Met elkaar in gesprek

“En Naomi zeide tot haar schoondochter Ruth: het is goed mijn dochter, dat gij met de maagden uitgaat… en zij bleef bij haar schoonmoeder.” (Ruth 2:22-23) “Mijn dochter! Zou ik u geen rust zoeken, dat het u welga?” (Ruth 3:1b)

 

Wat is het toch een grote zegen als de familieverhoudingen goed zijn. Als de goede raad van je schoonmoeder niet wordt opgevat als bemoeizucht. Als er wezenlijke gesprekken zijn over de dingen van het dagelijks leven in het licht van het geloof. Lees meer

Het zicht op de Losser

“Voorts zeide Naomi tot haar: Die man is ons nabestaande; hij is één van onze lossers. En Ruth de Moabietische zeide: Ook, omdat hij tot mij gezegd heeft: Gij zult u houden bij de jongens, die ik heb, totdat zij de ganse oogst, die ik heb, zullen hebben vol­eindigd.”   (Ruth 2:20b – Ruth 2:21)

 

‘Van je familie moet je het maar hebben’, zo hoor je wel eens mensen zeggen als ze door een van hun familieleden benadeeld zijn. God bedoelt het precies andersom. Hij wil dat we elkaar tot steun zijn. Naomi weet dat ook. Zij kent de wetten van Israël. Ze ziet er Gods ‘weldadigheid’, Zijn verbondstrouw in, dat Hij Ruth bij één van de lossers heeft gebracht. Haar ogen glinsteren. Ongekende perspectieven gaan voor haar open. ‘Luis­ter Ruth’, zegt ze, ‘Boaz is één van onze lossers.’ Ruth heeft niet direct begrepen wat dat betekent, maar dat zal Naomi zeker aan haar schoondochter uitgelegd hebben. Lees meer

Vol verwondering over Gods trouw en goedheid

Gezegend zij, die u gekend heeft!” “Toen zeide Naomi tot haar schoondochter: Gezegend zij hij den HEERE, Die Zijn weldadigheid niet heeft nagelaten aan de levenden en aan de doden!” (Ruth 2:19m en 20a)

 

Wat kan het voor een weduwe of weduwnaar vertroostend zijn als mensen laten merken dat zij begrip hebben voor haar of zijn nood. Zeker als er in die hulp een verbinding is aan te wijzen naar de geliefde over­ledene, die nog zo vaak in de herinnering tegenwoor­dig is. Dat mag Naomi hier ontdekken voor haarzelf en voor Ruth. Lees meer

De mededeelzaamheid van het geloof

“… en haar schoonmoeder zag, wat zij opgelezen had; ook bracht zij voort, en gaf haar, wat zij van haar verzadiging overgehouden had.” (Ruth 2:18)

 

Als de dag ten einde is en het tijd wordt om naar huis te gaan, dorst Ruth eerst nog het opgelezen koren. Het is een rijke buit: ongeveer 36 liter gerst. Dat had ze te danken aan de goedgeefs­heid van Boaz. Met z’n tweeën kunnen ze daar zeker vijf dagen van leven. Ja, Ruth is mededeelzaam. Dat is altijd de vrucht van Gods genade. Lees meer

Geloofsovergave

“Als het nu etenstijd was, zeide Boaz tot haar: Kom hierbij en eet van het brood… en hij langde haar geroost koren, en zij at, en werd verzadigd…” (Ruth 2:14)

 

Zondag 3 september zal weer een voorbereidings-dienst gehouden worden voor de bediening van het Heilig Avondmaal. Als je weet dat de liefdesmaaltijd van Christus er aankomt, ben je daar in gedachten meer mee bezig dan anders. De meditatie over Ruth op de akker van Boaz kan ons daarbij helpen. U bent vast wel eens werkzaam met de vraag of het Heilig Avondmaal ook voor u is. Aan het Heilig Avondmaal reikt Christus als het ware eigenhandig Zijn vlees en bloed uit. Het Avondmaal wordt op gezette tijden bediend, naar de instelling van Christus. Het hangt niet van onze behoefte af. Het is Zijn liefdesbevel. Lees meer

