarvan we het helemaal niet hadden verwacht: een broeder of zuster zelfs. Laten wij een voorbeeld nemen aan Hem, Die als Hij gescholden werd, niet terug schold. En als Hij leed, niet dreigde. Hij gaf het allemaal in Gods hand.

Je moet ook een keer een punt leren zetten achter bepaalde zaken. Niet constant al die oude koeien ophalen uit de sloot van het onrecht dat mensen je aandeden. Paulus schrijft dat we niet steeds moeten blijven zien naar wat achter ons ligt, maar dat we ons moeten uitstrekken naar wat voor ons ligt.

Wat ligt er voor u? De eeuwige erfenis? De eeuwige bruiloft van het Lam? In ieder geval het oordeel over allen die ons onrecht aandeden. Geef alles maar over in Gods hand. Hij is zo rechtvaardig. Laat uw geloofsblijdschap niet bederven door altijd maar op het onrecht te blijven zien. Vergeef elkaar. Zalig zijn de vredestichters.

Wij lijden liever geen onrecht en wij slaan liever wel terug. We voelen er helemaal niet voor om de smaad van Christus te dragen. Maar de Heere zegt: Mij komt de wrake toe. Achter Jezus aan, Die het kruis heeft gedragen en de schande veracht. Straks komt de grote dag dat Jezus rechter zal zijn.

En nu gaat het erom, hoe wij naar die dag toeleven. Kunnen we in dan gericht van God onbevreesd zijn, omdat de Rechter van straks onze Redder geworden is? Omdat we hier in dit leven al onze zonden hebben beleden? Omdat we vergeving ontvangen hebben in Zijn bloed? Zijn we zo Zijn beeld gelijkvor­mig, dat we achter Hem aan mogen komen?

Jezus stond in het gericht van God in de plaats van zondaren. Hij nam de schuld op Zich. Daarom blijft er geen verontschuldiging meer over voor onze zonden als we aan deze Middelaar voorbijgaan. Neemt u dat eens mee! U, die zo koud onder het Woord kunt blijven. U, die denkt: het zal mijn tijd wel duren en we zien wel wat er van komt. Als u aan deze Jezus voorbij gaat, blijft er geen slachtoffer meer over voor uw zonde.

Petrus schrijft ook over Goede Vrijdag: ‘Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout.’ Hoe kan dat eigenlijk? We staan hier voor het wonder van de plaatsbekleding. Jezus heeft de zonden van Zijn Kerk gedragen, zegt Petrus. Het oordeel over onze zonden is aan Hem voltrokken. Dat kostte Zijn leven. Hij boog het hoofd en sprak: ‘Vader in Uw handen beveel ik Mijn geest.’

Jezus droeg onze zonden in Zijn lichaam, dat wil zeggen: in Zijn menselijke natuur. Hij ging met die zonden naar het kruis, ja zelfs aan het kruis. Toen Hij daar werd vastgespijkerd, werd het handschrift van de zonde dat tegen ons getuigt, daar ook aan vastgespijkerd. Hij is tot zonde gemaakt, één gemaakt met zondaren. Hij heeft onze zonden gedragen op het hout.

Dat is toch onvoorstelbaar! Zijn liefde doet Hem delen in de straf over onze zonden. Zijn bewogenheid met onze schuld brengt Hem ertoe om onze zonden in Zijn lichaam mee te dragen tot op het kruis. Wat een lijden, wat een liefde. Wat een Jezus! Mijn Verlosser hangt aan ’t kruis.

Bent u met Hem verbonden door het geloof? Dat gaat niet buiten ons om. Aan het kruis werden onze zonden veroordeeld, gestraft. God straft ze geen twee keer. Alleen het kruis en het geloof in de Gekruisigde geeft vrede met God en zekerheid van de vergeving van je zonden. De boodschap van Goede Vrijdag is zo rijk!

Hebt u er belang bij? Zit u ermee, met uw schuld van al die jaren? Is die schuld gaan drukken en bent u gaan buigen voor de Heere? En wat is er nu gebeurd op Golgotha? Daar heeft Jezus onze zonden ‘gedragen’ en weggedragen. God zette een grote dikke streep over de schuldrekening. Hij schreef: betaald. Hij zette de datum erbij: Goede Vrijdag in het jaar 33 na Christus. Wie dat gelooft, wil aan de zonde afsterven en voor de gerechtigheid leven. Als je door Zijn striemen genezen wordt, mag je zeggen: ‘Ook voor mij bent U aan het kruis gestorven en ook voor mij hebt U genâ verworven. Ja, ook ik ben van schuld en zonden vrij.’

 

Ds. C. G. Vreugdenhil