Jakobs sterfbed

“Op uw zaligheid wacht ik, HEERE!”

(Genesis 49:18)

 

We staan hier bij het sterfbed van Jakob. Hebt u wel eens bij het sterfbed gestaan van iemand, die u lief was? Wat is dat ingrijpend. Die laatste woorden. Die laatste blik. Die laatste adem. Direct daarna werd het eeuwigheid. Er is maar één ademhaling tussen tijd en eeuwigheid. En dan? Dan is de genadetijd voorbij. Voor altijd. Hoe zal het dan met mij zijn? Laten we die vraag niet naast ons neerleggen. Lees meer

De nachtwacht

En er waren herders in diezelfde landstreek, zich houdende in het veld, en hielden de nachtwacht over hun kudde. (Lukas 2:8)

 

Er waren herders in diezelfde landstreek. Welke streek? Het veld van Efratha, de omgeving van Bethlehem. Daar raapte Ruth vroeger haar aren op. Daar speelde David op zijn harp. De herders houden de nachtwacht. Dat moest wel vanwege roofdieren en rovers. Terwijl iedereen slaapt, houden zij een waakzaam oog over de schapen, die aan hun zorgen zijn toevertrouwd, bijeengedreven in een grote omheinde ruimte tussen de lage heuvels. Er stond nog voldoende voedsel op het veld, maar ’s nachts waren ze veiliger binnen. De ogen van de herders zijn open naar de duisternis. Herders in de velden van Efratha. Lees meer

De morgen zonder wolken

‘En Hij zal zijn gelijk het licht des morgens, wanneer de zon opgaat, des morgens zonder wolken, wanneer van den glans na den regen de grasscheutjes uit de aarde voortkomen.’ (2 Samuel 23:4)

 

Door de Geest van de profetie verlicht ziet David in de avond van zijn leven het morgenlicht aanbreken. Het donker van de nacht verdwijnt en maakt plaats voor de opgaande zon. Het licht verdrijft de duisternis. Het Licht zo groot, zo schoon, zal afdalen van ’s hemels troon om volk bij volk in de ogen te schijnen. Het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot Licht zien. De natuur herleeft, de vogels beginnen te zingen en de zon der Gerechtigheid gaat op in zijn heerlijke genezende kracht. Lees meer

Met elkaar in gesprek

“En Naomi zeide tot haar schoondochter Ruth: het is goed mijn dochter, dat gij met de maagden uitgaat… en zij bleef bij haar schoonmoeder.” (Ruth 2:22-23) “Mijn dochter! Zou ik u geen rust zoeken, dat het u welga?” (Ruth 3:1b)

 

Wat is het toch een grote zegen als de familieverhoudingen goed zijn. Als de goede raad van je schoonmoeder niet wordt opgevat als bemoeizucht. Als er wezenlijke gesprekken zijn over de dingen van het dagelijks leven in het licht van het geloof. Lees meer

Het zicht op de Losser

“Voorts zeide Naomi tot haar: Die man is ons nabestaande; hij is één van onze lossers. En Ruth de Moabietische zeide: Ook, omdat hij tot mij gezegd heeft: Gij zult u houden bij de jongens, die ik heb, totdat zij de ganse oogst, die ik heb, zullen hebben vol­eindigd.”   (Ruth 2:20b – Ruth 2:21)

 

‘Van je familie moet je het maar hebben’, zo hoor je wel eens mensen zeggen als ze door een van hun familieleden benadeeld zijn. God bedoelt het precies andersom. Hij wil dat we elkaar tot steun zijn. Naomi weet dat ook. Zij kent de wetten van Israël. Ze ziet er Gods ‘weldadigheid’, Zijn verbondstrouw in, dat Hij Ruth bij één van de lossers heeft gebracht. Haar ogen glinsteren. Ongekende perspectieven gaan voor haar open. ‘Luis­ter Ruth’, zegt ze, ‘Boaz is één van onze lossers.’ Ruth heeft niet direct begrepen wat dat betekent, maar dat zal Naomi zeker aan haar schoondochter uitgelegd hebben. Lees meer