De bedelstand van het geloof

“Als zij nu opstond, om te lezen, zo gebood Boaz zijn jongens, zeggende: Laat haar ook tussen de garven oplezen, en beschaamt haar niet.” (Ruth 2:15)

Wat is Boaz goed geweest voor Ruth. Zomaar onverdiend had ze daar gezeten tussen de maaiers aan de maaltijd. Ze was verwonderd en verbaasd. Ze mocht niet alleen de aren oprapen als het armenwerk, maar ze mocht ook eten en drinken uit de hand van Boaz. Naast de bedelstand kent het geloof ook de adelstand.
Zo mogen we naast het gewone aren rapen op de velden van het Evangelie ook genieten aan de maaltijd van Jezus’ lijden en sterven. Zo nauw is deze gekruiste Koning met Zijn kinderen verbonden, dat Hij met ze aan één tafel wil zitten. Zo, dat Hij ze ‘Zijn geliefde kinderen en erfgenamen’ noemt. Dat is de adelstand! Lees meer

Een kamerheer die God zoekt

‘En ziet. Een Moorman, een kamerling, en een machtig heer van Candece, de koningin der Moren, die over al haar schat was, welke was gekomen om te aanbidden te Jeruzalem.’ (Hand. 8:27)

 

Filippus de Evangelist werkt in Samaria. Hij was uit Jeruzalem komen vluchten in verband met de vervolging van de christenen. In Samaria preekte Hij over de Heere Jezus Christus, de Messias, Die in de wereld gekomen is om verloren mensen te redden van de ondergang.
Lees meer

Een Pinkstergemeente die God prijst

‘En prezen God, en hadden genade bij het ganse volk. En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden’ (Handelingen 2:47).

 

Wat is de eerste christengemeente in Jeruzalem een gezegende gemeente. In Handelingen 2 vers 42 staat dat de eerste christenen ‘volhardende waren in de gebeden’. En… bidden is ook lofprijzen, dat zien we hier. Als wij onze zorgen en behoeften aan de Heere voorleggen, wordt Hij daar ook in verheerlijkt. Als we de Heere nodig hebben is dat tot Zijn eer. Alle aanroeping van Gods Naam is tot verheerlijking van God. Maar ‘prijzen’ is toch nog meer dan bidden. Als we God aanbidden, hebben we niets meer nodig, dan zijn we helemaal gericht op de verheerlijking van Zijn Naam. Lees meer

Want Hij moet als Koning heersen

Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij alle machten aan Zijn voeten heeft onderworpen.

(1 Kor. 15:25)

 

In 1 Korinthe 15 bejubelt Paulus de overwinning op de machten en op de dood. Daar is Hij dus nog steeds mee bezig. De eindoverwinning van Christus is pas bij de wederkomst, maar de definitieve beslissing is gevallen op Paasmorgen. Lees meer

Houd de opgestane Christus in gedachten

‘Houd in gedachtenis dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, Welke is uit het zaad van David, naar mijn Evangelie’. (Tim. 2 vers 8)

 

Paulus schrijft aan zijn geestelijke zoon Timotheüs. Het Woord van onze tekst komt uit de pen van een ter dood veroordeelde. En dat wist hij. Het is geen wanhoopskreet, maar een woord vol moed en geloof. Woorden uit de laatste brief die Paulus in zijn leven geschreven heeft voor hij de marteldood stierf; vanuit de gevangenis in Rome. Hij heeft wel meer vastgezeten omwille van het Evangelie. Hij kende, om zo te zeggen, de klappen van de zweep. Letterlijk en figuurlijk. Maar nu zal het met een aantal zweepslagen niet aflopen. Paulus weet dat dit het begin is van het einde, namelijk zijn terechtstelling, zijn dood. Op een andere plaats zegt hij: ‘Ik zal als een drankoffer geofferd worden’. Dat betekent: ze zullen hem letterlijk een kopje kleiner maken. Zijn bloed zal vloeien als een drankoffer. Hij zal onthoofd worden. Als een drankoffer geofferd worden. Dan zegt Paulus niet: ‘Arme ik’, maar hij zegt in vers 9: ‘Het evangelie om het welk ik verdrukkingen lijd, tot de banden toe als een kwaaddoener. Maar het Woord Gods is niet gebonden’. Hij juicht. Hij zegt niet: ‘Mensen, heb allemaal eens even medelijden met mij’ maar hij zegt: ‘Mensen, ik zit wel gevangen en mijn hoofd gaat er af, maar het woord van God gaat door. Want de Koning leeft. Het woord Gods is niet gebonden’. Een ironische uitdrukking. Hij in de gevangenis. Zijn handen zijn gebonden. Zijn mond is gesnoerd. Maar het Woord van God is niet gebonden. Dat is vrij en dat maakt mensen vrij.

Het zou begrijpelijk geweest zijn als we van Paulus in deze situatie niets meer gehoord hadden. Je zou zeggen: ‘Dat is heel menselijk als je toch je doodvonnis te horen hebt gekregen’. Als de dokter tegen je zegt: ‘Meneer, mevrouw, ik kan echt niets meer voor u doen, u bent ongeneeslijk ziek.’ Dan stort misschien uw hele wereld in elkaar. U bent nergens meer. Velen sluiten zich af. Er is geen contact meer met hen mogelijk. Of mensen vinden in die omstandigheden nog maar één persoon belangrijk en dat zijn ze zelf. Alle tijd en aandacht eisen ze op voor zichzelf. Alles draait om hen. Begrijpelijk, maar niet christelijk. Paulus zegt: ‘Noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden. Niets en niemand, wat er ook gebeurt, zal me kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus’. Dat is even rijk. Paulus dient een levende Koning en Die leeft in hem. Hij sluit zich niet af voor anderen. Hij trekt niet alle aandacht naar zichzelf toe. Hij heeft juist in deze omstandigheden belangstelling voor anderen, voor mensen om hem heen.

Voor de voortgang van het koninkrijk van God, voor de vreesachtige Timotheüs die zegt: ‘Hoe moet ik nu verder in die moeilijke gemeente van Efeze?’ Nee, niet dat Paulus de dood verdringt. Dat moet je nooit doen, dan steek je je kop in het zand. Maar hij is klaar met de dood. Paulus weet dat hij het eigendom van Christus is. Wat is dat rijk. En juist in de gevangenis als hij niet meer preken kan, schrijft hij zijn brieven. Dan gaat hij niet zitten treuren, maar dan pakt hij zijn pen en schrijft hij aan Filippi en aan Kolosse en aan Efeze en aan Timotheüs. Als hij met zijn mond niet verder kan, doet hij het met zijn pen. Want het Evangelie moet verder. Het woord van God is niet gebonden.

De jonge Timotheüs werkt op dat moment in Efeze. De wereldstad Efeze waar verschillende culturen en godsdiensten elkaar ontmoeten. Efeze dat bekend is om de mysterie-godsdiensten en de tempel van Diana, de godin van de Efeziërs. Net zoiets als Amsterdam. Ontucht en goddeloosheid. Die mysterie-godsdiensten zijn te vergelijken met de New-Age-godsdienst. In die stad tierde het onkruid van de ontucht en allerlei zonden. En in die omgeving moest Timotheüs de gemeente van Christus dienen. Allerlei kwade invloeden kwamen op de gemeente af. De satan probeert de gemeente weg te trekken van het vaste fundament. En daarom schrijft Paulus vermanend en bemoedigend. Hij geeft allerlei concrete, praktische raadgevingen: ‘Timotheüs, je moet niet zo vreesachtig zijn. Je moet je niet schamen voor het Evangelie’.