Vol verwondering over Gods trouw en goedheid

Gezegend zij, die u gekend heeft!” “Toen zeide Naomi tot haar schoondochter: Gezegend zij hij den HEERE, Die Zijn weldadigheid niet heeft nagelaten aan de levenden en aan de doden!” (Ruth 2:19m en 20a)

 

Wat kan het voor een weduwe of weduwnaar vertroostend zijn als mensen laten merken dat zij begrip hebben voor haar of zijn nood. Zeker als er in die hulp een verbinding is aan te wijzen naar de geliefde over­ledene, die nog zo vaak in de herinnering tegenwoor­dig is. Dat mag Naomi hier ontdekken voor haarzelf en voor Ruth. Lees meer

De mededeelzaamheid van het geloof

“… en haar schoonmoeder zag, wat zij opgelezen had; ook bracht zij voort, en gaf haar, wat zij van haar verzadiging overgehouden had.” (Ruth 2:18)

 

Als de dag ten einde is en het tijd wordt om naar huis te gaan, dorst Ruth eerst nog het opgelezen koren. Het is een rijke buit: ongeveer 36 liter gerst. Dat had ze te danken aan de goedgeefs­heid van Boaz. Met z’n tweeën kunnen ze daar zeker vijf dagen van leven. Ja, Ruth is mededeelzaam. Dat is altijd de vrucht van Gods genade. Lees meer

Geloofsovergave

“Als het nu etenstijd was, zeide Boaz tot haar: Kom hierbij en eet van het brood… en hij langde haar geroost koren, en zij at, en werd verzadigd…” (Ruth 2:14)

 

Zondag 3 september zal weer een voorbereidings-dienst gehouden worden voor de bediening van het Heilig Avondmaal. Als je weet dat de liefdesmaaltijd van Christus er aankomt, ben je daar in gedachten meer mee bezig dan anders. De meditatie over Ruth op de akker van Boaz kan ons daarbij helpen. U bent vast wel eens werkzaam met de vraag of het Heilig Avondmaal ook voor u is. Aan het Heilig Avondmaal reikt Christus als het ware eigenhandig Zijn vlees en bloed uit. Het Avondmaal wordt op gezette tijden bediend, naar de instelling van Christus. Het hangt niet van onze behoefte af. Het is Zijn liefdesbevel. Lees meer

De bedelstand van het geloof

“Als zij nu opstond, om te lezen, zo gebood Boaz zijn jongens, zeggende: Laat haar ook tussen de garven oplezen, en beschaamt haar niet.” (Ruth 2:15)

Wat is Boaz goed geweest voor Ruth. Zomaar onverdiend had ze daar gezeten tussen de maaiers aan de maaltijd. Ze was verwonderd en verbaasd. Ze mocht niet alleen de aren oprapen als het armenwerk, maar ze mocht ook eten en drinken uit de hand van Boaz. Naast de bedelstand kent het geloof ook de adelstand.
Zo mogen we naast het gewone aren rapen op de velden van het Evangelie ook genieten aan de maaltijd van Jezus’ lijden en sterven. Zo nauw is deze gekruiste Koning met Zijn kinderen verbonden, dat Hij met ze aan één tafel wil zitten. Zo, dat Hij ze ‘Zijn geliefde kinderen en erfgenamen’ noemt. Dat is de adelstand! Lees meer

Een kamerheer die God zoekt

‘En ziet. Een Moorman, een kamerling, en een machtig heer van Candece, de koningin der Moren, die over al haar schat was, welke was gekomen om te aanbidden te Jeruzalem.’ (Hand. 8:27)

 

Filippus de Evangelist werkt in Samaria. Hij was uit Jeruzalem komen vluchten in verband met de vervolging van de christenen. In Samaria preekte Hij over de Heere Jezus Christus, de Messias, Die in de wereld gekomen is om verloren mensen te redden van de ondergang.
Lees meer