In hoofdstuk 1 vers 7 en 8 staat die vermaning: ‘Want God heeft ons niet gegeven een geest der vreesachtigheid maar der kracht en der liefde en der gematigdheid. Schaam u dan niet der getuigenis van onze Heere noch mijns die Zijn gevangene bent maar lijd verdrukkingen met het Evangelie naar de kracht van God’. Hij moet zich niet schamen voor het Evangelie, niet zo vreesachtig zijn. Paulus zegt: ‘Je moet betrouwbare mensen aanstellen, die de gemeente samen met jou kunnen leiden en dienen en onderwijzen’. In het vervolg lezen we heel concreet wat er tegen opkomt in de gemeente. Woordenstrijd, goddeloosheid en de dwaalleer van Hymeneüs en Filétus, die zeiden dat de opstanding der doden al geschied was in geestelijke zin. Twistvragen in de gemeente, strikken van de duivel. Ja, Paulus weet waarover hij praat en schrijft, want hij kent die gemeente van Efeze heel goed. Met veel zegen heeft hij daar zelf het werk mogen doen. Paulus kent ook Timotheüs heel goed. Hij had veel met hem op. Dat kun je aan alles merken. Er is een soort vader-zoon verhouding ontstaan. Hij noemt hem in zijn brieven ook steeds mijn zoon. Timotheüs is de geestelijke zoon van Paulus. En ik denk dat Paulus meer afwist van deze zoon in het geloof dan menig vader vandaag de dag van zijn bloedeigen kind. Op lange zendingstochten waren ze samen opgetrokken. Onderweg hadden ze alle tijd om met elkaar te praten. Ze gingen te voet. Ze hebben de harten voor elkaar geopend. Ze wisten wat er leefde in het hart van de ander, namelijk de liefde tot Jezus. En de liefde tot het koninkrijk van God. Om jaloers op te worden. Als toch zo alle vader-kind-verhoudingen eens waren. Praat u veel met uw kinderen over de dienst van de Heere, vaders?

Vanwege die nauwe band gaan in deze brief vaderlijke trouw en broederlijke liefde hand in hand. Paulus wist van Timotheüs dat hij soms te bescheiden was. En vaak overging tot vrees, angst en onzekerheid. Hij voelde zich niet opgewassen tegen de problemen in de gemeente van Efeze. Hij had echt bemoediging nodig. Vandaar deze warme, bemoedigende brief. ‘Timotheüs, verzaak je opdracht niet. Let in de strijd maar op Hem, Die in de strijd is voorgegaan en Die heeft overwonnen. Houd Jezus voortdurend voor ogen en in je hart’. Timotheüs: ‘houd in gedachtenis dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, uit het zaad van David, naar mijn evangelie. Denk daar steeds aan. Vergeet het toch niet. Je hoeft niet bang te zijn want Jezus leeft. Jezus zorgt in al je strijd en moedeloosheid en als je denkt dat je werk geen zin meer heeft bij al je moeite en je lijden, we hebben een Heere Die leeft. Houd dat in gedachtenis, dan kun je de strijd aan die de verkondiging van het evangelie altijd met zich mee brengt’.

Die strijd zal er altijd zijn. Onherroepelijk. Want de machten en de krachten in de wereld zullen zich tegen het koninkrijk van God verzetten en tegen de uitbreiding daarvan. Laat echter het centrale thema in de verkondiging steeds zijn: ‘Jezus leeft!’ En leef er zelf ook uit. Mijn Jezus leeft! Mijn Koning weet van me af. Hij leidt mijn leven. Alles ligt in Zijn doorboorde handen. Het kan niet misgaan. Het kan Hem niet uit de hand lopen. Hij geeft me kracht. Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij! Hij overwon alle machten en krachten, de zonde en de hel en de dood en alle vijanden. Hij maakte sommigen zelfs tot vrienden. Het Woord is geladen met de opstandingskracht van de Heere Jezus. Hij schept het leven, midden in de dood. ‘Houd in gedachtenis dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt.’ In hoofdstuk 1 vers 10 zegt Paulus eigenlijk hetzelfde over de opstanding van Christus. ‘Jezus Christus Die de dood heeft te niet gedaan en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie.’

Ds. C. G. Vreugdenhil